Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-17
ECLI:NL:RBAMS:2025:1637
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,822 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/3737
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen, verweerder
(gemachtigde: mr. R.M. d’Hooghe).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een omgevingsvergunning.
Met het besluit van 20 februari 2024 heeft verweerder eisers aanvraag om een omgevingsvergunning, voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken voor bewoning van twee garageboxen op de [adres] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] , geweigerd.
Met het bestreden besluit van 21 mei 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 20 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
1. Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat aan deze procedure voorafging
2. Eiser is eigenaar van het bedrijfsgebouw op het adres [adres] [huisnummer 3] en de garageboxen op de adressen [adres] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] . Het bedrijfsgebouw heeft een oppervlakte van 60 m² en de twee garageboxen hebben ieder een oppervlakte van 18 m².
3. Op 31 maart 2020 heeft eiser een aanvraag ingediend voor het wijzigen van het gebruik van het bedrijfsgebouw en de garageboxen ten behoeve van wonen. Op 16 juli 2020 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.
4. Op 30 december 2020 heeft eiser een aanvraag ingediend voor het wijzigen van het gebruik van het bedrijfsgebouw ten behoeve van wonen. Met een besluit van18 maart 2021 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Naar aanleiding van een door eiser ingediend bezwaar is vervolgens, op 16 november 2021, een omgevingsvergunning van rechtswege verleend. In het bestemmingsplan Amstelveen Midden West 2022 (het bestemmingsplan) is vervolgens aan het bedrijfsgebouw naast de enkelbestemming ‘Bedrijf-Kleinschalig’ tevens een functieaanduiding ‘Wonen’ toegekend (hierna: de woning).
5. In september 2023 heeft eiser vervolgens een aanvraag ingediend voor het plaatsen van een dakopbouw op de woning ten behoeve van het realiseren van twee slaapkamers. Deze vergunning is verleend.
6. De garageboxen liggen aan weerszijden van de woning en zijn intern verbonden met de woning. De garageboxen hebben volgens het bestemmingsplan de enkelbestemming ‘Verkeer-Garagebox’ en de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 5’. Deze gronden zijn bestemd voor garageboxen met de daarbij behorende verhardingen en ontsluitingsregels. Eiser is voornemens de garageboxen in gebruik bij de woning betrekken. Eén van de garageboxen wil eiser gebruiken als gelijkvloerse slaapkamer met badkamer voor zijn minder valide moeder. De andere garagebox wil hij gebruiken als keuken en inpandige berging, waardoor meer geschikte woon- en leefruimte zal ontstaan met grote toegankelijkheid. Voor dit gebruik in strijd met het bestemmingsplan heeft hij op27 december 2023 een aanvraag omgevingsvergunning ingediend.
7. Met het besluit van 20 februari 2024 heeft verweerder de aanvraag geweigerd.
8. Met het bestreden besluit is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Aan het bestreden besluit ligt een advies van de bezwaarschriftencommissie ten grondslag. Volgens de bezwaarschriftencommissie hoeft de omgevingsvergunning voor het afwijkend gebruik niet te worden verleend nu in het bestemmingsplan expliciet staat dat bewoning van deze garageboxen in strijd is met de bestemming en dit gebruik bovendien in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Overwegingen
9. Per 1 januari 2024 is de Wabo ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat vóór die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dit volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.
10. De rechtbank stelt vast dat de garageboxen aan weerszijden naast en aansluitend aan het bedrijfsgebouw liggen. De garageboxen en het bedrijfsgebouw liggen aan een plein, waar zich ook andere garageboxen bevinden. Het bedrijfsgebouw is op de plankaart paars aangegeven en heeft, naar aanleiding van de op 16 november 2021 verleende omgevingsvergunning van rechtswege, de functieaanduiding ‘Wonen’. In het bedrijfsgebouw mag dus gewoond worden.
Figuur 1
11. Niet in geschil is dat het gebruik van de garageboxen voor bewoning in strijd is met het bestemmingsplan. Op de locatie geldt de bestemming ‘Verkeer-Garagebox’ en in het bestemmingsplan staat expliciet vermeld dat het gebruik van gronden en bouwwerken voor bewoning tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt gerekend. Om deze reden heeft eiser een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’. De vraag die bij de rechtbank voorligt is of verweerder in redelijkheid heeft kunnen beslissen om daar geen medewerking aan te verlenen.
12. Verweerder komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en moet de betrokken belangen afwegen. Verweerder moet de weigering van de gevraagde afwijking goed motiveren.
13. Eiser meent dat de redenen die verweerder aan de weigering van zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd, geen stand kunnen houden. Hij voert aan dat de garageboxen op de adressen [adres] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] integraal onderdeel uitmaken van de als ‘Wonen’ positief bestemde ruimte [adres] [huisnummer 3] . Het gaat om één kadastraal perceel, met ongesplitste bebouwing, die als één integrale open ruimte is aangevraagd, vergund, gerealiseerd en door eiser gekocht. Volgens eiser draagt de functiewijziging juist bij aan een goede ruimtelijke ordening. Er wordt efficiënter gebruik gemaakt van de bestaande ruimten, zonder verdere verstening. Verder is juist sprake van vermindering van hinder. Er kan geparkeerd worden op eigen terrein en het pand grenst niet aan belendende woningen. Bovendien is het gebruik als twee inpandige garages, die in open verbinding staan tot het als woonruimte bestemde bedrijfsgebouw, volstrekt onnodig. Het gebruik van de garageboxen als woonruimte is vele malen nuttiger. Ten slotte kan de woonruimte overeenkomstig het Bouwbesluit 2012 (Bouwbesluit) geschikt worden gemaakt voor bewoning.
14. Verweerder betwist dat het bedrijfsgebouw als ‘Wonen’ bestemd is. Er is enkel vanwege de van rechtswege verleende omgevingsvergunning de functieaanduiding ‘Wonen’ aan de locatie toegekend. Ten tijde van het verlenen van die vergunning werd bewoning van het bedrijfsgebouw ook al in strijd met een goede ruimtelijke orde geacht. Met de van rechtswege verleende vergunning voor het bedrijfspand is het gebruik al geïntensiveerd. Een verdere intensivering past niet bij de omgeving. Het gebruik van de garageboxen als woning brengt een intensiever gebruik met zich dan het gebruik van de garageboxen als parkeerplaatsen of als opslag. Met de aangevraagde functiewijzing kan privacy en woonkwaliteit van omliggende woningen moeilijker worden geborgd. Daarnaast is het in dergelijke garageboxen niet mogelijk om te voldoen aan de eisen van stedenbouwkundige kwaliteit en het woonklimaat. Dit soort garageboxen zijn ontworpen en gebouwd met een ander doel voor ogen dan tijdelijke of permanente bewoning. Ze zijn niet voorzien van bijvoorbeeld isolatie, ventilatie, sanitair en ramen en kunnen niet voldoen aan wettelijke bouwvoorschriften. Bovendien verdwijnt parkeer- en opslagruimte die oorspronkelijk bedoeld was voor bewoners en bedrijven in de omgeving. Volgens verweerder weegt zwaar dat in artikel 24.3.1 van het bestemmingsplan expliciet staat dat garageboxen niet bestemd zijn als woning. Verweerder wijst erop dat het bestemmingsplan “converserend” (de rechtbank begrijpt: conserverend) van aard is en dat hierin bewust een uitsterfregeling is opgenomen. Medewerking verlenen aan het vergroten van woonruimte door het betrekken van twee naastgelegen garages bij het woongedeelte is ongewenst en zou volgens verweerder kunnen leiden tot grootschalige omzetting van garageboxen naar woonfuncties.
15. De rechtbank overweegt dat de bepaling in het bestemmingsplan waarin staat dat het gebruik van tot ‘Verkeer-garagebox’ bestemde gronden voor bewoning met die bestemming in strijd is, niet uitsluit dat wordt meegewerkt aan het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van bewoning in garageboxen. Hieruit volgt slechts dat het aangevraagde gebruik in strijd is met het bestemmingsplan. Dat is de reden waarom eiser de aanvraag heeft ingediend en is op zichzelf onvoldoende om te besluiten om niet van het bestemmingsplan af te wijken.
16. De rechtbank overweegt verder dat met wat eiser heeft aangevraagd geen extra woningen worden gecreëerd. De garageboxen zijn bouwtechnisch onderdeel van het bedrijfsgebouw en worden toegevoegd aan de woning die daar al is toegestaan. Een afwijzing van de aanvraag wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening, moet dus worden gemotiveerd met bezwaren die betrekking hebben op het vergroten van de ter plaatse toegestane woonruimte en/of het beëindigen van het gebruik van de garageboxen als zodanig. Dat de functieaanduiding ‘Wonen’ ter plaatse van het bedrijfsgebouw het gevolg is van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning is daarbij niet relevant. Dit is nu eenmaal planologisch toegestaan en daarmee het uitgangspunt bij de beoordeling van de aanvraag van eiser. Dat verweerder toentertijd niet achter het gebruik van het bedrijfspand als woning stond, doet bij de beoordeling van de aanvraag om de omgevingsvergunning die nu voorligt niet ter zake en kan geen reden vormen om deze omgevingsvergunning te weigeren.
17. Dat met vergunningverlening sprake zal zijn van een intensiever gebruik heeft verweerder in het licht van het voorgaande onvoldoende gemotiveerd. Er is en blijft immers sprake van één woning op de locatie. Nu het bestemmingsplan bewoning op de locatie al mogelijk maakt, is de redenering van verweerder dat de functiewijziging gevolgen heeft voor de privacy van omwonenden zonder nadere motivering niet te volgen. Verweerder heeft niet onderbouwd hoe het betrekken van de garageboxen bij de woning tot een (grotere) privacy schending voor omwonenden leidt. Het bedrijfsgebouw en de garageboxen grenzen niet aan andere woningen. De rechtbank ziet zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ook niet in dat gebruikers van andere garageboxen hinder zullen ondervinden van het betrekken van de garageboxen bij de woning, zoals de gemachtigde van verweerder op de zitting heeft gesteld.
18. Verder overweegt de rechtbank dat de bezwaarschriftencommissie heeft geconcludeerd dat er, gelet op de unieke situatie van het bedrijfsgebouw met omliggende garageboxen, onvoldoende grond bestaat voor de vrees voor precedentwerking. In het bestreden besluit heeft verweerder de motivering in het advies van de bezwaarschriftencommissie volledig overgenomen. In het verweerschrift heeft de gemachtigde van verweerder zich daarentegen op het standpunt gesteld dat het verlenen van de gevraagde vergunning zou kunnen leiden tot grootschalige omzetting van garageboxen naar woonfuncties.
Conclusie
22. De rechtbank concludeert dat verweerder de weigering van de aangevraagde omgevingsvergunning onvoldoende heeft gemotiveerd. Het bestreden besluit kan daarom geen stand houden. De rechtbank kan niet zelf in de zaak voorzien omdat het aan verweerder is om alle relevante feiten en omstandigheden af te wegen en een nieuw besluit te nemen. Hoewel de door verweerder gebruikte argumenten waarover de rechtbank in deze uitspraak heeft geoordeeld zonder nadere motivering, die verweerder ook in beroep niet heeft kunnen geven, geen reden kunnen vormen voor weigering van de omgevingsvergunning, is niet uit te sluiten dat ook na een nieuwe belangenafweging de weigering van de omgevingsvergunning in stand blijft, dan wel dat een omgevingsvergunning onder voorwaarden wordt verleend. De rechtbank kan het geschil daarom niet finaal beslechten door de omgevingsvergunning te verlenen, dan wel te bepalen dat verweerder dat moet doen. De rechtbank zal daarom bepalen dat verweerder een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van al hetgeen is overwogen in deze uitspraak.
23. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder aan eiser het griffierecht vergoeden. Er zijn geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, rechter, in aanwezigheid vanmr.C.J. van ‘t Hoff, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 24.1 en 24.3.1 van het bestemmingsplan.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Zie middelste afbeelding figuur 1.
Artikel 24.1 in combinatie met artikel 24.3.1 van het bestemmingsplan.
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.
Uit de Nota Parkeernormen Amstelveen 2021.