Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-14
ECLI:NL:RBAMS:2025:1617
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,609 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/1799
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. C.J. Gebuijs),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder, hierna: het college
(gemachtigde: mr. F.M.E. Schuttenhelm).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een urgentieverklaring.
1.2.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 20 oktober 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 februari 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Totstandkoming van het besluit
2.
2.1.
Eiser is een man van 42 jaar. Hij is sinds [datum] 2020 gescheiden en heeft met zijn ex-partner zes kinderen. In de echtscheidingsbeschikking van [datum] 2020 is bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de moeder hebben. Bij beschikking van de rechtbank van 15 juni 2022 is, op verzoek van eiser en zijn ex-partner, het ouderschapsplan gewijzigd en draagt eiser de zorg over twee meerderjarige kinderen (waaronder [naam 1] ) en een minderjarig kind, genaamd [naam 2] .
2.2.
Volgens de gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP) stond eiser van 5 maart 2021 tot 1 mei 2023 ingeschreven op het briefadres aan het [adres 1] in Amsterdam. Het oudste kind van eiser stond ingeschreven op het adres van de ex-partner. [naam 1] en [naam 2] stonden ingeschreven op het briefadres van eiser, maar verbleven bij hun moeder. Sinds 8 mei 2023 zijn [naam 1] en [naam 2] weer opnieuw ingeschreven bij hun moeder. Eiser staat eiser sinds 4 april 2024 ingeschreven op het adres [adres 2] in Amsterdam. Van 3 april 2024 tot en met 3 april 2025 heeft eiser tijdelijk een huurovereenkomst voor dit adres via Gapph vastgoedbeheer (leegstandbeheer).
2.3.
Op 16 augustus 2022 heeft eiser een urgentieverklaring aangevraagd. Met het primaire besluit van 20 oktober 2022 heeft het college deze aanvraag afgewezen. De reden van afwijzing is dat de echtelijke woning beschikbaar is voor de kinderen waardoor de kinderen niet dakloos zijn. Met het besluit van 23 januari 2023 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Volgens het college is er geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem omdat eiser vooralsnog niet dakloos is en de kinderen bij hun moeder kunnen blijven wonen.
2.4.
In de beroepsprocedure bij de rechtbank tegen het besluit van 23 januari 2023 heeft de rechtbank in haar uitspraak van 17 januari 2024 het beroep van eiser gegrond verklaard. De rechtbank heeft in haar uitspraak geoordeeld dat in het geval van eiser geen sprake is van inwoning bij familie en vrienden en dat eiser met zijn minderjarige zoon een gezin vormt op grond van de beschikking van de kinderrechter van 15 juni 2022. Het college moet een nieuw besluit nemen.
2.5.
Met het bestreden besluit van 9 februari 2024 verklaart het college het bezwaar van eiser wederom ongegrond. Het besluit van 23 januari 2023 is daarmee in stand gelaten en aangevuld met de weigeringsgronden uit de artikelen 2.6.8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (hierna: Hvv) en paragraaf 14 van de Nadere Regels. Hierbij is toegevoegd dat eiser en zijn gezin niet onder de sociale-medische urgentiecategorie vallen. Tot slot is er bij eiser en zijn gezin geen sprake van een schrijnende situatie waardoor de hardheidsclausule dient te worden toegepast.
Beoordeling
3.
3.1.
De rechtbank beoordeelt of het college de aanvraag van eiser voor een urgentieverklaring mocht afwijzen op grond van de Hvv. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Sociaal-medische urgentie
4. Eiser voert aan dat sprake is van dakloosheid met de zorg voor een minderjarig kind door zijn echtscheiding en dat hij daarom tot de sociale urgentiecategorie behoort. Eiser voert aan dat hij als gevolg van de echtscheiding advies heeft gevraagd bij het college om met urgentie een woning te kunnen krijgen. De woonsituatie van zijn kinderen bij hun moeder is volgens eiser onhoudbaar en schadelijk voor de gezondheid en ontwikkeling van de kinderen. Volgens eiser is hij door het college geadviseerd om met de beschikking van de rechtbank betreffende de wijziging van de verblijfplaats van de oudste kinderen een urgentieverklaring aan te vragen.
4.1.
De rechtbank heeft in haar uitspraak van 17 januari 2024 geoordeeld dat eiser en zijn kinderen voor wie hij zorgdraagt als een huishouden dienen te worden aangemerkt en dat hij niet als een alleenstaande moet worden gezien. In het bestreden besluit heeft het college eiser en zijn kinderen dan ook terecht aangemerkt als een gezin. Dit geeft eiser evenwel niet zonder meer aanspraak op een urgentieverklaring. Op grond van artikel 2.6.8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hvv komen alleen woningzoekenden in aanmerking voor een urgentieverklaring die op grond van medische of sociale redenen dringend een woonruimte nodig hebben. Hierin is opgenomen dat de woningzoekende moet worden geconfronteerd met ernstige medische problemen, (dreigende) dakloosheid met minderjarige kinderen of geweld of ernstige bedreiging. Aanvullende voorwaarden uit paragraaf 10, 12 en 14 van de Nadere regels zijn van toepassing indien er sprake is van een in Amsterdam woonachtige aanvrager die door een verbroken relatie of door echtscheiding een acuut woonprobleem heeft. Bij een echtscheiding dient de aanvraag voor een urgentieverklaring binnen één jaar na datering van de echtscheidingsbeschikking ingediend te worden bij het college (paragraaf 14, punt d).
4.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde van paragraaf 14, onder punt d, van de Nadere Regels. Het huwelijk van eiser is op [datum] 2020 uitgesproken en op 19 februari 2021 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De aanvraag van eiser dateert van 16 augustus 2022 en is dus anderhalf jaar later ingediend bij het college. De gemachtigde van het college heeft op zitting toegelicht dat zij moeten vasthouden aan de grens van één jaar vanaf het moment van datering van de echtscheidingsbeschikking. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat het college de bevoegdheid heeft om ruimer met deze grens om te gaan, heeft de gemachtigde van het college op zitting toegelicht dat het geen bijzondere of unieke situatie is dat ouders na de echtscheidingsbeschikking nog wijzigingen aanbrengen in het ouderschapsplan of de omgangsregeling voor de kinderen. Ouders kunnen onderling overeenkomen om, nadat de echtscheiding is uitgesproken, het hoofdverblijf van de kinderen te verplaatsen naar de andere ouder, maar dit kan in beginsel geen recht doen ontstaan op een urgentieverklaring. Deze afspraken kunnen worden gemaakt, maar van de ouders wordt dan verwacht dat zij zelf een oplossing zoeken om aan het ouderschapsplan uitvoering te geven. De rechtbank kan deze door het college gegeven toelichting volgen. De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid de aanvraag van eiser kon afwijzen op grond van artikel 2.6.8, eerste lid, onder b, van de Hvv.
Urgent huisvestingsprobleem
5. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 17 januari 2024 geoordeeld dat het college de weigeringsgrond uit artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hvv niet kon tegenwerpen aan eiser. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat geen sprake is van inwoning bij familie en/of vrienden. Het college diende daarom een nieuw besluit te nemen.
5.1.
In het bestreden besluit heeft het college, ondanks de uitspraak van de rechtbank, de afwijzingsgrond uit artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hvv tegengeworpen aan eiser. Hangende de beroepsprocedure heeft het college in het verweerschrift deze afwijzingsgrond alsnog laten vallen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat deze weigeringsgrond ten onrechte aan eiser is tegengeworpen in het bestreden besluit. Op dit punt is het bestreden besluit dan ook onzorgvuldig. De rechtbank kan aan dit gebrek voorbijgaan met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het is niet aannemelijk geworden dat eiser door dit gebrek is benadeeld, nu het college de urgentieverklaring mocht afwijzen op de weigeringsgrond van artikel 2.6.8, eerste lid, onder b, van de Hvv en één weigeringsgrond voldoende is voor een afwijzing van de aanvraag. Daarom passeert de rechtbank het gebrek.
Hardheidsclausule
6. Eiser doet tot slot een beroep op de hardheidsclausule. Door de huidige woonsituatie van [naam 1] en [naam 2] bij hun moeder bestaat er een reëel risico op het verergeren van de problemen in hun ontwikkeling. Het risico is aanwezig dat de kinderen door het verergeren van de sociaal psychische problemen ontsporen. Deze omstandigheden leiden dan ook tot een schrijnende situatie. Zolang eiser geen woonruimte heeft, waar ook zijn kinderen kunnen verblijven, zal deze situatie verergeren, aldus eiser.
6.1.
De rechtbank heeft oog voor de omstandigheden waarin eiser zich bevindt. Toch is de rechtbank van oordeel dat het college eiser niet op grond van de hardheidsclausule alsnog een urgentieverklaring hoefde te verlenen. Met urgentie krijgt iemand voorrang op andere personen die ook hard op zoek zijn naar een woning. Urgentie is dus de uitzondering op de regel. De hardheidsclausule is daar weer een uitzondering op, omdat iemand dan urgentie krijgt terwijl hij of zij eigenlijk niet aan de voorwaarden voldoet die de Hvv stelt. Om die reden, en tevens gelet op de enorme schaarste aan betaalbare huurwoningen in Amsterdam, past het college de hardheidsclausule zeer terughoudend en alleen bij zeer uitzonderlijke, zeer schrijnende, situaties toe. Gelet op de grote vraag naar en het grote tekort aan sociale huurwoningen in Amsterdam, acht de rechtbank dit beleid niet onredelijk. De aanvrager die een beroep doet op de hardheidsclausule vanwege medische problematiek dient met bewijsstukken aan te tonen dat sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. Hiervoor is een verklaring van een medisch specialist noodzakelijk, een verklaring van de huisarts is onvoldoende.
6.2.
De situatie van eiser kan – hoe moeilijke deze ook voor hem en zijn gezin is – niet worden aangemerkt als zeer uitzonderlijk of schrijnend. De ex-partner van eiser kampt, blijkens de ingediende stukken, met medische klachten waardoor voor haar de zorg voor zes kinderen zwaar valt. Uit de verklaringen die zijn overgelegd blijkt tevens dat tussen moeder en de kinderen spanningen zijn en dat de woning waar de kinderen verblijven te klein is voor het gezin. Ook de school en het Ouder- en Kindteam onderschrijven dat de woning van de ex-partner te klein is voor een gezin met zes kinderen, hetgeen zou kunnen worden opgelost door het verstrekken van een urgentieverklaring aan eiser. Het college heeft toegelicht dat het belang van eiser en zijn kinderen op dit moment niet zwaarder weegt dan het belang van een evenwichtig en rechtvaardige woonruimteverdeling.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
7.1.
Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 5.1. moet het college wel het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser krijgt om dezelfde reden ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van
mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van 17 januari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:176 (zaaknummer AMS 23/832).
Artikel 2.10.11 van de Hvv.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2815.