Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-11
ECLI:NL:RBAMS:2025:1506
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,288 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/6696
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. P.J. Stronks),
en
Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder
(gemachtigde: mr. J.C.M. van der Weerd).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag tot uitkering van een bedrag door het Schadefonds.
1.1.
Het Schadefonds heeft deze aanvraag met het besluit van 19 april 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 oktober 2023 op het bezwaar van eiseres is het Schadefonds bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Het Schadefonds heeft op beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft beroep op 28 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het Schadefonds. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eiseres of het Schadefonds de aanvraag terecht heeft afgewezen. Het Schadefonds heeft dat gedaan met de overweging dat eiseres de aanvraag onvoldoende heeft onderbouwd om aannemelijk te maken dat zij slachtoffer is geworden van een of meerdere geweldsmisdrijven.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Kader
4. In de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg) is bepaald dat uit het Schadefonds uitkeringen kunnen worden gedaan aan een ieder die door een opzettelijk geweldsmisdrijf ernstig letsel heeft opgelopen.
4.1.
Het Schadefonds heeft bij het nemen van beslissingen op verzoeken om uitkering als bedoeld in artikel 3 van de Wsg beslissingsruimte. Daarom heeft het Schadefonds in de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven van 1 augustus 2021 beleidsregels vastgesteld (de beleidsbundel). Volgens paragraaf 1.1.2 van de beleidsbundel hoeft een geweldsmisdrijf niet bewezen te worden, maar alleen aannemelijk te worden gemaakt. Bij de beoordeling moeten, naast de feitelijke geweldshandeling, ook de toedracht van het geweldsmisdrijf, de aanleiding ervan en de omstandigheden waaronder het heeft plaatsgevonden voldoende duidelijk zijn. Een eigen verklaring van een slachtoffer is, als dat het enige is, onvoldoende om de aannemelijkheid vast te stellen. Objectieve aanwijzingen moeten de verklaring van het slachtoffer dan ondersteunen. Medische informatie kan een verklaring van het slachtoffer over de aannemelijkheid doorgaans slechts in (zeer) beperkte mate ondersteunen nu deze informatie geen uitsluitsel geeft over wat er feitelijk is gebeurd.
4.2.
De rechtbank overweegt ten slotte dat zij de uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wsg terughoudend dient te toetsen, aangezien de beslissing over (de hoogte van) een uitkering uit het fonds een discretionaire bevoegdheid van het Schadefonds betreft.
Aannemelijk?
4.3.
Eiseres heeft op 11 oktober 2021 bij het Schadefonds een aanvraag gedaan voor een uitkering. Zij heeft daarbij een aangifte van 30 november 2019 meegestuurd. De strafbare feiten zouden zijn gepleegd door [verdachte] de ex van haar dochter [betrokkene] . [verdachte] nam vanaf 2018 telefonisch contact op met eiseres en bedreigde haar. Op 14 juni 2019 lag eiseres thuis op de bank te slapen toen ze plotseling in elkaar werd geslagen. Later herinnerde ze zich dat ze een silhouet zag wegrennen dat op [verdachte] leek. Haar dochter was thuis en zei dat ze was geslagen, ze had niet gezien door wie. [verdachte] heeft eiseres gedwongen met hem en zijn gezin mee te gaan naar een vakantiepark, waar ze eten moest kopen en koken. Ook zijn daar creditcards op haar naam aangevraagd, waarmee is gepind. Ook zijn [verdachte] en zijn gezin mee naar het huis van eiseres gegaan. Verder moest eiseres twee auto’s kopen van [verdachte] en is een bedrijfspand op haar naam gezet, evenals mobiele telefoons en abonnementen. De schulden lopen in de duizenden euro’s.
4.4.
Het Schadefonds heeft in het bestreden besluit de afwijzing gehandhaafd met verbetering van de motivering. De aangifte wordt niet ondersteund door nader strafrechtelijk onderzoek. Ook de verklaring van de dochter van mevrouw levert onvoldoende onderbouwing op nu de verklaring geen informatie biedt die bijdraagt aan de aanleiding, de toedracht en de omstandigheden van het geweldsmisdrijf. Tot slot is de waarde van de medische stukken qua onderbouwing gering nu deze informatie enkel wat zegt over het letsel, met betrekking tot de aanleiding schrijft een behandelaar immers op wat de patiënt zelf aangeeft. Al met al is de aanvraag niet voldoende onderbouwd met voldoende objectieve aanknopingspunten om deze aannemelijk te achten.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven heeft kunnen weigeren. Zoals eerder benoemd, moet voor de aannemelijkheid ook de toedracht van het geweldsmisdrijf, de aanleiding ervan en de omstandigheden waaronder het heeft plaatsgevonden voldoende duidelijk zijn. Dit brengt met zich mee dat de aangifte ondersteund moet worden door objectieve aanwijzingen. Eiseres beroept zich in het kader van de aannemelijkheid op haar aangifte, de medische stukken en de schriftelijke verklaring van haar dochter.
4.6.
In haar aangifte heeft eiseres een omvangrijk feitencomplex geschetst. Deze feiten worden niet onderbouwd door informatie van de politie nu er geen verder onderzoek heeft plaatsgevonden. Dit is uiteraard niet te wijten aan eiseres maar gezien deze omstandigheid lag het op haar weg om de aanvraag te onderbouwen met objectieve aanwijzingen. Dat heeft zij niet gedaan, terwijl het voor eiseres in elk geval mogelijk moet zijn om aan te tonen dat er bedrijfspanden, creditcards en abonnementen op haar naam stonden.
4.7.
De vraag is vervolgens of de medische stukken dergelijke aanwijzingen bevatten. Het in de stukken omschreven fysieke letsel maakt niet duidelijk hoe dit letsel ontstaan is. Ten aanzien van het geestelijk letsel is de diagnose PTSS gesteld. Hiermee staat vast dat eiseres te kampen heeft met de gevolgen van een traumatische gebeurtenis. Hoe betreurenswaardig dat ook is, de rechtbank is met verweerder van oordeel dat die diagnose in dit geval de aannemelijkheid slechts zeer beperkt ondersteunt nu ook deze diagnose niet duidelijk maakt wat er precies is gebeurd met eiseres.
4.8.
Resteert de vraag of de verklaring van de dochter van eiseres voldoende objectieve aanwijzingen bevat. Uit de schriftelijke verklaring volgt dat de dochter van eiseres naar beneden is gelopen nadat ze haar moeder hoorde schreeuwen, waarna ze haar aantrof met bloed in haar gezicht. De rechtbank stelt vast dat de dochter van eiseres zelf geen geweldshandelingen heeft waargenomen. Dit maakt dat deze verklaring in de ogen van de rechtbank niet voldoende ondersteuning biedt aan de aangifte, ook niet in combinatie met de medische stukken.
4.9.
Al met al wordt de aangifte van eiseres niet voldoende ondersteund door objectieve aanwijzingen en zal het beroep ongegrond worden verklaard.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag tot uitkering van een bedrag door het Schadefonds Geweldsmisdrijven in stand blijft. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J.M. Kruizinga, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.