Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-04
ECLI:NL:RBAMS:2025:1457
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,143 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/7402
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
en
de Minister van Justitie en Veiligheid (de minister), verweerder
(gemachtigden: mr. A. Rijkelijkhuizen en mr. M. Karkich).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beslissing van de minister op zijn verzoek om documenten openbaar te maken.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 27 december 2022 gedeeltelijk afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 november 2023 op het bezwaar van eiser is de minister daarbij gebleven.
1.2.
Eiser is het hier niet mee eens en is hier tegen in beroep gegaan. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiser deelgenomen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door bovengenoemde gemachtigden.
Wat aan deze procedure voorafging
2. Eiser heeft met een brief van 31 augustus 2022 op grond van de Wet open overheid (Woo) een verzoek ingediend tot openbaarmaking van – kort gezegd – alle informatie over de onderwerpen migratie en het Justitieel Beleidsplan kustwacht, waarover is gesproken in het Justitieel Vierpartijenoverleg (JVO) van 15 augustus 2022.
3. De minister heeft dit verzoek met haar primaire besluit van 27 december 2022 toegewezen en 12 documenten (gedeeltelijk) openbaar gemaakt. Eén document heeft zij integraal geweigerd. Eiser heeft hier vervolgens bezwaar tegen gemaakt. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft de minister nogmaals naar de documenten gekeken, maar is zij met het bestreden besluit van 16 november 2023 bij haar eerdere standpunt gebleven.
4. Eiser heeft op 28 december 2023 beroep ingesteld bij de rechtbank.
Beoordeling
5. De rechtbank beoordeelt of de minister op de juiste wijze heeft beslist op het Woo-verzoek van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
6. Op de zitting heeft eiser laten weten dat de nadruk wat hem betreft niet zo zeer ligt op de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo, maar vooral op de stukken die volgens de minister buiten de reikwijdte van het verzoek vallen of integraal zijn geweigerd. De rechtbank zal verder dan ook niet op deze weigeringsgrond ingaan, maar geeft daarbij wel mee dat bij bestudering van de geheime stukken geen dingen opvielen voor wat betreft de toepassing van de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo.
7. De rechtbank heeft kennisgenomen van alle ongelakte stukken. Aangezien dit Woo-verzoek maar een klein aantal stukken omvat (namelijk 13 stukken en twee bijlagen) zal de rechtbank zoveel mogelijk per weigeringsgrond en geclusterde stukken bespreken wat haar oordeel is. De rechtbank merkt hier tevens op dat de documenten 005 en 006 dezelfde mailreeks bevatten.
Buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek
8. De minister heeft openbaarmaking van (delen van) de documenten 001a, 006a, 008, 008a en 010 en de bijlage bij document 005 en bijlagen bij 008 (0 en 11b) geweigerd nu deze volgens de minister buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek van eiser vallen. De rechtbank heeft kennisgenomen van de ongelakte stukken en zal hieronder per document uitleggen wat haar oordeel is. De rechtbank neemt daarbij mee wat eiser ter zitting zelf heeft aangezegd over wat wel en niet buiten de reikwijdte van het verzoek valt.
Document 001a
9. Hoewel document 001a volgens de inventarislijst een deel buiten de reikwijdte van het verzoek zou vallen, is dit de rechtbank niet gebleken. Dit is mogelijk een fout in de lijst. De rechtbank zal dan ook verder niet ingaan op dit document.
Document 006a
10. De eerste pagina van dit document valt inderdaad buiten de reikwijdte van het verzoek. Dit gaat namelijk over de evacuatie van kinderen bij een natuurramp. Echter, op de tweede pagina onder het kopje voortgangsrapportage staat het woord vreemdeling. Zonder nadere motivering is het voor de rechtbank niet zonder meer duidelijk waarom dit stuk buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek van eiser valt, dat gericht is op migratie. Dit geldt ook voor pagina 3 van 006a, vanaf het kopje onder de eerste alinea.
Document 008
11. Dit stuk valt zonder meer buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek van eiser. De minister hoefde de gelakte delen van dit document dan ook niet openbaar te maken.
Document 008a
12. De eerste pagina van dit document valt inderdaad buiten de reikwijdte van het verzoek. Het eerste stuk van pagina twee ook. Echter gaat deze pagina vanaf de derde alinea door op stuk 006a en is de rechtbank van oordeel dat ook hiervoor geldt dat zonder een nadere motivering van de minister niet zonder meer duidelijk is dat dit stuk buiten de reikwijdte van het verzoek valt.
Document 010
13. Ook voor dit document geldt dat vanaf de tweede gelakte zin naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende is gemotiveerd waarom dit buiten de reikwijdte van het verzoek valt. Dit stuk borduurt verder op de documenten 006a en 008a, waardoor het voor de rechtbank zonder een nadere motivering niet duidelijk is waarom het buiten de reikwijdte valt.
De bijlagen bij documenten 005 en 008
14. Voor wat betreft de bijlage bij document 005 concludeert de rechtbank dat deze bijlage hetzelfde stuk is als document 006a, met uitzondering van een opmerking in de kantlijn. Hiervoor geldt dus ook de eerder in rechtsoverweging 9 gegeven motivering.
15. Ten aanzien van de bijlagen bij document 008 (document 0 en 11b) oordeelt de rechtbank dat bijlage 11b duidelijk buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek van eiser valt. Deze bijlage hoefde dus niet openbaar te worden gemaakt. Voor bijlage 0 geldt dat het zonder nadere motivering voor de rechtbank niet duidelijk is waarom dit stuk niet openbaar zou kunnen zijn. Het stuk valt voor zover de rechtbank dat kan beoordelen in elk geval niet volledig buiten de reikwijdte van het verzoek van eiser.
16. Aangezien het bestreden besluit gelet op voorgaande overwegingen meerdere motiveringsgebreken bevat, zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen en het beroep gegrond verklaren. Zij vernietigt het bestreden besluit op deze punten. Het is aan de minister om eventueel in overeenstemming met eiser af te stemmen welke onderdelen van de eerder genoemde stukken hij nou exact nog wel wil hebben of welke stukken mogelijk toch buiten de reikwijdte van het verzoek vallen.
De betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties
17. Openbaarmaking van document 009 is door de minister geheel geweigerd op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Woo. Dit is in beginsel een gerechtvaardigde grond om een stuk te weigeren, maar de rechtbank merkt op dat er geen (voor haar) zichtbare navraag is gedaan bij de derde-belanghebbenden. De minister geeft aan dat partijen in het verleden hebben afgesproken de Besluitenlijst van het Vierpartijenoverleg niet openbaar te maken, maar de rechtbank heeft verder geen onderbouwing van deze afspraak gezien. Gelet op de gedachte van de Woo ligt het volgens de rechtbank in dit geval daarom op de weg van de minister om – als er jaren later een verzoek tot openbaarmaking van dergelijk document binnenkomt –, bij partijen navraag te doen of zij nog steeds waarde hechten aan de geheimhouding ervan. De zienswijzen die in het dossier zitten, hebben enkel betrekking op de openbaarmaking van het beleidsplan Kustwacht, wat zo goed als geheel openbaar is gemaakt (stuk 002), en niet over de Besluitenlijst van het Vierpartijenoverleg.
18. Zonder deze nadere onderbouwing, is het voor de rechtbank niet zonder meer duidelijk dat openbaarmaking van document 009 – zeker gelet op de voor het lekenoog beperkte inhoud daarvan – integraal geweigerd zou moeten worden. De rechtbank vernietigt daarom ook op dit punt het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek. Als de minister vast houdt aan de weigering van openbaarmaking van dit document, dient de minister deze weigeringsgrond opnieuw te motiveren, bij voorkeur met toezending van een zienswijze van de betrokken landen.
Overschrijding redelijke termijn
19. Eiser komt, nu hij hierom op de zitting heeft gevraagd, in aanmerking voor een schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Eiser heeft een pro forma bezwaarschrift ingediend op 7 februari 2023. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaar, had in deze procedure dus uiterlijk op 7 februari 2025 uitspraak moeten worden gedaan. De rechtbank doet uitspraak op 4 maart 2025. Dit levert een termijnoverschrijding op van minder dan een maand. Uitgaande van een schadebedrag van
€ 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, zal de rechtbank eiser een schadevergoeding van € 500,- toekennen.
20. De bezwaarfase heeft vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift meer dan een half jaar geduurd. De beroepsfase heeft vanaf de ontvangst van het beroepschrift nog geen anderhalf jaar geduurd. De termijnoverschrijding zal dus worden toegerekend aan de bezwaarfase. Hieruit volgt dat de minister € 500,- dient te vergoeden aan eiser.
Conclusie
21. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen op de in deze uitspraak genoemde punten. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of de rechtsgevolgen in stand te laten. Het is aan de minister om de stukken nader te beoordelen en te motiveren.
22. De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepalen dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van zes weken. Deze termijn gaat lopen nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.
23. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht vergoeden. Er is geen sprake van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt de minister tot het betalen van € 500,- aan schadevergoeding aan eiser;
bepaalt dat de minister het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.S. van Limburg Stirum, rechter, in aanwezigheid van
mr. F. van der Maas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie ook artikel 4.1., vierde lid, van de Woo.