Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-04
ECLI:NL:RBAMS:2025:1447
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,598 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 24/3802 en 24/4761
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , te Uithoorn, eiseres
(gemachtigde: mr. A.C.R. Molenaar),
en
het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn, het college
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseres tegen de besluiten van het college om de verrekeningen van de bijschrijvingen op de bankrekeningen van de minderjarige zoon van eiseres, [naam] , met de bijstand van eiseres te handhaven.
2.1.
Eiseres had een relatie waaruit de zoon is geboren. De relatie tussen de vader van de zoon (vader) en eiseres is beëindigd. De zoon woont bij eiseres in op het adres [adres] [huisnummer] in Uithoorn (uitkeringsadres).
2.2.
Eiseres ontvangt met ingang van 6 juli 2015 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder.
2.3.
Het college heeft in februari 2022 onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de bijstand van eiseres. Eiseres heeft in het kader van dat onderzoek bankafschriften van de zoon overgelegd over de periode van 1 oktober 2021 tot en met 31 december 2021. Het betreft afschriften van een RABO-jongerenrekening, eindigend op 963 (betaalrekening), en van een Regenboogrekening, eindigend op 638 (spaarrekening). Op de afschriften van de betaalrekening is zichtbaar dat de vader op 11 oktober 2021, 21 oktober 2021 en 18 november 2021 een bedrag van € 100,- aan de zoon heeft overgemaakt. Het college heeft eiseres per brief van 4 maart 2022 meegedeeld dat de bijstand van eiseres ongewijzigd wordt voortgezet.
2.4.
Met een brief van 27 januari 2023 heeft het college eiseres in verband met een onderzoek naar de rechtmatigheid van haar bijstand uitgenodigd voor een gesprek op 2 februari 2023 en eiseres verzocht alle bankafschriften van haar en de zoon mee te nemen. In de brief is verder vermeld dat de bijstand van eiseres voorlopig wordt stopgezet als zij niet komt, de reden daarvan niet van tevoren doorgeeft en niet alle gevraagde gegevens bij zich heeft.
2.5.
Met een brief van 2 februari 2023 heeft het college eiseres meegedeeld dat eiseres zonder tegenbericht geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek om op de afspraak te komen en de ontbrekende gegevens in te leveren. Het college heeft daarbij vermeld dat eiseres niet de informatie heeft verstrekt die noodzakelijk is voor de voortzetting van de bijstand. Het college heeft eiseres uitgenodigd voor een gesprek op 9 februari 2023 en eiseres opnieuw verzocht alle bankafschriften van haar en de zoon over de afgelopen drie maanden mee te nemen naar het gesprek.
2.6.
Eiseres heeft op 9 februari 2023 een gesprek gevoerd met medewerkers van de gemeente Uithoorn. Daarbij is eiseres meegedeeld dat de zoon maandelijks € 100,- van haar ex-man op zijn bankrekening gestort krijgt.
2.7.
Met een brief van 15 februari 2023 heeft het college eiseres meegedeeld dat tijdens het gesprek op 9 februari 2023 aan de orde is gekomen dat de zoon geld ontvangt op zijn bankrekening en dat de ontvangen gelden middelen zijn waarover eiseres redelijkerwijs kan beschikken. Het college heeft eiseres in die brief verzocht om binnen veertien dagen na dagtekening van deze brief de kopie van de afschriften in te leveren van alle bankrekeningen die op naam staan van de zoon over de periode van 6 juli 2015 tot en met 31 januari 2023. In de brief is ook vermeld dat de bankafschriften noodzakelijk zijn voor het beoordelen van het recht op bijstand. Eiseres heeft de gevraagde gegevens niet overgelegd.
2.8.
Het college heeft vervolgens ook in juni 2023 een heronderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de bijstand van eiseres. Het college heeft eiseres per brief van 15 juni 2023 verzocht om uiterlijk 29 juni 2023 afschriften van alle bank- en/of spaarrekeningen (ook van eventuele kinderen onder de 18 jaar) van de afgelopen drie maanden in te leveren. Omdat eiseres die gegevens niet inleverde, heeft het college met een besluit van 3 juli 2023 het recht op bijstand van eiseres opgeschort per 29 juni 2023. Het college heeft eiseres daarbij in de gelegenheid gesteld de bankafschriften van de zoon uiterlijk op 17 juli 2023 alsnog in te leveren. Eiseres heeft die gegevens niet ingeleverd.
2.9.
Met afzonderlijke besluiten van 27 juli 2023 heeft het college de bijstand van eiseres ingetrokken vanaf 29 juni 2023 en de over 29 en 30 juni 2023 gemaakte kosten van bijstand van € 62,37 van eiseres teruggevorderd. Eiseres heeft tegen die besluiten bezwaar gemaakt. Met een besluit van 26 september 2023 heeft het college de besluiten van 27 juli 2023 vervangen en eiseres meegedeeld dat eiseres nog steeds recht op bijstand heeft, dat tot 1 oktober 2023 bijstand aan eiseres wordt nabetaald en dat een door de zoon op 31 mei 2023 ontvangen schenking van € 400,- met de bijstand van eiseres wordt verrekend. Het college vat het bezwaar mede op als een bezwaar tegen het besluit van 26 september 2023.
2.10.
Met een brief van 4 oktober 2023 heeft het college eiseres uitgenodigd voor een gesprek op 31 oktober 2023 en haar verzocht afschriften van alle bank- en/of spaarrekeningen (ook van eventuele kinderen onder de 18 jaar) van de afgelopen drie maanden in te leveren. Omdat eiseres die gegevens niet heeft ingeleverd, heeft het college de Rabobank gevorderd die gegevens te verstrekken. De Rabobank heeft vervolgens aan het college de afschriften van de betaal- en spaarrekening van de zoon over de periode van 1 juni 2023 tot 1 oktober 2023 verstrekt.
2.11.
Met een besluit van 29 november 2023 (primair besluit 1) heeft het college de bijschrijvingen op bankrekeningen van de zoon van € 2.718,- in juni 2023, € 500,- in juli 2023, € 326,98 in augustus 2023 en € 25,- in september 2023 (in totaal € 3.569,98) met toepassing van artikel 58, vierde lid, van de PW verrekend met de bijstand van eiseres in november 2023 en december 2023.
2.12.
Eiseres heeft tegen primair besluit 1 bezwaar gemaakt.
2.13.
Het college heeft in januari 2024 opnieuw onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de bijstand van eiseres. Het college heeft in dat kader de Rabobank gevorderd de afschriften van de betaal- en spaarrekening van de zoon over de periode van 1 oktober 2023 tot en met 31 december 2023 te verstrekken. De Rabobank heeft die gegevens verstrekt.
2.14.
Met een besluit van 11 januari 2024 (primair besluit 2) heeft het college de bijschrijvingen op de betaalrekening van de zoon van € 228,- in oktober 2023, € 300,- in november 2023 en € 220,- in december 2023 (in totaal € 748,-) met toepassing van artikel 58, vierde lid, van de PW verrekend met de bijstand van eiseres in januari 2024.
2.15.
Eiseres heeft ook tegen primair besluit 2 bezwaar gemaakt.
2.16.
Met een besluit van 14 februari 2024 heeft het college het bezwaar tegen het in 2.9 genoemde besluit van 26 september 2023 gegrond verklaard en dat besluit herroepen voor zover daarin de door de zoon op 31 mei 2023 ontvangen schenking van € 400,- met de bijstand van eiseres is verrekend. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de commissie bezwaarschriften in haar advies van 10 januari 2023 (lees: 2024) heeft geadviseerd om in dit specifieke geval de ontvangen middelen niet in te houden op de bijstand van eiseres, omdat het eiseres niet duidelijk was dat die van invloed konden zijn op haar bijstand.
2.17.
Met een besluit van 28 mei 2024 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen primair besluit 1 ongegrond verklaard.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of het college mocht overgaan tot verrekening van de bijschrijvingen op de bankrekeningen van de zoon met de bijstand van eiseres. Dat doet zij aan de hand van wat eiseres in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank oordeelt dat dit zo is en dat de beroepen niet slagen. Zij licht dat hieronder toe.
4.1.
De te beoordelen perioden zijn de maanden waarover het college de bijstand heeft verrekend. Dit zijn de maanden juni 2023 tot en met december 2023 (te beoordelen perioden).
Kon eiseres over de tegoeden op de bankrekeningen van de zoon beschikken?
4.2.
Niet in geschil is dat de betaal- en spaarrekening op naam van de zoon staan en dat op die rekeningen in de te beoordelen perioden de in 2.11 en 2.14 genoemde bedragen zijn bijgeschreven. Ook is niet in geschil dat eiseres in deze perioden met de zoon een gezin vormde als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, ten derde, van de PW. Tot de middelen van een bijstandsgerechtigde worden op grond van artikel 31, eerste lid, van de PW alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
4.3.1.
Eiseres heeft aangevoerd dat zij niet kan beschikken over de op de bankrekeningen van de zoon ontvangen bedragen. Haar ex-partner beheert de bankrekeningen van de zoon en heeft er wel toegang toe. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.
4.3.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) rechtvaardigt het gegeven dat een bankrekening op naam staat van een inwonend, en dus in de bijstand begrepen, minderjarig kind van de betrokkene de vooronderstelling dat de betrokkene redelijkerwijs over het tegoed op die rekening kan beschikken. Het is aan betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken.
4.3.3.
Eiseres is daarin niet geslaagd. Niet in geschil is dat eiseres in de te beoordelen perioden het ouderlijk gezag over de zoon had. Dit betekent dat zij het bewind voert over het vermogen van de zoon en dat zij hierover het vruchtgenot heeft. Eiseres kon daarom in de te beoordelen perioden over de tegoeden op de bankrekeningen van de zoon beschikken. Van enige beperking in haar beschikkingsmacht is niet gebleken. Integendeel, uit een door eiseres in beroep overgelegde verklaring van de Rabobank van 9 oktober 2024 volgt dat de zoon toegang heeft tot en kan beschikken over de betaalrekening. Daaruit volgt ook dat eiseres over de tegoeden op die bankrekening kan beschikken. Dat eiseres mogelijk niet op de hoogte was van alle op de bankrekeningen van de zoon bijgeschreven bedragen en feitelijk geen gebruik heeft gemaakt van de tegoeden op die bankrekeningen, laat onverlet dat zij de mogelijkheid had deze tegoeden aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Dat in de verklaring van de Rabobank ook is vermeld dat inzage door de zoon in zijn spaarrekening niet mogelijk is, maakt dat niet anders. Daaruit volgt niet dat eiseres niet over de tegoeden op die spaarrekening kon beschikken.
Moet € 28,- worden vrijgelaten als gift?
4.4.1.
Eiseres heeft daarnaast aangevoerd dat het college de bijschrijving op de betaalrekening van de zoon van € 28,- op 10 oktober 2023 met de omschrijving ‘eten school’ ten onrechte niet als gift heeft aangemerkt. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende belangrijk.
4.4.2.
In de Memorie van Toelichting bij artikel 31 van de Wet werk en bijstand, de voorloper van de PW, is over giften het volgende opgemerkt: “Giften worden (…) niet tot de middelen gerekend voor zover dat, gezien de bestemming en de hoogte van de gift, uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is (onderdeel m). […] Wat betreft de bestemming is met name van belang of de gift betrekking heeft op kosten die in de algemene bijstand zijn begrepen. Als dit het geval is, of als de gift ter vrije besteding is, kan dit aanleiding zijn om de gift volledig in aanmerking te nemen.”
4.4.3.
Het college heeft in het verweerschrift, onder verwijzing naar een werkinstructie van de gemeente, toegelicht dat een gift kan worden vrijgelaten als deze een specifieke bestemming heeft en vastgesteld kan worden dat de gift ook voor deze bestemming is gebruikt. Het college heeft op de zitting toegelicht dat de in 4.4.1 genoemde bijschrijving niet als gift is vrijgelaten, omdat die, gelet op de omschrijving op de bankafschriften, bestemd is voor de bekostiging van algemene kosten van bestaan. Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college dit standpunt innemen, omdat de zoon het bedrag van € 28,- vrijelijk kon aanwenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
Bijschrijvingen op de bankrekeningen van de zoon zijn middelen
4.5.
Uit 4.3.1 tot en met 4.4.3 volgt dat het college de bijschrijvingen op de bankrekeningen van de zoon in de te beoordelen perioden terecht heeft aangemerkt als middelen van het gezin als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de PW.
Bevoegdheid tot verrekening van de middelen
4.6.
Uit 4.5 volgt dat het college bevoegd is om de op de bankrekeningen van de zoon ontvangen middelen met toepassing van artikel 58, vierde lid, van de PW te verrekenen met de bijstand van eiseres van november 2023 tot en met januari 2024.
Mocht het college gebruik maken van zijn bevoegdheid tot verrekening?
4.7.
Ter beantwoording staat vervolgens de vraag of het college redelijkerwijs van die bevoegdheid gebruik mocht maken.
4.8.1.
Eiseres heeft aangevoerd dat eiseres niet kon weten dat bedragen op de bankrekeningen van de zoon werden bijgeschreven. De bankafschriften gingen naar de vader en niet naar de zoon. De zoon wist daarom niet wat op de bankrekeningen stond en eiseres dus ook niet.
4.8.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit 2.3 volgt dat eiseres er in ieder geval in februari 2022 van op de hoogte was dat de zoon een betaal- en spaarrekening had en dat de vader in oktober en november 2021 bedragen naar de betaalrekening overschreef. Ook had eiseres uit de in 2.4 tot en met 2.7 genoemde mededelingen van het college redelijkerwijs kunnen en moeten afleiden dat op de betaalrekening bedragen werden bijgeschreven. Met die wetenschap had eiseres zich ervan moeten vergewissen of in de te beoordelen perioden ook bedragen op de bankrekeningen van de zoon werden bijgeschreven. Dat eiseres dit niet heeft gedaan, komt voor haar rekening en risico. Immers, zij voert het bewind over het vermogen van de zoon en behoort daarom te weten welke bedragen er op de bankrekeningen van de zoon binnenkomen. Als zij niet zelf over de bankafschriften van haar zoon beschikte, had zij maatregelen kunnen, en ook moeten nemen, om die bankafschriften boven water te krijgen, bijvoorbeeld door navraag daarnaar te doen bij de vader of door als wettelijke vertegenwoordiger van haar zoon die informatie bij de bank op te vragen.
4.9.1.
Eiseres heeft ook aangevoerd dat de bijschrijvingen op de bankrekeningen van de zoon niet met de door haar in de te beoordelen perioden ontvangen bijstand mochten worden verrekenend, omdat het eiseres pas met het in 2.16 genoemde besluit van 14 februari 2024 duidelijk kon zijn dat die bijschrijvingen van invloed konden zijn op het recht op bijstand. Het college heeft met dat besluit besloten de bijschrijving van € 400,- op 31 mei 2023 op de bankrekening van de zoon niet met de bijstand te verrekenen.
4.9.2.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
4.12.
De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat de bestreden besluiten in stand blijven.
4.13.
Eiseres krijgt het door haar betaalde griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos-Benvindo, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.S. Zwerwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 8 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3295.
Zie de uitspraak van de Raad van 16 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:133.
Zie de uitspraak van de Raad van 3 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2803.
Zie de uitspraak van de Raad van 8 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3295.
Zie de uitspraak van de Raad van 8 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3295.
Zie de uitspraak van de Raad van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559.