Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-27
ECLI:NL:RBAMS:2025:1444
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Mondelinge uitspraak
1,515 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/779
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 februari 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker] , uit Amsterdam, verzoeker
(gemachtigde: mr. R.E. Zalm),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde 1] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Odin Winkels B.V., uit Geldermalsen (Acture)
(gemachtigde: [gemachtigde 2] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van verweerder van 19 december 2024 (het primaire besluit). Met het primaire besluit is besloten om verzoekers uitkering te schorsen per 10 december 2024.
1.1.
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij verweerder en gelijktijdig de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen. Acture is niet verschenen.
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, omdat de voorzieningenrechter een spoedeisend belang aanwezig acht en het bezwaar naar voorlopig oordeel een grote kans van slagen heeft. Bovendien heeft eiser een zwaarwegend belang om in de noodzakelijke kosten van zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de financiële situatie van verzoeker zodanig is als gevolg van het primaire besluit, dat er sprake is van spoedeisend belang. Ongeveer € 1.100,- aan maandelijkse inkomsten is weggevallen en deze situatie duurt inmiddels ongeveer drie maanden. Verzoeker resteert aan inkomsten circa € 700,- per maand. Hij heeft gesteld, en dit is verder niet betwist, niet over vermogen te beschikken. Verzoeker heeft een huurwoning die hij elke maand moet betalen met bijbehorende vaste lasten en kosten in zijn levensonderhoud.
5. Met de geschetste financiële situatie is tevens gegeven dat sprake is van een zwaarwegend belang aan de zijde van verzoeker bij toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er verder een grote kans van slagen van het bezwaar. Hierover overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder de uitkering van verzoeker heeft geschorst, omdat verzoeker niet zou zijn verschenen op een afspraak. Verzoeker stelt echter dat hij op het afgesproken tijdstip van de afspraak in de digitale wachtkamer aanwezig was, maar daar niet is opgehaald. Ter onderbouwing heeft hij screenshots overgelegd van 10 december 2024, 12.51 uur, 13.00 uur en 14.00 uur. Verweerder noch Acture hebben deze gang van zaken betwist. Verweerder heeft in deze zaak ook geen verweer gevoerd, maar heeft enkel laten weten dat Acture met een mail van 24 februari 2025 van verweerder is verzocht om de betaling van de Ziektewetuitkering voort te zetten en verzoeker opnieuw uit te nodigen voor een spreekuur. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat verweerder voornemens is het bezwaar gegrond te verklaren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter geven deze feiten voldoende aanleiding om de voorlopige voorziening toe te wijzen. Doordat de andere partijen niet op zitting zijn verschenen om het een en ander toe te lichten kan de voorzieningenrechter ook geen andere feiten vaststellen.
Conclusie
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en zal de voorlopige voorziening treffen dat het primaire besluit wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
6.1.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden en dat verzoeker ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.
6.2.
Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Dictum
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
schorst de werking van het besluit van 19 december 2024 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan verzoeker moet vergoeden;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2025
door mr. T.L. Fernig - Rocour, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. J.Y. Exterkate, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.