Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-07
ECLI:NL:RBAMS:2025:1405
Civiel recht
Tussenuitspraak
2,386 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10804516 \ CV EXPL 23-14773
Vonnis van 7 februari 2025
in de zaak van
COEO SECURITISATION LIMITED,
gevestigd te Dublin (Ierland),
eisende partij,
gemachtigde: M.J.F. Bakkers,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [plaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Beoordeling
2.1.
Vanwege de buitenlandse vestigingsplaats van eisende partij moet ambtshalve de bevoegdheid van de Nederlandse rechter worden getoetst. Geoordeeld wordt dat de kantonrechter op grond van artikel 4 lid 1 van de in deze toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012 bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. Op grond van Verordening 593/2008 (Rome I) is Nederlands recht van toepassing.
2.2.
De overeenkomst die in deze procedure centraal staat is gesloten tussen een handelaar en een consument. In dat geval moet ambtshalve toetsing aan het consumentenrecht plaatsvinden. Onder meer moet worden onderzocht of eisende partij de op haar rustende informatieplichten heeft nageleefd. Ook moet worden getoetst aan Richtlijn 93/13/EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn). Tot slot moet in dit geval ook worden getoetst of sprake is van een krediet waarop de bepalingen van Titel 2A van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing zijn.
2.3.
Eisende partij stelt dat gedaagde partij diverse bestellingen heeft gedaan bij H&M. H&M biedt de mogelijkheid aan om achteraf te betalen (buy now pay later). Direct na de aankoop heeft H&M haar vordering op gedaagde partij gecedeerd aan Klarna Bank AB te Stockholm, Zweden (hierna: Klarna). Vervolgens is de vordering gecedeerd aan eisende partij.
Informatieplichten
2.4.
Gelet op de gestelde wijze van totstandkoming van de overeenkomst, is sprake van een overeenkomst op afstand. In dat geval moet H&M hebben voldaan aan de (essentiële) informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 BW en 6:230v BW.
2.5.
Eisende partij stelt dat H&M aan de informatieplichten heeft voldaan en verwijst ter onderbouwing van die stelling naar schermafdrukken van het online bestelproces. Gedaagde partij is naar het oordeel van de kantonrechter tijdens het bestelproces niet op duidelijke en begrijpelijke wijze geïnformeerd over het ontbindingsrecht (artikel 6:230m lid 1 sub h BW). Weliswaar is informatie over het ontbindingsrecht op de website van H&M te vinden, maar hiervoor moet in een digitaal winkelmandje worden geklikt op een hyperlink met zeer kleine tekst “Retourneren en terugbetalen”. Vervolgens opent een schermpje, waar ergens onderaan het woord “herroepingsrecht” staat met een plusje erachter. Pas met het klikken op dat plusje wordt informatie over het ontbindingsrecht verstrekt. Gedaagde partij krijgt tijdens het bestellen dus geen informatie over het ontbindingsrecht te zien, maar pas na een zoektocht en na meerdere klikken. Daarmee is gedaagde partij naar het oordeel van de kantonrechter niet op duidelijke en begrijpelijke wijze op de informatie gewezen.
2.6.
Uit het Arvato-arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:1677) volgt dat bij een voldoende ernstige schending van essentiële informatieplichten een sanctie moet worden opgelegd. Informatie over het ontbindingsrecht is aangemerkt als essentiële informatie. De kantonrechter zal voor het bepalen van de sanctie aansluiten bij de landelijke sanctierichtlijn die naar aanleiding van dit Hoge Raad arrest tot stand is gekomen. Hieruit volgt dat een korting op de hoofdsom zal worden toegepast van 25%.
2.7.
Uit het bestelproces volgt verder dat de bestelling wordt afgerond door te klikken op de knop “Aankoop voltooien”. Dat voldoet niet aan het bepaalde in artikel 6:230v lid 3 BW, waaruit kort gezegd volgt dat op de bestelknop moet staan dat het om een bestelling met betalingsverplichting gaat. Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat uitsluitend rekening mag worden gehouden met de woorden die op de bestelknop staan (ECLI:EU:C:2022:269).
2.8.
De Hoge Raad heeft op 4 oktober 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1366) geoordeeld dat in verstekzaken bij schending van artikel 6:230v lid 3 BW de overeenkomst gedeeltelijk moet worden vernietigd, in die zin dat de vernietiging de rechten van de consument niet aantast en de verplichtingen van de consument vooralsnog in stand laat voor een zodanig gedeelte als nodig is om te voorkomen dat de sanctie voor de handelaar onevenredig zou zijn. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een korting op de betalingsverplichting van de consument van één derde is in beginsel redelijk is te achten. De kantonrechter zal dan ook in verband met de hiervoor genoemde schending, naast voornoemde korting van 25% in verband met het ontbindingsrecht, een korting van één derde (33,3%) toepassen, zoals hierna vermeld.
2.9.
In totaal zal de hoofdsom derhalve worden gekort met 58,3%.
Toetsing van bedingen
2.10.
Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van H&M van toepassing verklaard. Vanwege de door gedaagde partij gekozen betalingswijze, waardoor de vordering van H&M op gedaagde partij direct wordt gecedeerd aan Klarna, zijn ook de voorwaarden van Klarna van toepassing.
2.11.
In de algemene voorwaarden van H&M staan geen bedingen die aan de onderhavige vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd die als oneerlijk zijn aan te merken.
2.12.
In de voorwaarden van Klarna staat een beding op grond waarvan Klarna gerechtigd is om aanmaningskosten in rekening te brengen. Het beding luidt als volgt:
Wij rekenen € 0 voor het gebruik van Betaal later.
Als je nog niet aan Klarna hebt betaald op de uiterste betaaldatum genoemd in de betaalinstructies, wordt er per e-mail kosteloos een eerste herinnering gestuurd met een nieuwe betalingstermijn van 14 dagen. Bij die tweede herinnering zal Klarna € 13,50 aanmaningskosten in rekening brengen. Bij aankopen onder € 20,- wordt € 7,50 aanmaningskosten in rekening gebracht.
Blijft betaling dan uit dan kunnen deze kosten voor bedragen tot € 2.500,- oplopen tot 15% van het factuurbedrag, met een minimum van € 40,-.
2.13.
Deze kosten, hoewel anders benoemd, zijn aan te merken als buitengerechtelijke incassokosten. Het beding wijkt echter af van de regeling uit het BW (artikel 6:96 BW). Niet is immers vereist dat de vruchteloze aanmaning moet voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW, zoals nader gepreciseerd door de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2016:2704). Bovendien wijken de kosten ten nadele van de consument af van de wettelijke tarieven, met name bij hogere bedragen (vanaf € 2.500,-) nu die niet zijn gemaximeerd. Als ten nadele van de consument wordt afgeweken van dwingend recht, is sprake van oneerlijkheid (ECLI:NL:HR:2023:198). De kantonrechter is daarom voornemens het beding te vernietigen.
2.14.
Voordat tot vernietiging wordt overgegaan, mag eisende partij zich over dit voornemen uitlaten.
Kredietovereenkomst
2.15.
Gedaagde partij heeft gekozen voor uitgestelde betaling via Klarna. Uitgestelde betaling is een vorm van kredietverstrekking. Vraag is of deze vorm van kredietverstrekking valt onder de uitzondering genoemd in artikel 7:58 lid 2 onder e BW (kredietovereenkomsten zonder rente en andere kosten en kredietovereenkomsten waarbij het krediet binnen een termijn van drie maanden moet worden terugbetaald en slechts onbetekenende kosten worden aangerekend). Aan de Hoge Raad zijn hierover prejudiciële vragen gesteld, die door de Hoge Raad gedeeltelijk zijn beantwoord (ECLI:NL:HR:2023:1006). Voor het begrip ‘kosten’ moet worden aangesloten bij het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ als bedoeld in artikel 7:57 lid 1 onder g BW. Vraag is of ook de bedongen aanmaningskosten (buitengerechtelijke incassokosten) onder de totale kosten van het krediet vallen. De vragen hierover heeft de Hoge Raad niet zelf beantwoord, maar gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Dictum
De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van vrijdag 7 maart 2025 om 10.00 uur voor akte uitlating eisende partij over het bepaalde in overwegingen 2.14, 2.16 en 2.17,
3.2.
bepaalt dat eisende partij de akte aan gedaagde partij moet toesturen, overeenkomstig het bepaalde in overweging 2.19,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2025.
991