Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-25
ECLI:NL:RBAMS:2025:1392
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,834 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/4685
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Kasoa (Ghana), eiser
(gemachtigde: mr. M.H.J. van Geffen),
en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), verweerder
(gemachtigde: mr. T.C.A. Hofman en mr. F. Hummel).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het afwijzen van het verzoek om de prestatiebeurs om te zetten in een gift op grond van een buitenlands diploma.
1.1.
DUO heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiser samen met zijn gemachtigde deelgenomen. DUO heeft zich laten vertegenwoordigen door bovengenoemde gemachtigden.
Wat aan deze procedure voorafging
2. Eiser heeft van 2008 tot 2011 een prestatiebeurs ontvangen. In 2011 heeft hij het afsluitend diploma behaald aan de London Metropolitan University in het Verenigd Koninkrijk.
3. Bij het primaire besluit van 12 maart 2024 heeft DUO eisers verzoek om omzetting van de prestatiebeurs in een gift afgewezen, omdat eiser zijn diploma te laat aan DUO heeft toegezonden. Met het bestreden besluit van 1 juli 2024 is DUO bij deze afwijzing gebleven.
Standpunt eiser
4. Eiser beroept zich op de hardheidsclausule van artikel 11.5 van de Wet op de studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Hij voert aan dat hij heeft voldaan aan het vereiste voor omzetting in een gift, namelijk het behalen van een diploma. Eiser heeft de omzetting telefonisch aangevraagd op 16 november 2020. In de Wsf 2000 is geen sanctie gesteld op het niet tijdig verstrekken van het diploma. De reden dat hij het diploma niet eerder aan DUO heeft verstrekt, is dat hij in de veronderstelling verkeerde dat binnen de EU, waartoe het Verenigd Koninkrijk toen nog behoorde, gegevens automatisch werden uitgewisseld en dat zijn diploma na zijn afstuderen in 2011 automatisch aan DUO was gestuurd. De gevolgen voor het niet omzetten van de prestatiebeurs in een gift zijn groot; eiser moet de prestatiebeurs terugbetalen wat lange tijd zal drukken op zijn financiële mogelijkheden. De terugbetalingsregels van de Wsf 2000, waarbij rekening kan worden gehouden met draagkracht, gelden niet voor de sinds januari 2014 vervallen termijn. Deze achterstand (inclusief rente en kosten) is direct opeisbaar. Deze gevolgen zijn volgens eiser onevenredig in verhouding tot het belang van DUO bij handhaving van de weigering om de prestatiebeurs om te zetten in een beurs.
Beoordeling
5. De rechtbank beoordeelt of DUO het verzoek om omzetting van de prestatiebeurs in een gift op grond van een buitenlands diploma terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
6. De rechtbank is van oordeel het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wettelijk kader
7. In artikel 5.9, tweede lid, van de Wsf 2000 is het volgende bepaald:
“Een ho-student die het examen, bedoeld in artikel 5.7, met goed gevolg heeft afgelegd aan een instelling waarop artikel 7.9d van de WHW niet van toepassing is, zendt uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de diplomatermijn hoger onderwijs, een door de betrokken instelling van hoger onderwijs gewaarmerkte kopie van het aan dat examen verbonden diploma aan Onze Minister en dient daarbij een aanvraag in tot omzetting van de prestatiebeurs hoger onderwijs. Op die kopie vermeldt de instelling de datum waarop het examen met goed gevolg is afgesloten. De omzetting vindt plaats uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag.”.
De diplomatermijn van eiser is op 31 juli 2018 afgelopen.
8. In afwijking van de hiervoor weergegeven bepaling hanteert DUO een vaste gedragslijn ten gunste van afgestudeerde studenten, namelijk dat omzetting ook plaatsvindt bij het toezenden van een gewaarmerkte kopie van het diploma dat is behaald in het buitenland binnen een termijn van vijf jaar na het verstrijken van de diplomatermijn. Eiser had gelet op die termijn zijn verzoek tot omzetting uiterlijk op 31 juli 2023 moeten indienen. Niet in geschil is dat eiser zijn diploma niet binnen deze termijn heeft toegezonden. De toegekende prestatiebeurs is dan ook gelet op de geldende regels terecht niet omgezet in een gift.
Hardheidsclausule
9. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of DUO toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule. Op grond van artikel 11.5, eerste lid, van de Wsf 2000 kan DUO in bepaalde gevallen de wet buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
10. De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval er sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard en dat DUO de hardheidsclausule had moeten toepassen. Zij zal dit hieronder toelichten.
11. Eiser heeft in 2011 zijn diploma behaald waarmee hij heeft voldaan aan het vereiste voor omzetting uit artikel 5.7, tweede lid, van de Wsf 2000. Op 16 november 2020 heeft eiser telefonisch contact gezocht met DUO, om aan te geven dat hij een buitenlands diploma heeft gehaald. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank worden gezien als aanvraag tot omzetting. Dit verzoek is gedaan binnen vijf jaar na afloop van de diplomatermijn. Vervolgens moest hij nog een gewaarmerkte kopie van zijn diploma aanleveren. Kijkend naar artikel 5.9, tweede lid, van de Wsf 2000, is dit een aanvullende voorwaarde voor omzetting in een gift, geen hoofdvoorwaarde.
12. Naar aanleiding van het telefonisch contact heeft DUO op 16 november 2020 een gepersonaliseerde e-mail naar eiser gestuurd, waarin staat dat een nog niet omgezette prestatiebeurs enkel kan worden omgezet naar een gift, wanneer er een gewaarmerkte kopie van het behaalde diploma is ontvangen. Nergens in deze e-mail wordt benoemd dat hiervoor een termijn geldt, dan wel wanneer deze termijn af zou lopen. Zodoende wist eiser wel dat hij een gewaarmerkt afschrift moest verstrekken, maar was hij zich er niet van bewust dat er een termijn (af)liep. Hij heeft vervolgens wel direct geprobeerd het afschrift te verkrijgen, getuige de e-mail van eiser aan de universiteit van 27 november 2020. De universiteit reageerde echter dat medewerkers op dat moment thuis werkten door COVID-19 en niet in staat waren gewaarmerkte afschriften te verstrekken. Eiser stelt dat hij het afschrift met vertraging wel heeft ontvangen, maar nog enige tijd niet durfde te reizen vanwege een chronische aandoening. Eiser heeft ter zitting aangegeven dat hij het afschrift per se persoonlijk wilde afgeven, om zeker te zijn dat het goed zou aankomen. Nadat dit in de zomer van 2023 niet in ontvangst kon worden genomen, omdat hij geen afspraak had, is dit wel gelukt op 16 februari 2024. Het betreft hier een overschrijding van 6 maanden, terwijl het diploma is behaald, de aanvraag tijdig is gedaan, hij niet is gewezen op een naderende afloop van een termijn en de omstandigheden door de pandemie uitzonderlijk te noemen zijn.
13. Gelet op het doel van artikel 5.5 van de Wsf 2000, namelijk het omzetten van een prestatiebeurs in een gift als iemand een diploma heeft behaald, is het bestreden besluit om dat te weigeren naar het oordeel van de rechtbank een onbillijkheid van overwegende aard.
Conclusie
14. Het beroep is gegrond. Eiser krijgt gelijk. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien.
15. De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepalen dat DUO een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft DUO hiervoor een termijn van zes weken. Deze termijn gaat lopen nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.
16. Omdat het beroep gegrond is, moet DUO het griffierecht van eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
17. Niet gebleken is dat er andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gemaakt. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, wijst de rechtbank af. Er is geen sprake van een overschrijding. De gevraagde wettelijke rente over de proceskostenvergoeding wordt toegewezen vanaf vier weken na de dagtekening van deze uitspraak.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt DUO op om binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt DUO tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser;
veroordeelt DUO tot vergoeding van de wettelijke rente over de proceskosten vanaf vier weken na de dagtekening van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
draagt DUO op het griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F. Zaagsma, rechter, in aanwezigheid van
mr. F. van der Maas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 5.5 van de Wsf 2000.