Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-06
ECLI:NL:RBAMS:2025:1386
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,192 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/5020
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. J.C. Walker),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat verweerder haar per 17 januari 2022 minder dan 35% arbeidsongeschikt acht.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 12 juli 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 augustus 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder heeft het arbeidsongeschiktheidspercentage daarbij aangepast van 0% naar 18,97%.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2025. Eiseres was aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. De gemachtigde van verweerder heeft zich vlak voor de zitting afgemeld.
Totstandkoming van de besluiten
1.1.
Eiseres is tot 18 juni 2019 voor gemiddeld 31,95 uur per week werkzaam geweest als inkomensconsulent. Op 20 januari 2020 heeft zij zich vanuit de Werkloosheidswet (WW) ziek gemeld wegens lichamelijke en psychische klachten. Aan eiseres is toen een Ziektewetuitkering toegekend. Op 29 december 2021 heeft eiseres een WIA-uitkering aangevraagd.
1.2.
Verweerder heeft na medisch en arbeidskundig onderzoek de besluiten genomen die in de inleiding zijn genoemd. Volgens verweerder kan eiseres, met haar beperkingen zoals deze door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 29 juli 2024, de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde voorbeeldfuncties uitvoeren. Het loon dat eiseres met die functies kan verdienen is minder dan haar laatstverdiende loon. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat het verlies aan verdiencapaciteit van eiseres 18,97% is. Aangezien eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is op 17 januari 2022 heeft eiseres geen recht op een WIA-uitkering.
Beoordeling
2.1.
De rechtbank beoordeelt of verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres per 17 januari 2022 niet te laag heeft vastgesteld. Daartoe moet de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetsen of verweerder de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiseres, rekening houdend met deze beperkingen, in staat is de geselecteerde functies te verrichten.
2.2.
De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt geldt dat verweerder in beginsel mag
afgaan op de juistheid van de bevindingen van een verzekeringsarts. Dat kan anders zijn in het geval de betrokkene aannemelijk maakt dat dit rapport niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, inconsequenties bevat of onvoldoende is gemotiveerd.
2.3
De rechtbank is van oordeel dat verweerder het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid en hierdoor niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De beroepsgronden van eiseres slagen dus. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onzorgvuldig onderzoek naar de psychische klachten op de datum in geding
3.1.
De rechtbank stelt vast dat uit de dossierstukken duidelijk blijkt dat eiseres al geruime tijd zowel lichamelijke als psychische klachten ervaart. Eiseres heeft lange tijd met deze (psychische) klachten doorgewerkt. Op advies van een WW-beambte heeft zij zichzelf uiteindelijk ziekgemeld, omdat zij het moeilijk vindt om zelf in te zien dat zij ziek is. Aan eiseres is – na beoordeling van een arts van verweerder – een Ziektewetuitkering toegekend. Daarbij is ook onderkend dat eiseres zowel lichamelijke als psychische klachten heeft. De gehele Ziektewetperiode is eiseres niet meer gezien door een (verzekerings)arts van verweerder.
3.2.
Eiseres heeft op 29 december 2021 een WIA-uitkering aangevraagd. De primaire verzekeringsarts heeft eiseres op 14 juni 2023 gezien op een fysiek spreekuur. Dit spreekuur heeft dus anderhalf jaar na de datum in geding (17 januari 2022) plaatsgevonden. Op dit spreekuur maakte eiseres een vrolijke, opgewekte en joviale indruk volgens de verzekeringsarts. Eiseres heeft in bezwaar aangevoerd dat de situatie op 17 januari 2022 echter heel anders was. In de periode van oktober 2021 tot en met februari 2022 bezocht zij namelijk twee keer per week een psycholoog. Op het spreekuur bij de verzekeringsarts is zij niet gevraagd hoe haar psychische toestand op 17 januari 2022 was. Volgens eiseres heeft de verzekeringsarts haar arbeidsmogelijkheden op psychisch vlak daardoor overschat.
3.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eiseres gezien op 15 april 2024. Op dit spreekuur heeft eiseres onder meer aangegeven dat zij een emotieregulatiestoornis heeft. Op het ene moment is zij blij en het volgende moment down. Omdat de datum die beoordeeld moet worden in januari 2022 ligt, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep afgesproken dat informatie zal worden opgevraagd bij de psycholoog die haar al vanaf 2017 begeleidt.
3.4.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens informatie opgevraagd bij de huisarts van eiseres. Op 18 juli 2024 heeft de huisarts deze informatie toegestuurd. Dit was naar het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende, want er is geen informatie meer opgevraagd bij de psycholoog. Uit het huisartsenjournaal volgt echter geen gegevens over de psychische situatie van eiseres rond de datum in geding. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat de huisarts niet volledig is geïnformeerd over haar behandelingen bij de psycholoog rond de datum in geding. Zij was jarenlang in behandeling bij dezelfde praktijk en maakte afspraken zonder tussenkomst van de huisarts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had dan ook moeten nagaan of de informatie in het huisartsenjournaal volledig was, aangezien eiseres in bezwaar heeft aangevoerd dat zij in de periode van oktober 2021 tot en met februari 2022 twee keer per week een sessie had bij haar psycholoog. De gemachtigde van eiseres heeft op 19 juli 2024 de naam van een contactpersoon van deze praktijk aan verweerder toegestuurd. Volgens eiseres is deze persoon ook bekend met haar situatie rond de datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarentegen de psychische problematiek van eiseres beoordeeld aan de hand van het huisartsenjournaal en de eigen observaties. Dit heeft tot gevolg dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende objectieve medische gegevens had over de psychische situatie van eiseres ruim twee jaar eerder, rond de datum in geding. Naar het oordeel van de rechtbank is hierdoor het onderzoek onvolledig en onzorgvuldig.
3.5.
Verweerder zal het onderzoek op dit punt dus opnieuw moeten doen. Eiseres heeft op de zitting aangegeven dat zij inmiddels toegang heeft tot haar volledige dossier bij haar voormalig behandelend psycholoog. Zij heeft aangegeven niet alles hieruit te willen delen. De rechtbank heeft daar begrip voor, maar wijst eiseres er wel op dat verweerder haar arbeidsmogelijkheden alleen goed kan beoordelen als inzicht wordt gegeven in (voldoende) medische gegevens.
3.6.
Nu het beroep al slaagt vanwege deze beroepsgrond, ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder nog een nadere termijn te geven om te reageren op het aanvullend beroepschrift van 6 februari 2025. Eiseres heeft deze beroepsgrond namelijk al in het beroepschrift van 30 augustus 2024 aangevoerd. Verweerder heeft met het verweerschrift van 17 september 2024 verweer tegen deze beroepsgrond kunnen voeren. Verweerder is dan ook niet geschaad in zijn verdediging. Dit geldt ook voor de gronden van eiseres ten aanzien van het medicijngebruik.
Onzorgvuldig onderzoek naar de gebruikte medicatie
4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook onvoldoende onderzoek gedaan naar de medicatie van eiseres rond de datum in geding. De primaire verzekeringsarts heeft de medicatie bekeken die eiseres heeft meegenomen op het spreekuur van 14 juni 2023. In de bezwaarfase heeft eiseres echter aangegeven dat zij rond de datum in geding veel meer van deze pijnstiller gebruikte, namelijk 3 tot 6 kortwerkende en 4 langwerkende tabletten oxycodon per dag. Eveneens heeft zij aangegeven dat de invloed van het medicatiegebruik op haar arbeidsmogelijkheden is onderschat.
4.2.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep betrekt in zijn beoordeling de informatie van de gynaecoloog van 7 september 2020. Hieruit blijkt dat eiseres oxycontin, oxynorm, metamizol en mirtazapine gebruikte. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt uit het onderzoek van de primaire verzekeringsarts niet dat deze medicatie wezenlijk is veranderd. De rechtbank acht deze motivering onbegrijpelijk, nu uit het rapport van de primaire verzekeringsarts zoiets niet kan worden afgeleid. De rechtbank overweegt daartoe dat de informatie van de gynaecoloog anderhalf jaar voor de datum in geding was. De informatie van de primaire verzekeringsarts was ruim anderhalf jaar na de datum in geding. Eiseres stelt dat de primaire verzekeringsarts niet heeft gevraagd naar de dosering rond de datum in geding; uit het rapport blijkt ook niet dat dit is gebeurd. Nu eiseres de dosering en de gevolgen daarvan uitvoerig heeft betwist, ligt het op de weg van de verzekeringsarts bezwaar en beroep om nader onderzoek te doen of deze stelling juist is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is echter niet ingegaan op haar stelling en heeft ook geen nadere informatie opgevraagd. Verder is niet gemotiveerd of de hogere dosering zorgt voor een toename van de beperkingen.
Conclusie
6.1.
Het beroep is gegrond. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Verweerder zal eiseres opnieuw medisch moeten beoordelen. Na het medisch onderzoek moet verweerder, als dat nodig is, de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een nieuwe arbeidskundige beoordeling laten uitvoeren. Op grond van de verkregen onderzoeksgegevens moet verweerder vervolgens een nieuw besluit op het bezwaar nemen, dat betrekking heeft op de datum in geding. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken. Nu een nadere medische beoordeling moet plaatsvinden, ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen.
6.2.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder in de kosten van het beroep. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op een bedrag van € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 907,- per punt).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen zes weken na het gezag van gewijsde krijgen van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiseres te vergoeden;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F. Zaagsma, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier.
Dictum
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen.