Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-01-09
ECLI:NL:RBAMS:2025:138
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,894 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/4716
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. T.F.W. Kouwenhoven),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1. Bij besluit van 18 juli 2023 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiser tot toekenning van een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen.
1.1
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 18 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.2
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
2. Eiser heeft de Belgische nationaliteit en is onderdaan van de Europese Unie (gemeenschapsonderdaan). Eiser stelt dat hij al geruime tijd, sinds 1997, in Nederland verblijft. Op 27 maart 2024 heeft hij bij de IND een aanvraag ingediend voor duurzaam verblijf in Nederland.
2.1
Eiser heeft zich op 18 juli 2023 bij het college gemeld voor een bijstandsuitkering. Het college heeft in het primaire besluit besloten dat eiser geen recht heeft op bijstand omdat hij geen geldige verblijfstitel heeft om een beroep te mogen doen op sociale voorzieningen. Het college heeft daarbij in het bestreden besluit verwezen naar eisers verblijfscode 41 in de Basisregistratie Personen (Brp).
2.2
Eiser stelt dat zijn bijstandsaanvraag onterecht is afgewezen. Het college had niet enkel af mogen gaan op de verblijfscode in de Brp. Volgens eiser is er, gelet op zijn lopende aanvraag voor duurzaam verblijf, sprake van een rechtmatig verblijf op basis van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daardoor kan hij gelijkgesteld worden aan een Nederlander en heeft hij recht op bijstand. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
2.3
De rechtbank beoordeelt of het college terecht heeft besloten dat eiser geen recht heeft op bijstand. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wettelijk kader
3. Artikel 11, eerste lid, van de Pw bepaalt dat iedere Nederlander woonachtig in Nederland die niet over middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand. Het tweede lid bepaalt dat met de Nederlander gelijkgesteld wordt de vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Verblijfscodes Brp
4. Eiser staat in de Brp geregistreerd met verblijfscode 41. Deze code betekent dat het rechtmatig verblijf op basis van artikel 8 aanhef en onder e Vw 2000 is beëindigd. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij eerder rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad en toen ook bijstand heeft ontvangen. In 2020 heeft de IND echter besloten het rechtmatig verblijf van eiser te beëindigen. Dit besluit is in rechte vast komen te staan.
4.1
Volgens vaste rechtsprak mag het college in beginsel uitgaan van de juistheid van de verblijfsrechtelijke informatie zoals deze wordt verstrekt door de IND en in de Brp met codes wordt geregistreerd. Het is immers de primaire verantwoordelijkheid van de minister van Asiel en Migratie (voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid) om te beoordelen of vreemdelingen rechtmatig in Nederland verblijven. Dit is anders indien zich na dat besluit van de IND gewijzigde omstandigheden voordoen die (alsnog) kunnen leiden tot rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht. Het ligt dan op de weg van het college om daar onderzoek naar te doen en daarover met de IND in overleg te treden. Mocht blijken dat een code in de Brp niet overeenstemt met de werkelijke verblijfstitel van een belanghebbende, dan is de werkelijke verblijfstitel van doorslaggevende betekenis.
Gewijzigde omstandigheden
5. Nadat het besluit van de IND over de beëindiging van het rechtmatig verblijf van eiser onherroepelijk is geworden, heeft eiser een aanvraag ingediend voor duurzaam verblijf. Daarmee is er dus sprake van gewijzigde omstandigheden van na het besluit waaruit de verblijfscode in de Brp voortvloeide.
5.1
Het college heeft in het kader van deze procedure contact opgenomen met de IND. Ter zitting heeft het college toegelicht dat een medewerker van de IND telefonisch heeft aangegeven dat eiser verblijfscode 98 heeft. Die code betekent dat eiser nooit rechtmatig verblijf heeft gehad. In de Brp staat volgens het college nog steeds dat eiser verblijfscode 41 heeft, wat, zoals eerder in deze uitspraak is vermeld, betekent dat hij als gemeenschapsonderdaan rechtmatig verblijf heeft gehad dat vervolgens is beëindigd. Beide codes geven volgens het college geen recht op bijstand. Om die reden is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
5.2
De rechtbank is van oordeel dat het college de bijstandsaanvraag van eiser niet heeft kunnen afwijzen met een verwijzing naar de verblijfscode in de Brp. Gelet op de gewijzigde omstandigheden had het op de weg van het college gelegen om nader onderzoek te doen. Hoewel het college met de IND contact heeft opgenomen, heeft dit contact geen duidelijkheid gegeven over de verblijfsrechtelijke status van eiser. Daarnaast is niet gebleken dat het college heeft onderzocht of de aanvraag duurzaam verblijf van eiser zou kunnen leiden tot rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht. Het college heeft op dit punt in het bestreden besluit en ter zitting geen inhoudelijke reactie gegeven.
Aanvraag duurzaam verblijf
6. Eiser heeft bij de IND een aanvraag gedaan voor duurzaam verblijf op grond van artikel 16 van de Europese richtlijn 2004/38. Dit artikel bepaalt dat iedere burger van de Unie die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal op het grondgebied van een lidstaat heeft verbleven, aldaar een duurzaam verblijfsrecht heeft.
6.1
De richtlijn waar eiser een beroep op doet ziet op het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden en is een regeling krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Wanneer een aanvraag op basis van deze richtlijn wordt toegekend ontstaat er rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 sub e van de Vw 2000. Dit artikel bepaalt namelijk dat een gemeenschapsonderdaan rechtmatig verblijf heeft zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het VWEU.
6.2
Ten tijde van het bestreden besluit had de IND nog niet besloten op de aanvraag van eiser. Er was dus sprake van een nog lopende aanvraag en, voor zover de rechtbank bekend, is er ook tot op heden nog niet onherroepelijk besloten. De Afdeling heeft geoordeeld dat artikel 8, aanhef en onder e van de Vw 2000 zo kan worden uitgelegd dat deze bepaling niet alleen een grondslag vormt bij een voltooide aanvraag maar ook een grondslag is voor procedureel rechtmatig verblijf wanneer er sprake is van een in behandeling zijnde aanvraag om toetsing aan EU-recht. Dit betekent dat eiser vanaf het moment dat hij de aanvraag heeft ingediend voor duurzaam verblijf, en daarmee een aanvraag om toetsing aan EU-recht, procedureel rechtmatig verblijf heeft in Nederland in de zin van artikel 8 sub e van de Vw 2000. Hierdoor kan eiser gelijkgesteld worden met een Nederlander in de zin van de Pw en heeft eiser in die periode ook recht op bijstand.
Conclusie
7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Met het oog op een definitieve geschilbeslechting zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat eiser met ingang van 27 maart 2024 recht heeft op bijstand naar de voor hem toepasselijke bijstandsnorm.
7.1
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht ter hoogte van € 51,- aan eiser vergoeden. Ook wordt het college veroordeeld in de proceskosten van eiser in bezwaar en beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.998,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde per punt van € 624,- en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,-).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat het college aan eiser met ingang van 27 maart 2024 bijstand verleent naar de voor eiser toepasselijke norm;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- veroordeelt het college in de proceskosten tot een bedrag van € 2.998,-;
- bepaalt dat het college aan eiser het betaalde griffierecht ter hoogte van € 51,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van J.E.C. de Groot, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De uitspraak van 12 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2530.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4212.
Zie de uitspraak van 12 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2530.