Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-28
ECLI:NL:RBAMS:2025:1349
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste en enige aanleg
891 tokens
Dictum
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. L.Z. Achouak el Idrissi, bestuursrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.
Procesverloop
1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:
de aantekeningen van de zitting van de enkelvoudige kamer op 25 februari 2025 inhoudende het verzoek tot wraking;
de schriftelijke reactie van de rechter van 26 februari 2025.
1.2.
De rechter heeft niet in de wraking berust.
Feiten
2.1.
Bij de rechter is de zaak van verzoeker als eisende partij in behandeling met zaaknummer AMS 24-3805. De zitting vond plaats op 25 februari 2025. Verzoeker heeft die zitting bijgewoond via een digitale verbinding.
Verzoeker heeft onder meer aangevoerd:
“U weet niet hoe u leesbare stukken moet sturen naar een blinde. U weet niet hoe het zit met de privacy. U weet niet hoe het zit met de GDPR. U beweert dat artikel 8 wat u noemde belangrijker is dan de GDPR. U beweert dat u altijd alles doorstuurt aan verweerder. Dan zijn we er wel.”
De rechter heeft naar aanleiding van het wrakingsverzoek aangevoerd dat aan verzoeker is verduidelijkt hoe de rechtbank omgaat met het doorsturen van het procesdossier (inclusief medische informatie) naar verweerder en naar hem als eisende partij. Verzoeker is het daar niet mee eens. De wrakingsgronden tonen niet aan dat zij een handelwijze heeft gevolgd die (de schijn van) vooringenomenheid zou kunnen wekken.
Beoordeling
3.1.
Op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ingevolge artikel 8:16 Awb dient het verzoek te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden en moeten alle feiten en omstandigheden tegelijk worden voorgedragen. Hierom kan de Wrakingskamer geen acht slaan op de brief die verzoeker op 27 februari 2025 aan de Wrakingskamer heeft gemaild.
3.2.
Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat de rechter krachtens zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel.
3.3.
Aan het verzoek zijn geen feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven.
3.4.
Omdat verzoeker het middel tot wraking lichtvaardig, want zonder redelijke grond heeft ingezet, is sprake van misbruik van recht. Bepaald zal daarom worden dat verdere verzoeken tot wraking in de zaken niet in behandeling worden genomen.
4. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
Dictum
De Wrakingskamer:
- verklaart verzoeker niet ontvankelijk in het verzoek;
- bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking in de zaak met bovenstaand zaaknummer niet in behandeling zal worden genomen.
Aldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, N.C.H. Blankevoort en A.W.J. Ros, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 februari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.