Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-27
ECLI:NL:RBAMS:2025:1337
Strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,610 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/390229-24
Datum uitspraak: 27 februari 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 17 december 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 september 2024 door de Sąd Okręgowy w Zielonej Gorzé / "Circuit Court of Zielona Góra", Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1986,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 februari 2025, in aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.A.E. Bunge, advocaat te Heeze en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een judgment of April 26, 2022, by the Circuit Court of Zielona Góra (II K 66/10), upheld on April 17, 2024, by the Poznań Court of Appeal, ref. II Aka 281/22.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Uit het EAB volgt dat the Poznań Court of Appeal als laatste instantie de zaak ten gronde heeft behandeld. De rechtbank zal daarom alleen het proces in hoger beroep toetsen aan artikel
12 OLW.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat zich de omstandigheid van artikel 12, sub b, OLW heeft voorgedaan. Uit het EAB volgt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces in hoger beroep en dat hij is verdedigd door zijn gemachtigd advocaat. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
4Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
5) illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW
Het EAB ziet op een feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe het volgende aan:
- het onderzoek is in Polen aangevangen;
- de strafrechtelijke procedure heeft in Polen plaatsgevonden en is daar voltooid;
- de verdovende middelen en het overige bewijs bevinden zich in Polen;
- het openbaar ministerie is zelf niet voornemens om de opgeëiste persoon te gaan vervolgen voor het feit in het EAB.
De raadsman van de opgeëiste persoon verzoekt de rechtbank de overlevering op grond van dit artikel te weigeren, omdat de verdenking ziet op (het stekken van) 328 plantjes en bij de afdoening in Nederland voor een dergelijke zaak een langdurige vrijheidsstraf, zoals in Polen is opgelegd, niet te verwachten en niet realistisch is. De opgeëiste persoon heeft geen betrokkenheid gehad bij het plegen van enig strafbaar feit in Polen.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
Gelet op de door de officier van justitie genoemde argumenten vormt het gegeven dat het feit geacht wordt geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen.
6Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon in Polen cassatie heeft ingesteld die thans nog loopt. Indien het cassatieberoep slaagt, zal de strafzaak opnieuw worden behandeld. Dat betekent dat het nu niet op voorhand duidelijk is in welk detentieregime de opgeëiste persoon zal worden geplaatst. Indien de cassatie slaagt, zal de opgeëiste persoon worden geplaatst in het regime van voorlopig gedetineerden, zoals ook door de Poolse advocaat is aangegeven. Uit vaste rechtspraak volgt dat er grote zorgen zijn omtrent de detentieomstandigheden in dit regime, aangezien dit een algemeen gevaar voor onmenselijke en vernederende behandeling oplevert. De overlevering dient daarom te worden geweigerd of te worden aangehouden totdat de uitkomst in de Poolse cassatiezaak bekend is en duidelijk is de opgeëiste persoon het risico loopt na een eventueel slagen van de cassatie in een remand regime zal worden geplaatst.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit verweer moet worden verworpen. De uitkomst van het cassatieberoep nog onzeker en ook is onduidelijk of de opgeëiste persoon in verband daarmee in de toekomst wellicht in een remand regime zal worden geplaatst. Met de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 23 januari 2025 is verder voldoende vast komen te staan dat het zeer onwaarschijnlijk is dat de opgeëiste persoon terecht komt in de gevangenis in Barczewo, waar de rechtbank onderzoek naar de detentieomstandigheden heeft laten doen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
9Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 7 en 13 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Sąd Okręgowy w Zielonej Gorzé / "Circuit Court of Zielona Góra" (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. R.A. Sipkens en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 februari 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.
Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.
Rb. Amsterdam d.d. 16 januari 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:326).
ECLI:NL:RBAMS:2025:909.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 87.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).