Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-28
ECLI:NL:RBAMS:2025:1319
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,993 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/4633
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 februari 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit Amsterdam, eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, de gemeente
(gemachtigde: mr. S.S. Kisoentewari).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de herziening en terugvordering van haar uitkering op grond van de Participatiewet. Dat is de wet die hier van toepassing is.
1.1.
Met het bestreden besluit van 27 juni 2024 op het bezwaar van eiseres is de gemeente bij dat besluit gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, een kennis van eiseres die voor haar tolkte en de gemachtigde van de gemeente.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiseres ontving een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. De gemeente is een onderzoek gestart naar aanleiding van een melding dat eiseres op 10 september 2023 werkend is aangetroffen bij [bedrijf] op [adres] [huisnummer] in Amsterdam. Eiseres heeft hier in het verleden gewerkt maar is daar gestopt omdat het werk te zwaar zou zijn.
3. Uit het rapport van bevindingen van 1 maart 2024 volgt onder meer dat de gemeente drie waarnemingen ter plaatse heeft verricht. Eiseres is niet werkend gezien bij [bedrijf] . Eiseres is hierna opgeroepen voor een gesprek op kantoor op 22 februari 2024 en haar is gevraagd om bankafschriften over de laatste drie maanden van 1 augustus 2023 tot en met 1 november 2023 mee te nemen. Eiseres had de gevraagde gegevens alleen niet meegenomen. Zij is hierna opgeroepen voor een gesprek op kantoor op 27 februari 2024. Op die datum is zij niet verschenen. De uitkering van eiseres is daarna per 27 februari 2024 opgeschort en er is aan haar een hersteltermijn geboden. Zij diende zich op 29 februari 2024 te melden op het kantoor van de gemeente.
4. Uit een klantcontact van 27 februari 2024 volgt dat eiseres aan haar klantbegeleider heeft doorgegeven dat zij sinds een paar weken bij [bedrijf] werkt en dat er nog een contract moet worden opgesteld. Zij wil de hulp stopzetten.
5. Op 29 februari 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen eiseres en de medewerkers van de afdeling handhaving van de gemeente. Aan eiseres is verteld dat er een rechtmatigheidsonderzoek loopt naar aanleiding van een vermoeden van zwart werk en er zijn aan haar vragen gesteld. Eiseres heeft op 1 maart 2024 de gevraagde bankafschriften over de periode 1 augustus 2023 tot en met 29 februari 2024 overgelegd. Hierop zijn meerdere kasstortingen te zien.
6. Naar aanleiding van het onderzoek en het gesprek met eiseres stelt de gemeente zich op het standpunt dat eiseres in ieder geval vanaf 4 februari 2024 voor 35 tot 40 uur per week werkzaam is bij [bedrijf] . Op basis van de bankafschriften ontvangt eiseres in ieder geval vanaf 20 augustus 2023 regelmatig kasstortingen op haar rekening. Zij moet aan de hand van controleerbare en verifieerbare gegevens aannemelijk maken dat geen sprake is van middelen.
7. In het rapport constatering overtreding van 1 maart 2024 is geconcludeerd dat eiseres de gemeente niet uit eigen beweging heeft verteld over haar werkzaamheden en de meerdere kasstortingen op haar rekening. Hierdoor is over een bepaalde periode ten onrechte bijstand verstrekt. Eiseres heeft de inlichtingenplicht geschonden.
8. Met de brief van 7 maart 2024 heeft de gemeente eiseres om aanvullende informatie verzocht, waaronder haar bankafschriften van al haar betaal- en spaarrekeningen van 1 april 2022 tot en met 1 augustus 2023. Ook is haar gevraagd om een verklaring te geven over de kasstortingen. Eiseres is gevraagd deze informatie uiterlijk 21 maart 2024 bij de gemeente aan te leveren. Uit de brief van 26 maart 2024 volgt dat de gemeente de gevraagde informatie nog niet heeft ontvangen. Eiseres is in de gelegenheid gesteld om de informatie uiterlijk 9 april 2024 aan te leveren.
9. Eiseres heeft hierna een kopie van haar arbeidscontract overgelegd en bankafschriften vanaf 1 april 2022 tot en met 31 augustus 2023. Uit het rapport beëindigingsonderzoek van 11 april 2024 volgt dat de bijstandsuitkering per 1 februari 2024 wordt beëindigd. Uit het arbeidscontract volgt dat eiseres vanaf 1 februari 2024 in dienst is. De gemeente houdt daarom die datum aan. Op de overgelegde bankafschriften staan nog meer kasstortingen vermeld. Deze worden door de gemeente als inkomsten aangemerkt.
10. Met het besluit van 12 april 2024 heeft de gemeente de uitkering van eiseres per 1 februari 2024 ingetrokken. Volgens de gemeente heeft eiseres voldoende inkomsten uit werk om de kosten van levensonderhoud zelf te betalen.
11. Met het besluit van 3 mei 2024 (het primaire besluit) heeft de gemeente de te veel ontvangen uitkering over de periode 1 februari 2024 tot en met 29 februari 2024 teruggevorderd (€ 1.219,64). Over de periode 1 januari 2022 tot en met 31 januari 2024 heeft de gemeente de uitkering herzien en de te veel ontvangen uitkering teruggevorderd (€ 7.162,54). De gemeente vindt dat de kasstortingen moeten worden aangemerkt als inkomen. Na aftrek van vakantiegeld (€ 372,13) moet eiseres een totaalbedrag van € 8.055,05 aan de gemeente terugbetalen.
12. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de herziening en het bedrag van € 7.162,54 dat zij moet terugbetalen. Ter onderbouwing heeft zij een verklaring over de lening, ondertekend door [naam 1] en [naam 2] , overgelegd en een overzicht van de gestorte bedragen en terugbetalingen.
13. De gemeente stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de intrekking van de bijstandsuitkering vanaf 1 februari 2024 niet in geschil is. Wat wel een discussiepunt is, is het bedrag van € 7.162,54 dat van eiseres wordt teruggevorderd vanwege stortingen op haar eigen bankrekening zonder de gemeente hiervan in kennis te stellen. De gemeente stelt dat een geldlening niet is uitgezonderd van het middelenbegrip. En dat periodieke betalingen van derden, waaronder familie, aan bijstandsontvangers, ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt naar vaste rechtspraak als inkomen van de bijstandontvanger moeten worden aangemerkt. De stortingen op de bankrekening van eiseres moeten volgens de gemeente als middelen worden beschouwd die moeten worden gekort op de uitkering. De verklaring die eiseres heeft overgelegd bevat geen terugbetalingsverplichting en geen terug te betalen bedrag. Daarom is niet controleerbaar of daadwerkelijk sprake is van een lening. De verklaring is achteraf opgesteld en niet nader onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. In het kader van de dringende redenen overweegt de gemeente tot slot dat zij geen aanleiding ziet tot matiging of afzien van de terugvordering.
Beoordeling
14. De rechtbank beoordeelt of de gemeente terecht is overgegaan tot het herzien en terugvorderen van de bijstandsuitkering van eiseres over de periode 1 januari 2022 tot en met 31 januari 2024. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
15. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De Participatiewet
16.1.
Mensen die bijstand ontvangen moeten vanuit zichzelf – en natuurlijk ook op verzoek van de gemeente – alles melden aan de gemeente wat van belang kan zijn voor het recht op een bijstandsuitkering. Dit heet de inlichtingenplicht. Dit staat in artikel 17 van de Participatiewet. Denk bijvoorbeeld aan gegevens over werk, inkomsten en de woonsituatie.
16.2.
Als iemand niet aan zijn inlichtingenplicht voldoet, en iemand hierdoor onterecht te veel bijstandsgeld krijgt, dan moet de gemeente de bijstandsuitkering herzien of intrekken. Ook moet de gemeente het teveel aan bijstand ontvangen geld terugvorderen. Dat staat in artikel 54, derde lid, en artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet.
16.3.
De gemeente kan wel besluiten om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat doet de gemeente als daar dringende redenen voor zijn. Dit staat in artikel 58, achtste lid, van de Participatiewet.
Over de geldlening
17. Eiseres voert aan dat het gestorte bedrag om een lening gaat en dus geen inkomen is. Zij heeft het bedrag geleend van [naam 1] en [naam 2] om aan dringende financiële verplichtingen te kunnen voldoen. Het ging volgens eiseres om eenmalige financiële hulp.
18. De rechtbank merkt op dat eiseres in beroep dezelfde bewijsstukken heeft ingediend als in bezwaar. Hieruit blijkt overigens dat [naam 1] en [naam 2] verklaren dat het om meermalige financiële hulp gaat.
19. Bedragen die contant zijn gestort en bedragen die zijn overgemaakt door derden naar een bankrekening van een bijstandontvanger worden in principe beschouwd als middelen in de zin van de Participatiewet. En de hoogste rechter zegt: als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarin iemand bijstand krijgt, dan is ook sprake van inkomsten. Als iemand zegt: ja maar het gaat om een geldlening en die moet worden terugbetaald, dan maakt dat nog niet dat geen sprake is van inkomsten. Een geldlening is niet uitgezonderd van het middelenbegrip.
20. Dit kan wel anders zijn als de bijstandsontvanger geldleningen moet aangaan, omdat hij in een bepaalde periode geen of ontoereikende inkomsten heeft om in zijn levensonderhoud te voorzien. Maar daar zijn wel voorwaarden aan verbonden. In ieder geval moet aannemelijk worden gemaakt dat die persoon geen ander toereikend inkomen heeft en daarnaast dat het gaat om leningen die zijn verstrekt voor levensonderhoud. Iemand moet over die leningen aannemelijk maken van wie, wanneer, op welke wijze en tot welk bedrag hij de lening heeft ontvangen. Ook moet die persoon aannemelijk maken dat bij de betaling, en niet later, de afspraak is gemaakt dat het een lening betreft en dat die dus moet worden terugbetaald, en dat die lening is bedoeld voor levensonderhoud. De hoogste rechter heeft gezegd dat een bankoverschrijving met de vermelding ‘lening voor levensonderhoud’, waarbij de identiteit van de geldlener vaststaat, in principe volstaat.
21. De rechtbank ziet dat in deze zaak niet terug. Eiseres heeft wel een overzicht gestuurd waarop staat vermeld dat de stortingen zouden zijn gedaan om onder andere de huur, energie en zorgpremie te betalen. Maar bij de stortingen die op de bankafschriften staan vermeld wordt geen omschrijving genoemd. De rechtbank gaat dus niet uit van een geldlening, omdat eiseres geen of ontoereikende inkomsten heeft om in haar levensonderhoud te voorzien.
Zorgvuldigheid
22. Eiseres voert ook aan dat de gemeente onvoldoende naar de verklaring heeft gekeken. De rechtbank vindt dat de gemeente wel naar de verklaring heeft gekeken, maar daar terecht een andere waarde aan heeft toegekend dan eiseres zou willen. De verklaring is pas achteraf opgesteld op 18 mei 2024. In de verklaring staat dat de bedragen moeten worden terugbetaald volgens de overeengekomen voorwaarden zonder een nadere toelichting. De verklaring bevat ook geen terug te betalen bedrag zodat niet controleerbaar is of daadwerkelijk sprake is van een lening.
23. De rechtbank is dus van oordeel dat de gemeente terecht de gestorte bedragen die staan vermeld op de bankafschriften van eiseres als inkomen heeft aangemerkt in de zin van de Participatiewet. Omdat eiseres als gevolg van haar inkomsten te veel bijstand heeft ontvangen en eiseres dit niet heeft gemeld aan de gemeente, heeft de gemeente de bijstandsuitkering van eiseres terecht herzien en teruggevorderd tot een bedrag van € 7.162,54.
Dringende redenen
24. Tot slot voert eiseres aan dat de beslissing om het gestorte bedrag als inkomen te beschouwen aanzienlijke gevolgen heeft voor haar financiële situatie en levensonderhoud.
25. De rechtbank legt dit uit als een beroep op dringende redenen om van de terugvordering af te zien. Wat zijn dringende redenen? Dat heeft de hoogste rechter uitgelegd: de gemeente moet niet alleen kijken naar de onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen van de terugvordering, maar ook andere belangen en relevante feiten en omstandigheden in zijn afweging betrekken.
26. Eiseres heeft op de zitting verteld dat zij bij vrienden schulden heeft omdat ze geld heeft uitgegeven aan gokken. En zij moet de te veel ontvangen zorg- en huurtoeslag terugbetalen aan de Belastingdienst. Zij is nog steeds werkzaam bij [bedrijf] , maar het lukt haar niet om een andere baan te vinden omdat zij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Eiseres is een alleenstaande moeder van een zoon. De hele situatie geeft eiseres veel stress en zij slaapt slecht.
27. De rechtbank vindt dat de gemeente hierin geen dringende redenen heeft hoeven zien om deels of geheel van de terugvordering af te zien. De gemeente heeft op zitting gereageerd en zich op het standpunt gesteld dat eiseres werkzaam is en een inkomen ontvangt. Als zij de stukken van haar schulden aan de gemeente opstuurt, kan zij beoordelen of de afgesproken aflossing van € 100,- per maand naar beneden moet worden bijgesteld. Daarnaast komt eiseres mogelijk – na een aantal jaar en als zij zich aan haar maandelijkse betalingsverplichting houdt – in aanmerking voor kwijtschelding.
Conclusie
28. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.E. Berghout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 17 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2540 en van 7 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:97.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2195.