Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-13
ECLI:NL:RBAMS:2025:1287
Strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,255 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/324818-23 (EAB I)
Datum uitspraak: 13 februari 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 10 december 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 november 2023 door the Circuit Court of Zielona Góra, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP adres] ,
nu gedetineerd in Justitieel Complex [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 30 januari 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J. Woltring, advocaat te Haarlem en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court of Zielona Góra van 28 oktober 2021 met kenmerk VII K 686/21.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar en 3 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De overlevering dient te worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW, omdat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen in de procedure die heeft geleid tot het vonnis met kenmerk VII K 686/21 en hij ook niet in persoon is gedagvaard. Hij woont al sinds maart 2021 in Nederland, zodat de vermelding in het EAB dat de dagvaarding in persoon is betekend niet kan kloppen.
Standpunt van de officier van justitie
De overlevering kan worden toegestaan omdat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is. Uit het EAB volgt immers dat de opgeëiste persoon op 8 september 2021 in persoon is gedagvaard en in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de procedure die heeft geleid tot het vonnis met kenmerk VII K 686/21, zodat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De opgeëiste persoon heeft weliswaar verklaard dat hij vanaf maart 2021 in Nederland woonde, maar uit het dossier inzake EAB III blijkt dat hij in juli 2021 nog in Polen gedetineerd was en op 14 januari 2022 aanwezig was op een zitting in Polen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid.
In onderdeel d) van het EAB is vermeld dat de opgeëiste persoon op 8 september 2021 in persoon is gedagvaard en in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de procedure die heeft geleid tot de beslissing. Ook is de opgeëiste persoon er toen van in kennis is gesteld dat een beslissing kon worden genomen wanneer hij niet op het proces zou verschijnen. De rechtbank heeft, mede gelet op het vertrouwensbeginsel, geen reden om aan deze informatie te twijfelen. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is daartoe niet voldoende. Dit betekent dat de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW zich voordoet en de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is.
4Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
5Artikel 11 OLW
5.1
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
5.2
Detentieomstandigheden in Polen
Deze zaak is gelijktijdig behandeld met twee andere zaken waarin eveneens de overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht door de Poolse autoriteiten. Uit de aanvullende informatie van 2 en 15 januari 2025 van de uitvaardigende justitiële autoriteit in de zaak met parketnummer 13-337995-23 (EAB II) volgt dat, indien de overlevering van de opgeëiste persoon in alle drie EAB-zaken wordt toegestaan, hij naar alle waarschijnlijkheid wordt geplaatst in het remand regime in de detentie-instelling Zielona Góra, in welke instelling - naar alle waarschijnlijkheid - ook de aan hem opgelegde straffen ten uitvoer zullen worden gelegd. De rechtbank verwijst naar overweging 5.2 in de uitspraak in de zaak met parketnummer 13-337995-23 (EAB II). De opgeëiste persoon zal dan ook niet in de penitentiaire inrichting in Barczewo worden geplaatst.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 8 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Circuit Court of Zielona Góra voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en E. de Rooij, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.P. van Kessel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 februari 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).
Zie rechtbank Amsterdam 16 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:320.