Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-25
ECLI:NL:RBAMS:2025:1230
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,604 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-353432-24
Datum uitspraak: 25 februari 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 7 november 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 juli 2024 door the Circuit Court of Zielona Góra, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1984,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieplaats],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 7 januari 2025
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 januari 2025, in
aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen
en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, advocaat in Amsterdam, en door een
tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW)
uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding
bevolen.
Tussenuitspraak 21 januari 2025
De rechtbank heeft op 21 januari 2025 een tussenuitspraak gewezen, waarbij het onderzoek ter
zitting is heropend en voor onbepaalde tijd is geschorst om de in de tussenuitspraak onder 6 genoemde vraag voor te leggen aan de Poolse autoriteiten. Bij tussenuitspraak is de beslistermijn op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 11 februari 2025
De behandeling van het EAB is met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 11 februari 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.G. Koopman en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak
De rechtbank stelt vast dat bij de tussenuitspraak van deze rechtbank van 21 januari 2025 reeds is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zoals bedoeld in artikel 12 OLW, de dubbele strafbaarheid en artikel 11 OLW in combinatie met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU. Hetgeen de rechtbank heeft overwogen kan als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
4Artikel 11 OLW: Poolse detentieomstandigheden
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet op de informatie die inmiddels bekend is over de huidige situatie in de gevangenis in Barczewo, er niet van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van de aldaar gedetineerden kan worden gesproken. Hoewel de in het NMPT-rapport beschreven bevindingen zorgelijk zijn, blijkt uit deze informatie dat de Poolse autoriteiten serieus met de beschreven problematiek bezig zijn. De situatie zoals omschreven in het NMPT-rapport is daarmee niet meer actueel.
Beoordeling
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overweging onder punt 6 van de tussenuitspraak van 21 januari 2025, die hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.
De rechtbank heeft in een andere zaak vragen gesteld over de detentieomstandigheden in de gevangenis in Barczewo. De rechtbank heeft in die zaak op 14 februari 2025 uitspraak gedaan, waarin zij tot het oordeel komt dat er geen algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden die daar worden gedetineerd worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, gelet op de detentieomstandigheden. Derhalve is de vraag of de opgeëiste persoon na overlevering in de gevangenis in Barczewo wordt gedetineerd niet langer relevant.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
6Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 7, OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Circuit Court of Zielona Góra, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.G.M.M. van Gessel, voorzitter,
mrs. J.G. Vegter en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en M.J.D. Hartman, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 25 februari 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Parketnummer 13-353432-24, ter publicatie aangeboden.
Rb. Amsterdam d.d. 16 januari 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:326).
ECLI:NL:RBAMS:2025:909.