Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-25
ECLI:NL:RBAMS:2025:1225
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,955 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-346814-24
Datum uitspraak: 25 februari 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 12 november 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 19 juli 2024 door the Regional Court of Law in Częstochowa, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1980,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 14 januari 2025
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 14 januari 2025, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. de Klerk, advocaat in Haarlem en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak 28 januari 2025
Bij tussenuitspraak van 28 januari 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en vervolgens geschorst. Er zijn vragen geformuleerd aan de uitvaardigende justitiële autoriteit ten aanzien van de detentieomstandigheden in de gevangenis in Barczewo om te kunnen beoordelen of ten aanzien van gedetineerden aldaar sprake is van een algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 5 april 2016.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW verlengd met 30 dagen. Ook heeft de rechtbank de geschorste gevangenhouding van de opgeëiste persoon op grond van artikel 27, derde lid, OLW verlengd met 30 dagen.
Zitting 11 februari 2025
De behandeling van het EAB is met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling hervat op de zitting van 11 februari 2025, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. de Kerk en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak
De rechtbank stelt vast dat bij de tussenuitspraak van deze rechtbank van 28 januari 2025 reeds is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zoals bedoeld in artikel 12 OLW, de strafbaarheid en de toepassing van artikel 11 OLW in combinatie met artikel 47 van het Handvest. Hetgeen de rechtbank heeft overwogen kan als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
4Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden in Barczewo
Inleiding
Op 5 februari 2025 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit – in antwoord op de bij tussenuitspraak van 28 januari 2025 gestelde vragen – laten weten dat pas nadat de opgeëiste persoon is overgeleverd, er wordt bepaald in welke gevangenis hij zal worden geplaatst om zijn gevangenisstraf uit te zitten. Echter, “the probability of placement” van de opgeëiste persoon in de gevangenis in Barczewo is volgens de uitvaardigende justitiële autoriteit laag, nu deze gevangenis op meer dan 400 kilometer afstand ligt van de stad waar de opgeëiste persoon voorheen woonde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat overlevering van de opgeëiste persoon tot een schending van artikel 4 van het Handvest zal leiden. Uit het antwoord van 5 februari 2025 volgt dat pas na overlevering wordt bepaald in welke gevangenis de opgeëiste persoon zijn gevangenisstraf moet uitzitten. Het is daarbij niet uitgesloten dat de opgeëiste persoon in de gevangenis in Barczewo wordt geplaatst, terwijl uit de inmiddels bekende informatie over de huidige situatie in die gevangenis blijkt dat er weliswaar maatregelen zijn genomen, maar niet dat er daardoor geen sprake meer is van de zorgelijke omstandigheden zoals geuit in het NMPT-rapport.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de antwoorden van 5 februari 2025 volgt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat de opgeëiste persoon na overlevering in de gevangenis in Barczewo wordt gedetineerd, waardoor artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat.
Beoordeling
De rechtbank verwijst allereerst naar haar overwegingen ten aanzien van de detentieomstandigheden in de tussenuitspraak van 28 januari 2025.
De rechtbank heeft in een andere zaak vragen gesteld over de detentieomstandigheden in de gevangenis in Barczewo. De rechtbank heeft in die zaak op 14 februari 2025 uitspraak gedaan, waarin zij tot het oordeel komt dat er geen algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden die daar worden gedetineerd worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, gelet op de detentieomstandigheden. Derhalve is de vraag of de opgeëiste persoon na overlevering in de gevangenis in Barczewo wordt gedetineerd niet langer relevant.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
6Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] the Regional Court of Law in Częstochowa, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.G.M.M. van Gessel, voorzitter,
mrs. J.G. Vegter en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en M.J.D. Hartman, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 25 februari 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
ECLI:NL:RBAMS:2025:579.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 april 2016, gevoegde zaken C-404/15 en C-659/15 PPU (Aranyosi en Căldăraru), ECLI:EU:C:2016:198.
Rb. Amsterdam d.d. 16 januari 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:326).
ECLI:NL:RBAMS:2025:909.