Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-07
ECLI:NL:RBAMS:2025:1221
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,680 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/154297-23
Datum uitspraak: 7 februari 2025
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [woonadres] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 februari 2025. Verdachte was daarbij aanwezig, evenals zijn raadsman, mr. J.W.P. Beijen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.S. Bond, en van wat verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
1. zware mishandeling van politiesurveillant [naam politiesurveillant] op 23 juni 2023 te Amsterdam.
Subsidiair en meer subsidiair is respectievelijk poging zware mishandeling en mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge ten laste gelegd;
2. mishandeling van [naam slachtoffer] op 23 juni 2023 te Amsterdam;
3. mishandeling van PIW’er [naam medewerker 1] op 25 juni 2023 te 's-Gravenhage;
4. mishandeling van PIW’er [naam medewerker 2] op 4 juli 2023 te 's-Gravenhage.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3Waardering van het bewijs
3.1
Het standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen kan worden verklaard en dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Zij vindt dat de onder 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bewezen kan worden. Uit de bekennende verklaring van verdachte en de verklaring van aangever [naam politiesurveillant] (hierna: [naam politiesurveillant] ), blijkt namelijk dat verdachte hem hard een vuistslag op zijn gezicht heeft gegeven, verdachte zelf zegt dat hij [naam politiesurveillant] ‘een ram’ heeft gegeven. Wanneer hard met de vuist op het gezicht geslagen wordt, bestaat de aanmerkelijke kans dat iemand als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel oploopt. Uit de verklaring van verdachte blijkt bovendien dat hij ook hard heeft geslagen. Deze gedraging is zozeer gericht op een bepaald gevolg, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte deze aanmerkelijke kans op het gevolg ook heeft aanvaard.
Ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze feiten bewezen kunnen worden op basis van onder andere de bekennende verklaring van verdachte.
3.2
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het toegebrachte letsel niet kwalificeert als zwaar lichamelijk letsel en dat verdachte niet de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat [naam politiesurveillant] zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen dan wel dat hij deze kans heeft aanvaard. Wat betreft het meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman verzocht verdachte partieel vrij te spreken van de strafverzwarende grond dat er zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, nu – volgens de raadsman – het letsel niet kwalificeert als zwaar lichamelijk letsel.
Ten aanzien van het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Beoordeling
3.3.1
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
Vaststelling van de feiten
Op 23 juni 2023 omstreeks 14.15 uur is er een melding bij de politie binnengekomen van een mishandeling van een kind, op de [straatnaam 1] te Amsterdam. Ter plaatse wijzen getuigen verbalisanten [naam politiesurveillant] en [collega verbalisant] de verdachte aan. Verbalisanten zagen dat verdachte in zijn rolstoel weg reed en een supermarkt inging. In de supermarkt, gelegen aan de [straatnaam 2] te Amsterdam, sprak verbalisant [naam politiesurveillant] verdachte aan en vroeg wat er in het park gebeurd was. Verdachte wilde eerst wat drinken uit de koeling pakken, wat [naam politiesurveillant] belette. Vervolgens draaide verdachte zich een kwartslag om, keek [naam politiesurveillant] aan en gaf hem een vuistslag op zijn gezicht. [naam politiesurveillant] voelde een enorme klap in zijn gezicht aankomen en voelde zijn hele gezicht trillen en pijn doen.
Uit het letselrapport van 23 juni 2023, opgemaakt door de afdeling Forensische Geneeskunde van de GGD te Amsterdam, volgt dat de forensisch arts letsel op meerdere plekken op het hoofd van [naam politiesurveillant] heeft waargenomen. Het letsel bestond uit bloeduitstortingen aan de boven- en onderlip en aan de neuspunt. De forensisch arts heeft gesteld dat het letsel goed bij de door [naam politiesurveillant] vermelde toedracht past. De verwachting bestaat dat het letsel geen blijvende schade zal achterlaten en binnen twee weken zal genezen.
Uit de letselverklaring, opgemaakt door de tandarts van [naam politiesurveillant] , blijkt dat er op de röntgenfoto van zijn gebit geen schade zichtbaar is. Uit nadere berichtgeving van zijn tandarts, van 16 augustus 2023, is gebleken dat [naam politiesurveillant] slist en dat één tand licht geroteerd staat.
Zowel bij de politie als ter terechtzitting heeft verdachte bekend dat hij [naam politiesurveillant] op zijn neus heeft geslagen.
Op basis van de aangifte, de letselrapportages en de bekennende verklaring van verdachte acht de rechtbank bewezen dat verdachte [naam politiesurveillant] in zijn gezicht heeft gestompt.
Is er sprake van zwaar lichamelijk letsel dan wel (voorwaardelijk) opzet op zwaar lichamelijk letsel?
De rechtbank is van oordeel dat het letsel niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel in de zin van de wet. Verdachte zal daarom van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.
Voor een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling moet worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Om vast te stellen dat er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet, moet worden vastgesteld dat het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat verdachte die kans ook bewust heeft aanvaard.
Er is niet gebleken dat verdachte vol opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [naam politiesurveillant] . Evenmin is gebleken dat verdachte de aanmerkelijke kans dat [naam politiesurveillant] zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen bewust heeft aanvaard. Dat kan niet worden afgeleid uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte of uit de verklaring van verdachte. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het subsidiair ten laste gelegde nu ze niet kan vaststellen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Mishandeling
Hetgeen hierboven is overwogen ten aanzien van het uitgeoefende geweld brengt de rechtbank wel tot bewezenverklaring van de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling van [naam politiesurveillant] .
De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van de opgenomen strafverzwaring van artikel 300, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), te weten dat het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad. De rechtbank heeft immers overwogen dat het letsel niet gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel in de zin van de wet.
3.3.2
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde
[aangeefster] heeft namens [naam slachtoffer] (hierna: [naam slachtoffer] ), haar kind van negen jaar oud, aangifte gedaan van mishandeling op 23 juni 2023. Zij verklaarde dat [naam slachtoffer] op 23 juni 2023 in het [plaats] te Amsterdam was. Een onbekende man in een rolstoel vroeg aan [naam slachtoffer] om naar hem toe te komen. Op het moment dat [naam slachtoffer] richting de man stapte, sloeg de man hem met de vlakke hand op zijn wang en voelde [naam slachtoffer] een enorme pijnscheut.
Verdachte heeft bekend dat hij [naam slachtoffer] met de vlakke hand heeft geslagen.
Op basis van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte acht de rechtbank bewezen dat verdachte [naam slachtoffer] heeft mishandeld.
3.3.3
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde
[naam hoofd beveiliging] (hierna: [naam hoofd beveiliging] ) is hoofd beveiliging van de Penitentiaire Inrichting te ’s Gravenhage. Op 3 juli 2023 heeft [naam hoofd beveiliging] , namens een medewerker van de Penitentiaire Inrichting (hierna: PIW’er) genaamd ‘ [naam medewerker 1] ’, aangifte gedaan van mishandeling. Op het moment dat PIW’er [naam medewerker 1] aan verdachte vroeg om met zijn rolstoel naar achteren te gaan, heeft verdachte hem op zijn neus geslagen.
Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend.
Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte PIW’er [naam medewerker 1] heeft mishandeld.
3.3.4
Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde
[naam hoofd beveiliging] heeft op 10 juli 2023, namens PIW’er ‘ [naam medewerker 2] ’, aangifte gedaan van mishandeling. Nadat PIW’er [naam medewerker 2] verdachte de benodigde spullen overhandigde voor zijn verzorging, werd hij door verdachte geslagen in zijn gezicht. Vervolgens zei verdachte tegen hem dat hij niet geschikt was voor het werk.
Verdachte heeft de mishandeling bekend.
Op basis van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van PIW’er [naam medewerker 2] .
Motivering
7.1
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestig dagen, met aftrek van voorarrest.
7.2
Strafmaatverweer van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank bij de strafoplegging verzocht rekening te houden met de volgende omstandigheden. Verdachte is volgens de psycholoog en de psychiater (sterk) verminderd toerekeningsvatbaar. Verder volgt uit het voortgangsverslag dat de reclassering een straf zonder oplegging van bijzondere voorwaarden heeft geadviseerd. De raadsman heeft de rechtbank daarom verzocht om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van zijn voorarrest.
7.3
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich binnen een korte periode schuldig gemaakt aan vier mishandelingen. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij een nog jong kind van slechts negen jaar oud naar zich toe heeft geroepen en vervolgens direct, zonder aanleiding en volkomen onverwacht, in zijn gezicht heeft geslagen. Uit de aangifte van zijn moeder blijkt ook dat het slachtoffer [naam slachtoffer] als gevolg van de mishandeling erg geschrokken en overstuur was. Daarnaast heeft verdachte een opsporingsambtenaar en twee PIW’ers, tijdens de uitoefening van hun functie, eveneens volkomen onverhoeds en zonder kenbare aanleiding, mishandeld. Juist opsporingsambtenaren en PIW’ers moeten hun werk veilig kunnen doen. Met zijn gedrag heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van alle vier de slachtoffers.
Strafblad
Bij de straftoemeting houdt de rechtbank rekening met het strafblad van verdachte van
6 januari 2025. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsmisdrijven. De rechtbank weegt dit strafverzwarend mee.
Toerekeningsvatbaarheid
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia rapport betreffende verdachte, van 16 april 2024, opgemaakt door psycholoog J. Yntema, en het Pro Justitia rapport betreffende verdachte van 19 april 2024, opgemaakt door psychiater J. Marx. Deze rapporten hebben betrekking op het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het aanvullende Pro Justitia rapport betreffende verdachte van 10 december 2024, opgemaakt door psycholoog J. Yntema en psychiater J. Marx. Het aanvullende Pro Justitia rapport ziet op de feiten 3 en 4. Er heeft geen aanvullend testpsychologisch onderzoek plaatsgevonden aangezien het testpychologisch onderzoek van 16 april 2024 nog actueel was.
De psycholoog heeft gerapporteerd – kort samengevat – dat verdachte lijdt aan een schizo-affectieve stoornis van het bipolaire type. Van oktober 2021 tot en met juni 2023 heeft verdachte ook medicatie gebruikt voor deze psychische stoornis. Vanwege heftige lichamelijke bijwerkingen is de dosering van de depotmedicatie –in overleg met zijn behandelaar– verlaagd. Verdachte heeft verklaard dat hij hierdoor in een manische fase terecht is gekomen en gedurende die periode weinig sliep. Daarnaast heeft hij ten aanzien van feit 2 verklaard dat hij het (waan)idee had dat hij het [plaats] moest bewaken en daarom het slachtoffer heeft mishandeld. De psycholoog is van oordeel dat de psychotische ontregeling van verdachte, voortkomend uit zijn schizo-affectieve stoornis, ten tijde van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde in zijn gedrag heeft doorgewerkt. Het is echter niet duidelijk geworden dat dit zijn gedragskeuzes volledig heeft beïnvloed. De psycholoog adviseert daarom om het onder 1 en 2 bewezenverklaarde in (sterk) verminderde mate toe te rekenen.
De psychiater heeft vastgesteld – kort gezegd – dat er bij verdachte sprake is van een schizo-affectieve stoornis. Een schizo-affectieve stoornis kenmerkt zich door manische psychotische episodes en periodes waarbij sprake is van een sombere stemming. Nadat verdachte gedurende een langere periode stabiel had gefunctioneerd, werd in de periode voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten, in verband met lichamelijke bijwerkingen, besloten de medicatie te verlagen. De psychiater is van oordeel dat het verlagen van de medicatie heeft gezorgd voor een manisch-psychotische decompensatie vanuit zijn schizo-affectieve stoornis. Deze decompensatie heeft verdachte zijn gedragskeuzes ten tijde van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde beïnvloed. Daarom adviseert de psychiater, evenals de psycholoog, om de feiten 1 en 2 in verminderde mate toe te rekenen.
In het aanvullende Pro Justitia rapport hebben de rapporteurs gerapporteerd dat de psychische stoornis de gedragskeuzes en handelingen van verdachte ten aanzien van de feiten 3 en 4 deels heeft beïnvloed. De rapporteurs hebben immers bij het onder 3 ten laste gelegde kenmerken herkend die voortkomen uit zijn psychische stoornis, onder meer dat verdachte erg achterdochtig was. Zij adviseren daarom om verdachte voor dit feit sterk verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. Wat betreft feit 4 herkennen de rapporteurs ook kenmerken van de psychische stoornis, echter waren deze minder prominent aanwezig. Hoewel verdachte verklaarde dat hij zichzelf als beschermer van de gevangenis zag en met de mishandeling voor de gedetineerden wilde opkomen, is verdachte vanuit zijn persoonlijkheid ook geneigd om geagiteerd te reageren. De rapporteurs adviseren daarom om feit 4 in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de rapporteurs over. De rechtbank is van oordeel dat alle bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte dienen te worden toegerekend.
Rapportages
De Pro Justitia rapporteurs concluderen dat behandeling voor de psychische stoornis geïndiceerd is om het risico op recidive te beperken. Zij adviseren om de behandeling op te nemen als een bijzondere voorwaarde. Daarnaast zijn de rapporteurs van oordeel dat er zicht gehouden moet worden op de medicatie inname van verdachte. Wanneer verdachte zijn medicatie niet inneemt, kan hij immers nogmaals psychotisch ontregelen waardoor hij agressief gedrag kan vertonen.
De reclassering heeft naar aanleiding van de Pro Justitia rapportages gerapporteerd over de mogelijke invulling van bijzondere voorwaarden. Uit het rapport van GGZ Reclassering Inforsa Amsterdam van 25 juni 2024, opgemaakt door [reclasseringswerker] , blijkt onder meer het volgende. Naar aanleiding van de psychotische decompensatie is verdachte weer ingesteld op de juiste dosering van zijn medicatie. Deze medicatie ontvangt verdachte vanuit het FACT Inforsa in het kader van een zorgmachtiging. Naar verwachting zal deze zorgmachtiging worden verlengd.
Verdachte heeft inmiddels een woning op zijn naam waar hij, zonder woonbegeleiding, zelfstandig woont. Hij wordt daarbij geholpen door familie. Daarnaast heeft de reclassering gerapporteerd dat verdachte zich aan alle afspraken houdt en meewerkt aan de behandeling. Hoewel de reclassering het recidiverisico van verdachte gemiddeld tot hoog inschat, wordt gerapporteerd dat dit risico voldoende ingeperkt kan worden door middel van voortzetting van zijn depôtmedicatie vanuit de zorgmachtiging en door voortzetting van zijn behandeltraject bij FACT Inforsa. Van interventies of toezicht ziet de reclassering geen meerwaarde, nu verdachte goed ingebed is in zorg.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 meer subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van feiten 1 meer subsidiair, 2, 3 en 4:
telkens: mishandeling.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Ten aanzien van feit 1: beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam politiesurveillant] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam politiesurveillant] toe tot een bedrag van € 700,- (zevenhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (23 juni 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam politiesurveillant] aan de Staat € 700,- (zevenhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (23 juni 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 14 (veertien) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Voorlopige hechtenis
Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. R.A. Overbosch, voorzitter,
mrs. M.A.E. Somsen en H.D. Roskam, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.K. Raspoort, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 februari 2025.
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]