Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-21
ECLI:NL:RBAMS:2025:1202
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
1,009 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/756
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 februari 2025 in de zaak tussen
[verzoekster], uit Amsterdam, verzoekster
(gemachtigde: mr. N.A. Visser),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college
(gemachtigde: mr. H.D. Hosper).
Inleiding
Verzoekster exploiteert een winkel op de [adres] [huisnummer 1] in Amsterdam. Op 20 december 2024 heeft het college aan verzoekster een last onder dwangsom en een last onder bestuursdwang opgelegd. De last onder bestuursdwang gebiedt verzoekster het gebruik van het pand als souvenirwinkel en het gebruik van het pand als headshop te staken en gestaakt te houden. De last onder dwangsom gebiedt verzoekster er zorg voor te dragen dat de wering van vocht van buiten voldoet aan de daaraan te stellen eisen.
Verzoekster heeft tegen beide lasten bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 februari 2025 op zitting behandeld. Namens verzoekster is [naam 1] verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 2] .
Beoordeling
3. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen als “onverwijlde spoed” dat vereist. Dit betekent dat de voorzieningenrechter moet beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang, voordat hij inhoudelijk op het verzoek in kan gaan.
4. Verzoekster heeft hierover aangevoerd dat zij als gevolg van de sluiting van de winkel hoogstwaarschijnlijk failliet zal gaan. In de winkel verkoopt verzoekster namelijk alleen souvenirs en headshopproducten en volgens de last moet zij die verkoop staken en gestaakt houden.
5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in dit geval niet gebleken van een spoedeisend belang. Verzoekster heeft namelijk geen concreet en cijfermatig inzicht verschaft in haar financiële situatie. Als gevolg is niet te beoordelen wat de financiële gevolgen zullen zijn als verzoekster de verkoop van haar producten zou staken. Daarnaast is op de zitting gebleken dat [naam 1] winkels exploiteert op de [adres] [huisnummer 2] , [huisnummer 1] en [huisnummer 3] . Het college heeft op de zitting toegelicht dat de winkels op de [adres] [huisnummer 2] en [huisnummer 3] de aanwijzing ‘souvenirwinkel’ hebben, zodat daar souvenirs mogen worden verkocht. Het college heeft verder toegelicht dat uit foto’s blijkt dat in de winkel aan de [adres] [huisnummer 3] kleding wordt verkocht. Naar aanleiding hiervan heeft het college gesteld dat verzoekster haar inventaris kan wisselen met de inventaris van de winkel aan de [adres] [huisnummer 3] , om hiermee aan de regels van het bestemmingsplan te voldoen. Verzoekster heeft dit niet betwist. Ook anderszins heeft verzoekster niet betoogd of toegelicht dat dit niet mogelijk zou zijn.
6. Gelet op het bovenstaande is niet gebleken van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom afwijzen. Dit betekent dat verzoekster het door haar betaalde griffierecht niet terugkrijgt. Ook krijgt zij geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. T.W. Steenhoff, griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).