Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-20
ECLI:NL:RBAMS:2025:1178
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,459 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-296422-23 (EAB I)
Datum uitspraak: 20 februari 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 7 februari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB I).
Dit EAB I is uitgevaardigd op 11 oktober 2023 door de adjunct-officier van justitie het Parket van de Rechtbank (Tribunal Judiciaire) van Avignon, Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB I heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 februari 2025, in aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen. Hij is vertegenwoordigd door zijn (gemachtigd) raadsman, mr. Y. Bouchikhi, advocaat te Utrecht.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB I
Het EAB I vermeldt een vonnis op tegenspraak van de rechtbank van Avignon van 15 mei 2013 (met parketnummer 12117000057).
Het EAB I vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Volgens het EAB I dient de gehele straf nog uitgezeten te worden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB I.
4Verweer ten aanzien van het specialiteitsbeginsel
Inleiding
De rechtbank heeft geconstateerd dat er naast het onderhavige EAB I nog een Frans EAB (parketnummer 13-303991-23) is uitgevaardigd ten aanzien van de opgeëiste persoon voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf.
In dat EAB (hierna: EAB II) wordt de overlevering verzocht op basis van een vonnis op tegenspraak van de rechtbank van Avignon van (eveneens) 15 mei 2013 (met parketnummer 10000000085), waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren, waarvan nog drie jaren en zes maanden resteren.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 18 september 2012 de vervolgings-overlevering aan Frankrijk toegestaan (parketnummer 13.706.349-12) voor de feiten die aan EAB II (parketnummer 13-303991-23) ten grondslag liggen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de overlevering voor beide EAB’s geweigerd dient te worden op grond van artikel 12 OLW gelet op het gebrek aan aanvullende toestemming als bedoeld in artikel 14 OLW om de opgeëiste persoon voor de feiten onder EAB I te vervolgen.
De rechtbank heeft in 2012 de overlevering van de opgeëiste persoon aan de Franse autoriteiten toegestaan in verband met de vervolging voor meerdere feiten. De opgeëiste persoon is vervolgens bij twee vonnissen (beide van 15 mei 2013) veroordeeld tot respectievelijk vier jaar en vijf jaar gevangenisstraf. De Franse autoriteiten hebben echter geen aanvullende toestemming gevraagd aan de Nederlandse autoriteiten om de opgeëiste persoon ook te vervolgen voor de feiten die buiten dat EAB II vielen. Een rechter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, België heeft bij beschikking van 26 november 2024 overwogen dat deze schending van het specialiteitsbeginsel gelijkgesteld dient te worden met een schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon was weliswaar aanwezig bij de procedure, maar door het gebrek aan aanvullende toestemming voor de vervolging van deze feiten, beoordeelt de Belgische rechter het verzoek om overlevering alsof de opgeëiste persoon in feite niet aanwezig was bij die procedure. De Belgische rechter heeft hierom de overlevering aan de Franse autoriteiten geweigerd voor het vonnis met parketnummer 12117000057 (EAB I). Deze redenering dient ook in onderhavige zaak gevolgd te worden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie geeft aan dat niet is gebleken dat aanvullende toestemming is gevraagd aan de Nederlandse autoriteiten voor de feiten die ten grondslag liggen aan dit EAB I en waarvoor de opgeëiste persoon is veroordeeld bij vonnis met het parketnummer 12117000057. Ten aanzien van het gevolg van deze constatering refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat niet blijkt dat aan de Nederlandse autoriteiten aanvullende toestemming is gevraagd om de opgeëiste persoon ook te vervolgen voor de feiten die ten grondslag liggen aan EAB I. De vervolgingsoverlevering is in 2012 toegestaan voor de feiten onder het parketnummer 10000000085, EAB II. De opgeëiste persoon is vervolgens veroordeeld voor de feiten onder dat parketnummer en is op dezelfde dag bij vonnis met het parketnummer 12117000057 veroordeeld voor de strafbare feiten van EAB I. Voor de laatstgenoemde feiten had in beginsel aanvullende toestemming gevraagd moeten worden aan de Nederlandse autoriteiten aangezien deze (toen vermeende) strafbare feiten betroffen die vóór het toestaan van de overlevering zijn gepleegd. Hiermee hadden zij onder het toenmalige overleveringsverzoek kunnen vallen.
De rechtbank is van oordeel dat, voor zover sprake is van een schending van het specialiteitsbeginsel in onderhavige zaak, deze schending niet tot weigering op grond van artikel 12 OLW kan leiden omdat de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon desondanks niet zijn geschonden. Hij was namelijk aanwezig bij de procedure die tot de beslissing heeft geleid. Het gebrek aan aanvullende toestemming van de Nederlandse autoriteiten had gedurende de procedure in Frankrijk naar voren gebracht kunnen worden, zo nodig in hoger beroep. De opgeëiste persoon is veroordeeld op 15 mei 2013 en heeft geen hoger beroep ingesteld.
De rechtbank is verder van oordeel dat de OLW ook overigens geen grondslag biedt voor een eventuele weigering van de overlevering op basis van een schending van het specialiteitsbeginsel.
De rechtbank is tot slot van oordeel dat zij met onderhavige uitspraak, waarin zij de overlevering weigert en de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland beveelt – zoals hierna onder punt 7. overwogen – in feite alsnog, zij het achteraf en met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf, oordeelt over de benodigde toestemming als bedoeld in artikel 14 OLW.
De rechtbank constateert hierom dat het gebrek aan aanvullende toestemming ten tijde van de veroordeling geen grond tot weigering oplevert in het kader van de OLW.
Procesverloop
de verdovende middelen zijn in Frankrijk ingevoerd,
de opgeëiste persoon is reeds veroordeeld in Frankrijk, en
het Nederlandse openbaar ministerie is niet voornemens de opgeëiste persoon voor deze feiten te vervolgen.
De rechtbank stelt voorop dat aan de regeling van het EAB I ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn, en dat de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is om te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank stelt in het licht van de door de officier van justitie gegeven argumenten dat het gegeven dat de feiten worden geacht gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding vormt om de weigeringsgrond toe te passen.
7Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, OLW. Op grond van artikel 6a OLW kan de overlevering van een Nederlander worden geweigerd, indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Frankrijk opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
Feiten
opzettelijk handelen in strijd het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod
opzettelijk handelen in strijd het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod
Uit de Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgt.
De raadsman heeft bepleit dat de feiten naar Frans recht verjaard zijn. De rechtbank overweegt dat de Franse autoriteiten op 11 oktober 2023 het huidige EAB hebben uitgevaardigd en dat zij op basis van het wederzijds vertrouwensbeginsel erop moet vertrouwen dat de verjaring op die datum nog niet was ingetreden, terwijl de rechtbank uit de omstandigheid dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het EAB niet heeft ingetrokken afleidt dat de verjaring nog steeds niet is ingetreden.
De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische, culturele en taalkundige banden met Nederland heeft, zodat de overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal bijdragen aan de maatschappelijke re-integratie van de opgeëiste persoon.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
9Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 3, 10 en 11 Opiumwet en 2, 5, 6a en 7 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Parket van de Rechtbank (Tribunal Judiciaire) van Avignon, Frankrijk.
BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. M.C. Danel en D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 februari 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22 OLW.
De termijn van vrijheidsbeneming (en mogelijkheden tot verlenging daarvan) moeten in samenhang worden bezien met de wettelijke beslistermijn.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.