Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-20
ECLI:NL:RBAMS:2025:1171
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,233 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-266050-24
Datum uitspraak: 20 februari 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 4 november 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 10 november 2020 door the Regional Court in Gdańsk, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1983,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 7 januari 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 7 januari 2025, in aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. de Klerk, advocaat te Haarlem en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak 21 januari 2025
De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de in de tussenuitspraak geformuleerde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.
Voorts is de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met dertig dagen verlengd, alsook de gevangenhouding van de opgeëiste persoon.
Zitting 6 februari 2025
De behandeling van het EAB is – met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling – voortgezet op de zitting van 6 februari 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. de Klerk, advocaat te Haarlem en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak van 21 januari 2025
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 21 januari 2025. Hierin heeft de rechtbank de grondslag van het EAB, de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW en de strafbaarheid van de feiten beoordeeld. Deze overwegingen dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
4Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
De rechtbank verwijst naar haar overweging ten aanzien van artikel 11 OLW in de tussenuitspraak van 21 januari 2025. Deze overweging dient als herhaald en ingelast beschouwd te worden.
De officier van justitie heeft op 23 januari 2025 aan de uitvaardigende autoriteiten gevraagd in welke detentie-instelling de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden geplaatst in het geval de overlevering door de rechtbank zal worden toegestaan. De uitvaardigende justitiële autoriteiten hebben bij brieven van 27 januari 2025, 29 januari 2025 en 30 januari 2025 de vragen van de rechtbank beantwoord en verklaard dat pas na overlevering wordt beslist waar de opgeëiste persoon wordt gedetineerd. Daarom kan niet worden gezegd waar de opgeëiste persoon hoogstwaarschijnlijk gedetineerd zal worden. Daarbij delen zij mee, om diezelfde reden, niet te kunnen garanderen dat de opgeëiste persoon niet in de penitentiaire inrichting in Barczewo gedetineerd zal worden.
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de overlevering geweigerd dient te worden. Ten eerste is in onderhavige zaak gebleken dat het niet mogelijk is om mede te delen waar de opgeëiste persoon hoogstwaarschijnlijk gedetineerd zal worden. Ten tweede heeft een andere opgeëiste persoon zijn ervaringen in detentie in Polen gedeeld en volgens hem zijn de omstandigheden in Barczewo slecht, maar de omstandigheden in andere inrichtingen zijn nog slechter. Gelet op de zorgelijke detentieomstandigheden in meerdere instellingen levert dit een probleem op. Ten slotte geven de Poolse autoriteiten aan niet te kunnen garanderen dat de opgeëiste persoon niet in Barczewo gedetineerd zal worden. Hierdoor loopt de opgeëiste persoon gevaar te worden blootgesteld aan een mensonterende behandeling.
Het standpunt dat de opgeëiste persoon waarschijnlijk nabij zijn woon- of verblijfplaats in Polen gedetineerd zal worden gaat niet op, omdat de opgeëiste persoon geen vaste woon- of verblijfplaats meer heeft in Polen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat geen sprake is van een algemeen gevaar ten aanzien van de penitentiaire inrichting te Barczewo. Hiermee is ook geen sprake van een individueel gevaar op grondrechtenschending voor de opgeëiste persoon. De Poolse autoriteiten geven desgevraagd aan niet te kunnen zeggen waar de opgeëiste persoon gedetineerd zal worden totdat hij wordt overgeleverd, omdat dit afhankelijk is van meerdere factoren. Gelet op de laatst bekende woon- of verblijfplaats van de opgeëiste persoon in Polen is het echter onwaarschijnlijk dat de opgeëiste persoon in Barczewo gedetineerd zal worden. Hiermee staat artikel 11 OLW niet in de weg aan overlevering.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij meerdere uitspraken van 16 januari 2025 beslist aanvullende vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten in het kader van het onderzoek naar een eventueel algemeen gevaar in de penitentiaire inrichting in Barczewo. Hierbij heeft zij gekozen de vragen voor te leggen in een beperkt aantal overleveringszaken (niet zijnde de zaak van de opgeëiste persoon), met het doel de beantwoording overzichtelijk te houden en (eventueel) van een centrale autoriteit in Polen antwoorden te verkrijgen.
De rechtbank heeft vervolgens bij uitspraak van 14 februari 2025 – in één van de eerdergenoemde, voorlopende zaken waarin de vragen zijn gesteld – geoordeeld dat geen sprake is van een algemeen gevaar in de penitentiaire inrichting te Barczewo op basis van de in die zaak verstrekte aanvullende informatie.
Gelet op het voorgaande is de vraag waar de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd om zijn straffen uit te zitten, niet langer relevant. De opgeëiste persoon loopt bij overlevering aan Polen geen reëel gevaar van schending van zijn grondrechten als bedoeld in artikel 11 OLW.
De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon te beëindigen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
6Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Gdańsk, Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. M.C. Danel en D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 februari 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
ECLI:NL:RBAMS:2025:383.
ECLI:NL:RBAMS:2025:909.