Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2025-12-10
ECLI:NL:RBAMS:2025:11532
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/907 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam , het college (gemachtigde: mr. J.P.G. van Egeraat). Als derde-partij neemt deel: [vergunninghouder] te Badhoevedorp, vergunninghouder (gemachtigde: mr. P.M.L. Schilder Spel). Samenvatting 1. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor een aantal bouwwerkzaamheden. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen deze vergunning. De rechtbank is van oordeel dat het college de welstandsadviezen niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Na een heropening heeft het college in beroep echter alsnog voldoende gemotiveerd dat het project niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand. De overige gronden slagen niet. Het beroep is daarom gegrond, maar de rechtbank laat de omgevingsvergunning in stand. Inleiding 2. Eiser is eigenaar van het pand [adres 1] in Amsterdam. Op 17 maart 2023 heeft het college een omgevingsvergunning aan vergunninghouder verleend voor het aanbrengen van diverse balkons, dakterrassen, een uitbouw en enkele inpandige verbouwingen op het adres [adres 2] in Amsterdam. 3. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het college heeft eiser in bezwaar geen gelijk gegeven en de omgevingsvergunning in stand gelaten. 4. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 16 mei 2025 op zitting behandeld. Aanwezig waren: eiser, [de persoon 1] ([functie] van eiser), mr. H.D. Hosper (de toenmalige gemachtigde van het college), [de persoon 2] namens vergunninghouder en mr. K. van der Hoeven (de toenmalige gemachtigde van vergunninghouder). 5. Op 27 mei 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, omdat het onderzoek niet volledig is geweest. De rechtbank heeft de Commissie Omgevingskwaliteit (COK) verzocht haar advies van 14 december 2022 nader toe te lichten. 6. Op 12 juni 2025 en 20 oktober 2025 heeft het college een nadere toelichting van de COK ingediend. Eiser en vergunninghouder hebben hierop gereageerd. Naar aanleiding van de reactie van eiser heeft het college op 3 november 2025 een nadere toelichting van de COK ingediend. 7. De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 opnieuw op zitting behandeld. Eiser is verschenen, vergezeld door [de persoon 1]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. M. van Looij. Vergunninghouder is, met bericht vooraf, niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank 8. Voordat de rechtbank inhoudelijk op de argumenten van eiser in kan gaan, moet zij beoordelen welke wet- en regelgeving in deze zaak van toepassing is. 9. Bij het beantwoorden van deze vraag gaat het erom wanneer de vergunning is aangevraagd. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet namelijk in werking getreden. Als de omgevingsvergunning echter is aangevraagd vóórdat de Omgevingswet in werking trad, dan blijft het recht dat vóór de Omgevingswet gold van toepassing. In dit geval is de omgevingsvergunning op 1 september 2022 aangevraagd. Dit is vóór 1 januari 2024 en dus is het recht dat toen gold (de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en onderliggende regelingen) in deze zaak van toepassing. Welstand 10. Allereerst verschillen partijen van mening over de vraag of sprake is van strijd met de redelijke eisen van welstand. Eiser betoogt, onder verwijzing naar een rapport van [de persoon 1], dat de adviezen van het COK onbegrijpelijk zijn. 11. De rechtbank stelt vast dat het college twee adviezen van de COK aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd: een advies van 25 november 2022 en een advies van 14 december 2022. In het advies van 25 november 2022 heeft de COK negatief geadviseerd, door onder meer het volgende te overwegen: ‘De uitbouw op de begane grond aan de achterzijde en het daarop gelegen dakterras zijn vanuit welstandsoogpunt mogelijk. In het verleden is reeds Uit de nadere toelichtingen blijkt dat de COK de vraag of sprake is van ‘een geheel’ heeft beoordeeld aan de hand van de materialisering en niet (meer) aan de hand van het bouwvolume, aangezien dat op een fout berustte. Ook blijkt uit deze toelichtingen dat zowel de gebruikte materialen van de uitbouw, als de vormgeving en kleur van het hekwerk voldoen aan de redelijke eisen van welstand. De rechtbank ziet in het rapport van [de persoon 1] geen aanleiding voor een ander oordeel. Het rapport leidt immers niet tot twijfel over de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies van de COK, de begrijpelijkheid van de redenering in het advies of de getrokken conclusies. Dat [de persoon 1] het niet eens is met de COK is onvoldoende voor dergelijke twijfel. De grootte van de aanbouw 18. Eiser voert aan dat de vergunde aanbouw groter is dan het bestemmingsplan toelaat. De aanbouw is namelijk 3,25 meter, terwijl het bestemmingsplan slechts een maximale diepte van 2,5 meter toestaat. Daarnaast heeft vergunninghouder deze aanbouw gesloopt en hoger teruggebouwd. 19. De rechtbank stelt vast dat op het perceel van vergunninghouder al een aanbouw van 3,25 meter diep was gebouwd. Deze aanbouw (en de eventuele sloop en herbouw ervan) maakt echter geen deel uit van de aanvraag van vergunninghouder. Aangezien het college alleen kan beslissen op wat is aangevraagd, valt deze aanbouw buiten deze procedure. Eiser kan op dit punt een handhavingsverzoek indienen bij het college, waarna het college de rechtmatigheid van de aanbouw kan onderzoeken. De te bouwen aanbouw van 2,5 meter is wél door vergunninghouder aangevraagd. Eiser heeft echter erkend dat de aangevraagde aanbouw van 2,5 meter op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. Het betoog slaagt dan ook niet. Privacy 20. Eiser voert vervolgens aan dat het project zijn privacy onevenredig aantast. Het dakterras op de uitbouw heeft namelijk een vergunde diepte van twee meter over de volledige breedte van de uitbouw. Er is direct zicht in de badkamer en de slaapkamer op de eerste verdieping van de [adres 1] . Daarnaast heeft het balkon op de tweede verdieping inkijk in de woonkamer en de keuken van de tweede verdieping van de [adres 1] . 21. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat de belangen van eiser niet onevenredig worden geschaad. De rechtbank overweegt hiertoe dat in een stedelijke omgeving een zekere beperking van de privacy door bouwplannen van anderen niet kan leiden tot de conclusie dat de privacy onevenredig wordt geschaad. In dit geval is de aantasting niet onevenredig, omdat er geen rechtstreekse inkijk is, maar zijdelings. Er is immers alleen inkijk als er vanaf een hoek van het balkon zijwaarts en naar achteren wordt gekeken. De beperking van de privacy is hiermee beperkt. Ook dit argument slaagt dan ook niet. Daglichttoetreding 22. Eiser voert tot slot aan dat er door de afwijkende diepte van de balkons minder daglicht in de belendende tuin valt en de zon eerder wegdraait van de woningen en de achtertuin. 23. Ook dit argument slaagt niet. Eiser heeft de gestelde afname van daglicht immers niet (met stukken) onderbouwd en daarmee evenmin dat de afname leidt tot een onaanvaardbare aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Conclusie en gevolgen 24. Gelet op rechtsoverweging 13, is het beroep gegrond. De rechtbank zal de beslissing op bezwaar vernietigen. Aangezien de overige argumenten van eiser niet slagen en het college in beroep alsnog voldoende heeft gemotiveerd dat het project niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, zal de rechtbank de rechtsgevolgen van de te vernietigen beslissing op bezwaar in stand laten. Dit betekent dat de verleende omgevingsvergunning in stand blijft. Aangezien het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Proceskosten 25. Eiser heeft de rechtbank verzocht het college te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten voor het advies van [de persoon 1]