Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2025-07-01
ECLI:NL:RBAMS:2025:11492
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/4300 uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs , verweerder (gemachtigde: mr. drs. E.H.A. van den Berg). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de weigering van verweerder om aan eiser de tegemoetkoming die in de plaats is gekomen van de studievoucher (tegemoetkoming studievoucher) toe te kennen. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de tegemoetkoming studievoucher terecht heeft geweigerd. Eiser krijgt dus geen gelijk . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Met een besluit van 3 maart 2025 heeft verweerder besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor de tegemoetkoming studievoucher. 2.1. Met het bestreden besluit van 13 juni 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder daarbij gebleven. 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. Het beroep is op 19 januari 2026 door een enkelvoudige kamer van de rechtbank op zitting behandeld. Aan deze zitting hebben deelgenomen: eiser, zijn zus [persoon] en de gemachtigde van verweerder. 2.4. Met een beslissing van 19 februari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak naar de meervoudige kamer verwezen. 2.5. Het beroep is op 20 april 2026 door de meervoudige kamer van de rechtbank op zitting behandeld. Aan deze zitting hebben deelgenomen: eiser, zijn zus [persoon] en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank 3. Het gaat in deze zaak om de tegemoetkoming die in de plaats is gekomen van de studievoucher. De studievoucher is in het leven geroepen met de invoering van het leenstelsel in 2015. In artikel 12.15 van de Wet Studiefinanciering 2000 (Wsf) is toen bepaald dat de eerste vier lichtingen studenten die onder dit nieuwe stelsel vielen (de vier studiejaren vanaf 1 september 2015) aanspraak konden maken op een studievoucher. Blijkens de memorie van toelichting bij de wetswijziging voor de invoering van het leenstelsel is de achtergrond daarvan dat studenten onder het leenstelsel zelf een groter deel van de kosten van hun opleiding in het hoger onderwijs gingen dragen. De opbrengsten van deze maatregel zouden worden ingezet om de kwaliteit van het hoger onderwijs te verbeteren. Omdat de eerste lichtingen studenten niet direct zouden kunnen profiteren van deze verbeteringen, is ervoor gekozen om die studenten een voucher te geven zodat ze die na hun studie zouden kunnen inzetten voor extra scholing. Een van de in artikel 12.15, tweede lid, van de Wsf genoemde voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen was dat de student tussen september 2015 en september 2019 voor het eerst studiefinanciering heeft ontvangen. Per 1 september 2023 is de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs van kracht geworden en is artikel 12.15 van de Wsf gewijzigd in die zin dat in plaats van de voucher een tegemoetkoming wordt ontvangen. De voorwaarden om in aanmerking te komen voor de tegemoetkoming zijn dezelfde als voor de voucher. In artikel 12.15, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wsf, staat de voorwaarde dat de student in één van de vier studiejaren vanaf 1 september 2015 voor het eerst studiefinanciering heeft ontvangen voor het volgen van een bacheloropleiding in het hoger onderwijs. 3.1. Eiser heeft tussen september 2018 en januari 2019 politicologie gestudeerd aan de [universiteit] . Vanaf september 2019 heeft eiser logistics management aan de [school] gestudeerd. In september 2019 ontving eiser voor het eerst studiefinanciering, in de vorm van een reisrecht, en tussen maart en juli 2021 in de vorm van een l De wetgever heeft aan het recht op de studievoucher de voorwaarde gekoppeld dat de student tussen september 2015 en september 2019 voor het eerst studiefinanciering heeft ontvangen. 4.6. Verweerder heeft de achtergrond van deze voorwaarde als volgt nader toegelicht: studenten die in de vier jaren na 2015 hun recht op studiefinanciering nog niet hebben aangesproken, hebben hun recht daarop nog niet verbruikt. Zij kunnen dus op een later moment, als de onderwijshervormingen en kwaliteitsverbeteringen in het onderwijs zijn doorgevoerd, hun studiefinancieringsrechten nog gebruiken. Hierin verschillen zij van studenten die in genoemde periode hun recht op studiefinanciering wel al hebben aangesproken. Bij deze studenten, die voor het eerst studiefinanciering hebben ontvangen in de eerste vier jaar van het leenstelsel, is de termijn dat zij aanspraak maken op studiefinanciering op dat moment al gaan lopen. Deze studenten zijn met de studievoucher tegemoetgekomen, omdat zij hiermee de mogelijkheid hebben om, ondanks hun aflopende studiefinancieringsrechten, financieel aantrekkelijk te studeren op een moment dat de kwaliteitsverbeteringen in het onderwijs zijn doorgevoerd. Deze toelichting op de ratio van de voorwaarde staat weliswaar, zoals eiser terecht aanvoert, niet in de wetsgeschiedenis. Verweerder heeft op de zitting echter voldoende overtuigend toegelicht dat de voorwaarde aldus strookt met het systeem van de Wsf en de gedachte achter de studievoucher. Het was kennelijk de bedoeling van de wetgever om de doelgroep van de studievoucher te beperken tot studenten die niet direct konden profiteren van de kwaliteitsverbeteringen in het onderwijs. In het licht van de hiervoor weergegeven context van de regeling, acht de rechtbank dat een legitiem doel. De wetgever heeft daarmee de aan hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid in algemene zin ook niet overschreden. De voorwaarde is dus niet evident van redelijke grond ontbloot en - voor zover al sprake is van vergelijkbare gevallen - strijdt dus ook niet met het Europese discriminatieverbod. Verweerder heeft de voorwaarde dan ook aan eiser mogen tegenwerpen. Het evenredigheidsbeginsel 4.7. Eiser vindt de voorwaarde willekeurig en niet gerechtvaardigd, omdat eiser de verbeteringen in het onderwijs mede mogelijk heeft gemaakt. Daarmee voldoet hij aan de bedoeling van de wetgever. Eiser is namelijk begonnen met studeren in de eerste vier jaar nadat de basisbeurs was afgeschaft. De overheid heeft geld bespaard omdat de basisbeurs niet aan eiser werd betaald en omdat eiser bovendien geen lening afsloot. 4.8. Voor zover eiser hiermee een beroep doet op het evenredigheidsbeginsel geldt het volgende. De voorwaarde is neergelegd in de Wsf, een wet in formele zin. Dat betekent dat het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet van toepassing is. Een dergelijke bepaling kan alleen buiten toepassing worden verklaard middels contra-legemtoepassing van het evenredigheidsbeginsel. Er moet dan sprake zijn van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, waarbij die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de wetgever de voorwaarde bewust en met een legitiem doel in de regeling opgenomen. Van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever is niet gebleken. Daarnaast merkt de rechtbank nog op dat verweerder terecht heeft aangevoerd dat toen de studievoucher in de Wsf werd opgenomen, al duidelijk was wat de voorwaarden waren om hiervoor in aanmerking te komen. De voorwaarden voor de studievoucher waren dus al bekend toen eiser begon met studeren, zodat hij hier rekening mee had kunnen houden. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser