Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2025-02-19
ECLI:NL:RBAMS:2025:11470
RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/750660 / HA ZA 24-521 Vonnis van 19 februari 2025 in de zaak van 1 STICHTING MONUMENT [locatie] , te [vestigingsplaats] ,2. [eiser] , te [woonplaats] , eisende partijen, hierna samen te noemen: de Stichting c.s. en afzonderlijk: de Stichting en [eiser] , advocaat: mr. T.C. Boer, tegen GEMEENTE AMSTERDAM , te Amsterdam, gedaagde partij, hierna te noemen: de gemeente, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 3 mei 2024, met producties; - de conclusie van antwoord, met producties; - het tussenvonnis van 21 augustus 2024, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald; - de mondelinge behandeling van 21 november 2024 met de daarin vermelde processtukken. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De zaak in het kort 2.1. In deze zaak is sprake van een langlopend VvE-geschil tussen de Stichting c.s. enerzijds en [naam 1] en [naam 2] (hierna tezamen: [naam 1] c.s. en afzonderlijk [naam 1] en [naam 2] ) anderzijds, waarbij zij verwikkeld zijn geraakt in meerdere gerechtelijke procedures. De Stichting c.s. stelt dat de gemeente zich hierin heeft gemengd en zich tegenover de Stichting c.s. partijdig en vooringenomen heeft opgesteld. In deze procedure vordert de Stichting c.s. een verklaring voor recht dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld en een verbod om zich in een civielrechtelijk geschil te mengen. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van onrechtmatig handelen en wijst de vorderingen af. 3 De feiten [locatie] 3.1. Het pand [locatie] bestaat uit vier appartementen. De Stichting is eigenaar van de appartementsrechten [adres 1] en [adres 2] te [vestigingsplaats] . Het appartement met adres [adres 1] werd tot 2022 bewoond door [eiser] , die tot mei 2019 bestuurder was van de Stichting. [eiser] is [functie 1] ( [functie 1] ) van de Stichting. 3.2. [naam 1] c.s. is eigenaar van het appartementsrecht [adres 3] . Hij woont inmiddels niet meer in dit appartement. 3.3. [naam 3] (hierna: [naam 3] ) was tot 1 december 2020 eigenaar van het appartementsrecht [adres 4] . Inmiddels heeft hij het appartementsrecht verkocht, waarbij hij de economische eigendom heeft geleverd aan Onroerendgoed Maatschappij Maaskroon B.V., gelieerd aan [eiser] , en de juridische eigendom aan de Stichting. 3.4. De Stichting en [naam 1] c.s. (en voorheen [naam 3] ) zijn lid van de Vereniging van Eigenaars [locatie] (hierna: de VvE). Binnen de VvE is onenigheid ontstaan over allerlei zaken waaronder de overkapping van een lichthof en de vraag of funderingsherstel nodig is. Dit heeft tot meerdere gerechtelijke procedures geleid. De overkapping 3.5. [naam 1] c.s. heeft op 18 oktober 2018 het college van burgemeester en wethouders van de gemeente verzocht om handhavend op treden tegen de verbouwing van het appartement [adres 1] . In dit verzoek heeft [naam 1] c.s. met betrekking tot het lichthof aan de gemeente geschreven: “Navraag bij uw inspecteur de heer [naam 4] leert dat de actuele situatie inderdaad niet is vergund en hij heeft ons verzocht dit handhavingsverzoek aan u te richten. Het blijkt dat het overkappen van de buitenruimte (patio) niet conform een vergunning heeft plaatsgevonden. ” 3.6. [naam 1] c.s. heeft het handhavingsverzoek op 1 maart 2019 weer ingetrokken. 3.7. Bij brief van 5 maart 2019 heeft [naam 4] (hierna: [naam 4] ), inspecteur Bouwtoezicht [stadsdeel] , de Stichting bericht dat de aangetroffen situatie niet legaal is. In de brief staat: “Er is naar aanleiding van een handhavingsverzoek geconstateerd dat de patio van uw woning, een origineel lichthof, is overdekt. U heeft aangegeven dat u de woning in de huidige staat, met overkapping, heeft aangekocht. Op de vergunning in het bouwarchief is de laatst vergunde toestand een patio die niet is overdekt. Wij wijzen u er op dat de huidige toestand niet de legale situatie is en u dient dit ofwel trachten te legaliseren met een aanvraag of terug te brengen in de oude staat (…) Er is geen beoordeling van de fundering waaruit blijkt dat vervanging/herstel noodzakelijk is. Ik mag niet meteen afwijzen, ik moet eerst vragen om dit alsnog aan te tonen.” 3.14. [naam 3] heeft naar aanleiding van deze e-mail een klacht ingediend bij de gemeente over [naam 5] . De gemeente heeft daarop [naam 5] van de zaak afgehaald en de behandeling van de aanvraag op naam gezet van een andere ambtenaar. 3.15. [naam 1] c.s. heeft de kantonrechter verzocht het besluit van 25 april 2019 (zie 3.11) te vernietigen. In een e-mail van 10 september 2019 heeft de advocaat van [naam 1] c.s. aan de kantonrechter onder meer het volgende geschreven: “Voorts deel ik u mee dat de heer [naam 6] (werkzaam bij de gemeente Amsterdam) bij de mondelinge behandeling d.d. 18 september 2019 aanwezig zal zijn. Indien U E.A. hem daartoe in de gelegenheid stelt, kan hij vanuit zijn hoedanigheid namens de gemeente verklaren dat de toegezonden informatie gewoonweg onjuist is, in die zin dat de informatie niet correspondeert met het daadwerkelijke standpunt van de gemeente in deze.” De Stichting c.s. heeft bezwaar gemaakt tegen de aanwezigheid van [naam 6] op de mondelinge behandeling. 3.16. De mondelinge behandeling van het verzoek heeft op 18 september 2019 plaatsgevonden. Bij beschikking van 3 oktober 2019 heeft de kantonrechter het verzoek van [naam 1] c.s. tot vernietiging van het besluit van de VvE toegewezen. Daartoe heeft de kantonrechter het volgende overwogen: “5. De kantonrechter is er niet van overtuigd geraakt dat het op grond van de op 25 april 2019 bekende feiten noodzakelijk was om funderingsherstel te doen plaatsvinden en daarvoor een omgevingsvergunning aan te vragen. Zolang de noodzaak van dat herstel niet objectief is vastgesteld, is er geen goede reden dat de VvE kosten zou maken ter voorbereiding daarvan. 6. Uit de overgelegde bewijsstukken blijkt dat aan de zijde van de overheid naast de gemeentelijke afdeling Bouw- en Woningtoezicht ook het Bureau Monumenten Amsterdam en de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied bij het onderhavige pand zijn betrokken. Er heeft ná de ALV van 25 april 2019 nader onderzoek plaatsgevonden waarbij deze diensten vertegenwoordigd waren. Dat heeft niet geleid tot een afkeuring van de fundering. (…) De gemeente adviseert dan ook niet dat voor het gehele pand funderingherstel zal plaatsvinden. De Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied heeft negatief geadviseerd met betrekking tot eventueel funderingsherstel van het pand. 7. Weliswaar heeft Duyts op 23 april 2019 aan [eiser] (…) geadviseerd de fundering te herstellen, maar de noodzaak daartoe wordt gemotiveerd weersproken in de rapportage van Fugro NL Land B.V. Alles bij elkaar was er op 25 april 2019 geen gegronde reden voor de VvE om te besluiten Duyts opdracht te geven om een omgevingsvergunning aan te vragen.” 3.17. Tegen deze beschikking is geen hoger beroep ingesteld. 3.18. Op enig moment heeft de Stichting c.s. de kantonrechter gevraagd om het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 september 2019 te verstrekken. Dat proces-verbaal is op 2 juni 2020 verzonden. Daarin staat: “Aan de zijde van verzoekers is verschenen de heer [naam 6] , die op vragen van de kantonrechter naar zijn betrokkenheid bij het onderhavige geschil heeft geantwoord: Deze zaak is door de burgemeester onder de aandacht gebracht. Mogelijk zijn nog andere zaken aan de orde. Ik ben deelgenoot van het geschil gemaakt, maar ik ben zelf nergens bij aanwezig geweest.(…) Van de zijde van verzoekers is aangevoerd: [naam 6] mag praten namens de gemeente en hij is hier in die hoedanigheid. [naam 6] heeft daarop gezegd: Gemeente heeft kennisgenomen van onderzoeken en vervolgvragen. Nu geen uitspraak over funderingsherstel. Omdat er rapporten ontbreken kunnen wij niet zeggen of het wel of niet nodig is.” 3.19. Op 8 mei 2020 heeft [naam 6] [eiser] gebeld met het verzoek om in overleg te treden. 3.20. Op 13 mei 2020 heeft de advocaat van de Stichting c.s. aan [naam 6] geschreven: “G heeft de gemeente in strijd gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en het verbod op vooringenomenheid. De Stichting c.s. haalt drie onrechtmatige gedragingen van de gemeente aan, namelijk: de gemeente heeft vooringenomen en onzorgvuldig gehandeld bij haar (handhavend) optreden over de overkapping van het lichthof; de gemeente heeft namelijk geen deugdelijk onderzoek gedaan en ten onrechte aan de Stichting de verplichting opgelegd om bij een eventuele verkoop van het appartement de koper te informeren over het handhavingsrisico; [naam 5] heeft zich bij de behandeling van de aanvraag van de omgevingsvergunning niet neutraal en objectief opgesteld; en de burgemeester en [naam 6] hebben vooringenomen en zonder wettelijke grondslag gehandeld. Als gevolg van het handelen van de gemeente heeft de Stichting c.s. schade geleden. Zo kan het funderingsherstel door de handelswijze van de gemeente pas later plaatsvinden waardoor de kosten voor funderingsherstel oplopen en is in het geval van verkoop sprake van een drukkend effect op de verkoopprijs. Ook heeft de Stichting c.s. kosten voor juridische bijstand moeten maken omdat zij door de gemeente is aangeschreven en heeft zij juridische kosten gemaakt om de onderste steen boven te krijgen. 4.3. De gemeente voert verweer. 5 De beoordeling De Stichting c.s. is ontvankelijk in haar vorderingen 5.1. De gemeente voert als meest verstrekkende verweer aan dat de Stichting c.s. niet-ontvankelijk is in haar vorderingen. Ten eerste voert de gemeente aan dat niet de Stichting c.s., maar de VvE de vorderingen had moeten instellen. Volgens haar is alleen de VvE bevoegd om hierover te procederen dan wel is zij de enige partij die daarbij belang heeft. Ten tweede is niet de civiele, maar de bestuursrechter bevoegd te beslissen over de rechtmatigheid van de overkapping van het lichthof. 5.2. Over de vraag wie de vorderingen bij de civiele rechter kan instellen, de Stichting c.s. of de VvE, overweegt de rechtbank als volgt. De Stichting is eigenaar van de appartementen [adres 1] , [adres 2] en [adres 4] . [eiser] is [functie 1] van de Stichting. De VvE is geen eigenaar van de overkapping, de fundering of de appartementen en kan, gelet daarop, ook geen schade lijden. Een vereniging van eigenaars staat naast de gemeenschap van appartementseigenaren. Zij komt daar niet voor in de plaats en valt daarmee ook niet samen. Anders dan de gemeente stelt, is niet van belang dat de VvE nog niet heeft besloten om kosten te maken voor het funderingsherstel. De Stichting c.s. stelt zich immers op het standpunt dat het funderingsherstel is vertraagd door de inmenging van [naam 6] in de procedure bij de kantonrechter. 5.3. Over de ontvankelijkheid van de vorderingen met betrekking tot de overkapping van het lichthof overweegt de rechtbank als volgt. In het vonnis van 16 december 2020 (zie 3.9) heeft de rechtbank geoordeeld dat niet de civiele rechter, maar de bestuursrechter moet oordelen over de rechtmatigheid van de overkapping. In de huidige procedure gaat het de Stichting c.s. echter niet zozeer om de rechtmatigheid van de overkapping van het lichthof, maar specifiek over de rechtmatigheid van de brief van 5 maart 2019 (zie 3.7). Die brief is geen besluit. Tegen deze feitelijke handeling van de gemeente staat dus geen administratieve rechtsgang open, zodat de Stichting c.s. ontvankelijk is in haar vorderingen. Toetsingskader onrechtmatig handelen door de gemeente 5.4. Het handelen van de gemeente wordt beoordeeld in het kader van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van artikel 3:14 BW mag een bevoegdheid die krachtens het burgerlijk recht aan een overheidslichaam toekomt, niet worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht. Tot de regels van publiekrecht behoren de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In artikel 2:4 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is vastgelegd dat een bestuu Die rol kon in dit geval bestaan uit het inschakelen van [naam 6] om te bemiddelen. De Stichting c.s. heeft op internet gevonden dat [naam 6] bij de afdeling [naam afdeling] ook werkzaam was als medewerker van de zogenoemde Treiteraanpak. De gemeente heeft echter gemotiveerd betwist dat [naam 6] in het kader van die Treiteraanpak is ingeschakeld, zodat dat niet vast staat. Ook in die zin is dus niet gebleken dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld. 5.9. De rechtbank onderkent dat het verstandiger was geweest als [naam 6] voorafgaande aan de mondelinge behandeling contact zou hebben opgenomen met de VvE en/of de Stichting c.s., ook als de rol van [naam 6] beperkt was tot toehoorder, zoals de gemeente stelt. Dit geldt te meer gelet op de aankondiging van advocaat van [naam 1] c.s. voorafgaande aan de mondelinge behandeling. De gemeente heeft er echter terecht op gewezen dat die aankondiging, waarbij ten onrechte de indruk wordt gewekt dat [naam 6] het standpunt van [naam 1] c.s. steunt, niet aan haar kan worden toegerekend. De gemeente stelt dat zij niet op de hoogte was van deze wijze van aankondiging. De Stichting c.s. heeft dit niet betwist. Dat [naam 6] in de procedure in 2019 kant heeft gekozen voor [naam 1] c.s. is dan ook niet gebleken. 5.10. Ook is het niet handig geweest dat [naam 6] een lange tijd heeft laten verstrijken na de mondelinge behandeling in september 2019 voordat hij in mei 2020 contact heeft opgenomen met [eiser] . Het is al met al denkbaar dat het handelen van [naam 6] bij de Stichting c.s. vragen heeft opgeroepen. Dat hij het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden, is echter niet gebleken; hij heeft in het voorjaar van 2020 juist contact gezocht met [eiser] , maar daar geen gehoor gevonden. 5.11. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de gemeente op deze punten niet onrechtmatig heeft gehandeld. Uit het optreden van [naam 6] valt geen vooringenomenheid of schijn daarvan te ontdekken. 5.12. Met betrekking tot de uitspraken van [naam 6] op de mondelinge behandeling van 18 september 2019 is niet gebleken dat er causaal verband bestaat tussen zijn optreden en de door de Stichting c.s. gestelde schade. Dat de aanwezigheid van [naam 6] enige invloed heeft gehad op de beslissing van de kantonrechter is namelijk niet gebleken. In het proces-verbaal staat opgenomen dat [naam 6] heeft gezegd: “ Nu geen uitspraak over funderingsherstel. Omdat er rapporten ontbreken kunnen wij niet zeggen of het wel of niet nodig is. ” (zie 3.18). Uit de motivering van de beslissing van de kantonrechter van 3 oktober 2019 blijkt dat zij zelf kennis heeft genomen van de rapporten en dat zij heeft geconcludeerd dat het niet noodzakelijk was om funderingsherstel te doen plaatsvinden en daarvoor een omgevingsvergunning aan te vragen (zie 3.16). Bovendien is meermaals (voor en na 3 oktober 2019) in gerechtelijke procedures waar [naam 6] niet bij betrokken was het oordeel geveld dat de noodzaak van funderingsherstel niet is aangetoond (zie 3.15 en 3.22). 5.13. Ten overvloede merkt de rechtbank het volgende op. Het verwijt van de Stichting c.s. aan [naam 5] ziet op een niet neutrale en partijdige opstelling, die zou blijken uit de toon en inhoud van zijn e-mail aan [naam 1] van 7 mei 2019 (zie 3.13). Wat hiervan ook zij, [naam 5] heeft geen enkele inhoudelijke beslissing genomen die het verloop van het geschil heeft beïnvloed. Bovendien heeft de gemeente hem na een klacht van [naam 3] meteen van de zaak gehaald en heeft zij de zaak door een andere ambtenaar laten behandelen. Dat laat juist zien dat de gemeente elke schijn van belangenverstrengeling heeft willen vermijden. Conclusie: de vorderingen worden afgewezen, de Stichting c.s. moet de proceskosten van de gemeente betalen 5.14. Omdat niet is komen vast te staan dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld, en ook niet is gebleken dat de gemeente onrechtmatig dreigt te gaan handelen jegens de Stichting c.s., worden de vorderingen afgewezen. 5.15. De Stichting c.s.