Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-12-16
ECLI:NL:RBAMS:2025:11447
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,023 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2025:11447 text/xml public 2026-05-13T10:42:26 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2025-12-16 13/196336-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Amsterdam Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:11447 text/html public 2026-05-13T09:48:36 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2025:11447 Rechtbank Amsterdam , 16-12-2025 / 13/196336-25 Wapenbezit (art. 26 WWM). ASR. Werkstraf van 180 uur met aftrek van voorarrest + Voorwaardelijke jeugddetentie van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarden meldplicht, ambulante behandeling, dagbesteding en middelencontrole. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Strafrecht Parketnummers: 13/196336-25 (A) + 13/260593-25 (B) Parketnummer vordering tul: 13/149931-24 Datum uitspraak: 16 december 2025 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2005 in [geboorteplaats] , ingeschreven en wonende op het adres [adres 1] . 1 Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 december 2025. De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna respectievelijk zaak A en zaak B genoemd. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen van de officier van justitie mr. J.H. de Krijger en van wat de verdachte en zijn raadsman mr. R.J.A. van den Munckhof naar voren hebben gebracht. 2 Tenlastelegging Aan de verdachte is in zaak A en zaak B respectievelijk ten laste gelegd dat - hij op of omstreeks 27 juni 2025 te Diemen een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool (vuurwapen), van het merk Zoraki, type 914-TD-auto, kaliber 9 mm P.A.K. zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren voorhanden heeft gehad; - hij op of omstreeks 3 oktober 2025 te Amsterdam, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, van het merk Smith & Wesson, model S&W.SPL., kaliber .38 Special zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad. 3 Waardering van het bewijs De rechtbank heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de hieronder genoemde bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat de verdachte de hem in zaak A en zaak B ten gelegde feiten heeft begaan zoals hierna bij de bewezenverklaring staat weergegeven. Bewijsmiddelen: De bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter zitting van 16 december 2025; Het proces-verbaal van bevindingen van 27 juni 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , pagina Z1 tot en met Z5 van het dossier in zaak A; 3. Het proces-verbaal van wapenonderzoek van 27 juni 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2] , brigadier van politie Eenheid Amsterdam, werkzaam als forensisch onderzoeker bij Forensische Opsporing en Bureau Wapens, Munitie en Explosieven en deskundige in opleiding op het gebied van de werking en herkenning van vuurwapens, pagina Z6 tot en met Z10 van het dossier in zaak A; 4. Het proces-verbaal van bevindingen van 3 oktober 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , pagina 001 tot en met 013 van het dossier in zaak B; 5. Het proces-verbaal van wapenonderzoek van 3 oktober 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2] , brigadier van politie Eenheid Amsterdam, werkzaam als forensisch onderzoeker bij Forensische Opsporing en Bureau Wapens, Munitie en Explosieven en deskundige in opleiding op het gebied van de werking en herkenning van vuurwapens, pagina 017 tot en met 020 van het dossier in zaak B; De rechtbank stelt vast dat de verdachte duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend zich schuldig te hebben gemaakt aan de feiten zoals hierna bewezen verklaard. De verdachte heeft daarna niet anders verklaard en de verdediging heeft geen vrijspraak bepleit. Op grond van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt daarom volstaan met een opgave van de gebruikte bewijsmiddelen. 4 Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte de in zaak A en zaak B ten laste gelegde feiten heeft begaan met dien verstande dat A. hij op 27 juni 2025 te Diemen een wapen van categorie II, onder 2, van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool (vuurwapen) van het merk Zoraki, type 914-TD-auto, kaliber 9 mm P.A.K., zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren, voorhanden heeft gehad; hij op 3 oktober 2025 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1, van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen van het merk Smith & Wesson, model S&W.SPL., kaliber .38 Special, zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver, voorhanden heeft gehad. 5 De strafbaarheid van de feiten De bewezen verklaarde feiten leveren volgens de wet respectievelijk de volgende strafbare feiten op: A. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 2°; handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6 De strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar. 7 Motivering van de straffen De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hoewel in het reclasseringsrapport van 27 november 2025 wordt geadviseerd de verdachte conform het jeugdstrafrecht te sanctioneren, het volwassenstrafrecht dient te worden toegepast. De officier van justitie heeft hiervoor aangevoerd dat zij onvoldoende aanknopingspunten voor toepassing van het jeugdstrafrecht ziet en dat de reclassering ook zelf in een voor een andere strafzaak opgesteld rapport van 17 juli 2024 toepassing van het volwassenstrafrecht heeft geadviseerd. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van honderdtachtig uur met aftrek van voorarrest, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet (naar behoren) verricht (heeft) dat vervangende hechtenis wordt toegepast van negentig dagen en voorts tot een gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft in zaak A verzocht bij het opleggen van een straf voor het bezit van het gaspistool aansluiting te zoeken bij de straffen die worden opgelegd voor het bezit van een normaal pistool zonder automatische functie aangezien de automatische functie op een gaspistool geen toegevoegde waarde heeft en dus niet een ernstiger misdrijf oplevert dan het bezit van een pistool zonder die functie. De raadsman heeft verder aangevoerd dat in het voordeel van de verdachte pleit dat hij geen antecedenten op het gebied van de Wet wapens en munitie heeft, het wapen niet geladen was, de verdachte geen munitie bij zich had en er bij hem thuis ook geen munitie aangetroffen is en ten slotte dat toen de verdachte staande gehouden werd, hij het wapen nog maar net onder zich had. In zaak B heeft de raadsman aangevoerd dat in het voordeel van de verdachte pleit dat hij geen munitie bij zich droeg en er bij hem thuis ook geen munitie is aangetroffen. De raadsman heeft verzocht het jeugdstrafrecht toe te passen en de verdachte een geheel voorwaardelijke jeugddetentie met aftrek van voorarrest op te leggen. Hij heeft hiervoor aangevoerd dat onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming ertoe zou leiden dat de verdachte zijn baan en inkomen verliest.
Volledig
De reclassering ziet voortzetting van het huidige toezicht als noodzakelijke voorwaarde om de verdachte te beschermen tegen afglijden. De verdachte heeft zich akkoord verklaard alle voorwaarden na te leven, aldus de raadsman. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank past het jeugdstrafrecht toe en veroordeelt de verdachte tot een taakstraf die bestaat uit een werkstraf van 180 uur met aftrek van voorarrest. Zij veroordeelt de verdachte voorts tot een voorwaardelijke jeugddetentie van drie maanden met een proeftijd van twee jaar en verbindt daar de bijzondere voorwaarden aan die de reclassering heeft geadviseerd (meldplicht, ambulante behandeling, dagbesteding en middelencontrole). Deze straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende laten meewegen. Aard en ernst van de feiten en omstandigheden De verdachte heeft op 27 juni 2025 een gaspistool en op 3 oktober 2025 een revolver voorhanden gehad. Wapenbezit leidt maar al te vaak tot het gebruik daarvan. Het ongecontroleerde bezit van wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Bovendien is het bezit van vuurwapens in Amsterdam een groot maatschappelijk probleem. Tegen dergelijke feiten wordt daarom streng opgetreden. De rechtbank laat in het nadeel van de verdachte meewegen dat nadat de rechter-commissaris de voorlopige hechtenis van de verdachte in zaak A had geschorst, de verdachte een paar maanden later opnieuw in het bezit was van een vuurwapen; zaak B. Zij laat voorts in het nadeel van de verdachte meewegen dat hij zich eerder heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten, zoals blijkt uit zijn strafblad. Toepassing van het jeugdstrafrecht De verdachte was ten tijde van het plegen van de strafbare feiten twintig jaar oud en dus meerderjarig. Voor een jongvolwassen verdachte onder de drieëntwintig jaar oud kan het jeugdstrafrecht worden toegepast als de persoon van verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd daartoe aanleiding geven. De reclassering heeft in haar adviesrapport van 27 november 2025, opgesteld door [reclasseringswerker] , geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen met een begeleidingstraject bij de volwassenreclassering (waarvan in het kader van een eerdere veroordeling en de schorsing van de voorlopige hechtenis in zaak A reeds sprake is) en dat advies als volgt onderbouwd. Er is bij de verdachte, die geruime tijd onder toezicht staat, sprake van beperkte handelingsvaardigen en van een beneden gemiddelde intelligentie. De verdachte kan worden overschat. Hij maakt een jeugdige indruk, is niet altijd in staat de gevolgen van zijn handelen te overzien en laat impulsief en beïnvloedbaar gedrag zien. Er zijn voldoende mogelijkheden voor pedagogische beïnvloeding. De verdachte woont bij zijn moeder, van wie hij nog van afhankelijk is. Hij luistert naar haar en zij kan nog invloed op hem uitoefenen. Er zijn enkele contra-indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht; de verdachte is de afgelopen twee jaar meerdere keren veroordeeld voor strafbare feiten, heeft antisociale contacten en heeft in een van de zaken zelf het wapen aangeschaft en lijkt dus enigszins bewust delicten te plegen. Een ontwikkelingsgerichte en pedagogische benadering past evenwel beter bij de verdachte zijn belevingswereld. Hoewel de reclassering in een adviesrapport van 17 juli 2024, dat is opgesteld in een andere strafzaak, toepassing van het volwassenstrafrecht heeft geadviseerd, heeft de reclassering in het in onderhavige strafzaak opgestelde adviesrapport aangegeven af te wijken van dit eerdere advies omdat nu een beter beeld is verkregen van de verdachte doordat hij geruime tijd onder toezicht heeft gestaan. De rechtbank onderschrijft het advies van de reclassering en maakt de conclusies uit het adviesrapport van 27 november 2025 tot de hare. De rechtbank past daarom het jeugdstrafrecht toe. LOVS-oriëntatiepunten De rechtbank heeft als uitgangspunt voor een straf gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting die strafrechters met elkaar hebben afgesproken, de zogenoemde LOVS-oriëntatiepunten Als uitgangspunt voor een straf voor jeugdigen voor het voorhanden hebben van een vuurwapen geldt een jeugddetentie van zes weken of meer. De verdachte had een gaspistool en een revolver voorhanden. Een (onvoorwaardelijke) jeugddetentie van (minimaal) drie maanden is dan ook het uitgangspunt. De persoon van de verdachte De reclassering heeft in haar hiervoor genoemde rapport van 27 november 2025 onder meer het volgende over de verdachte gerapporteerd. Er is bij de verdachte sprake van een beginnend delictpatroon. Negatieve beïnvloeding vanuit verdachtes netwerk/loyaliteit, zijn impulsiviteit en een pro-criminele houding lijken ten grondslag te hebben gelegen aan zijn delictgedrag. Er zijn voornamelijk risicofactoren voor recidive geconstateerd op het gebied van sociaal netwerk, psychosociaal functioneren, houding en mogelijk middelengebruik. De verdachte heeft een beneden gemiddelde intelligentie en er is bij hem sprake van agressieproblematiek. Hij laat een nonchalante houding zien en had moeite om voor langere periode een baan vast te houden, waar zijn dagelijkse softdrugsgebruik mogelijk op van invloed is. Hij begaf zich veelal op straat onder andere met antisociale contacten van wie hij het delinquent gedrag kennelijk niet afkeurt. Hij lijkt niet stilgestaan te hebben bij de eventuele negatieve gevolgen en risico’s van zijn gedrag. Positief is dat de verdachte zijn leven grotendeels op orde heeft; hij heeft werk, een inkomen en stabiele huisvesting. Zijn moeder is een belangrijke steunbron en er zijn geen problematische schulden. Er kan echter niet worden gesproken van voldoende beschermende factoren, aangezien deze omstandigheden niet hebben kunnen voorkomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. De verdachte werkt al mee aan begeleiding vanuit de reclassering. Hij is/wordt aangemeld voor een behandeling voor het voorkomen van het plegen van strafbare feiten (delictpreventie) bij het Forensische Jeugdteam van Inforsa. Er is ingezet op middelencontrole. Om het risico op recidive terug te dringen, is het noodzakelijk dat het reclasseringstoezicht voortgezet wordt. Er moet op worden toegezien dat de verdachte stabiliteit op het gebied van dagbesteding behoudt. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, het vinden en behouden van dagbesteding en verplichte medewerking aan middelencontrole. Avondklok De rechtbank laat in het voordeel van de verdachte meewegen dat hij zich vanaf 6 oktober 2025 in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis aan een avondklok heeft moeten houden en tussen 19.00 en 07.00 uur thuis moest zijn. De verdachte lijkt zich goed aan deze voorwaarde te hebben gehouden. Vormverzuim? De raadsman heeft opgemerkt dat uit het dossier niet blijkt dat er toestemming is verleend voor de doorzoeking van de telefoon van de verdachte, dat dit een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering oplevert en dat dit tot strafvermindering zou moeten leiden. De officier van justitie heeft ter zitting meegedeeld dat de stukken waaruit blijkt dat de rechter-commissaris toestemming heeft gegeven voor het bekijken van de inhoud van de telefoon van de verdachte abusievelijk niet aan het dossier zijn toegevoegd en dat dit alsnog zou kunnen worden gedaan. De rechtbank overweegt dat artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering uitsluitend betrekking heeft op onherstelbare vormverzuimen. Ingeval het vormverzuim is hersteld of alsnog kan worden hersteld, is deze bepaling niet van toepassing. Aangezien dat laatste het geval is, komt de rechtbank niet toe aan het verzoek tot strafvermindering. Conclusie De rechtbank heeft alles tegen elkaar afgewogen.
Volledig
Aan de ene kant de ernst van de feiten die in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie rechtvaardigen, het strafblad van de verdachte en de omstandigheid dat de verdachte een vuurwapen heeft gekocht terwijl in een andere zaak waarin hij werd beschuldigd van wapenbezit zijn voorlopige hechtenis was geschorst. Aan de andere kant de persoon van de verdachte zoals die onder meer uit het reclasseringsrapport naar voren komt, in het bijzonder dat hij nu een betaalde baan heeft, en dat hij zich ruim twee maanden aan een avondklok heeft moeten houden. De rechtbank is van oordeel dat een taakstraf (werkstraf) van honderdtachtig uur met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke jeugddetentie van drie maanden met de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd, passend en geboden is. De verdachte is op dit moment, met steun van zijn moeder en onder toezicht van de reclassering, goed bezig. Hij heeft een zinvolle dagbesteding en krijgt de hulp die hij nodig heeft. Een onvoorwaardelijke jeugddetentie zou deze positieve ontwikkeling doorkruisen. 8 Opheffen – geschorste – bevelen tot voorlopige hechtenis Aangezien de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis omdat hij een voorwaardelijke jeugddetentie en een taakstraf krijgt opgelegd, worden de – geschorste – bevelen tot voorlopige hechtenis opgeheven. 9 In beslag genomen voorwerpen Onder de verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen: een gaspistool; een revolver; hasjiesj. Aangezien met betrekking tot de wapens de bewezen verklaarde feiten zijn begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer. De verdachte heeft ter zitting afstand gedaan van de in beslag genomen hasjiesj. De rechtbank zal daarom daarover geen beslissing nemen. 10 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 25 juli 2024 de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van tachtig uur subsidiair veertig dagen vervangende hechtenis met aftrek van voorarrest waarvan veertig uur subsidiair twintig dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De voorwaarde die bij een voorwaardelijke straf geldt, is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit maakt. De officier van justitie heeft een vordering tot tenuitvoerlegging van deze aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde straf ingediend omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. De officier van justitie heeft ter zitting gevorderd dat de vordering wordt toegewezen. De raadsman heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd. De rechtbank stelt vast dat de verdachte voor het einde van de proeftijd zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Er is geen reden om de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer te leggen, integendeel het moet de verdachte duidelijk zijn dat als hem een kans wordt geboden hij die moet grijpen en als hij dat niet doet dat daar dan consequenties aan worden verbonden. De vordering tot tenuitvoerlegging wordt dan ook toegewezen. Aangezien de rechtbank in de strafzaken het jeugdstrafrecht toepast en de verdachte een taakstraf bestaande uit een werkstraf oplegt, beveelt zij dat de eerder opgelegde (voorwaardelijke) taakstraf ook als werkstraf moet worden tenuitvoergelegd en dat als de verdachte dat niet (naar behoren) doet, vervangende jeugddetentie wordt toegepast. 11 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 77a, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 77gg van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. 12 Beslissing De rechtbank Bewezenverklaring - verklaart bewezen dat de verdachte de in zaak A en zaak B ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld; - verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid - stelt vast dat dat de bewezen verklaarde feiten volgens de wet onderscheidenlijk de volgende strafbare feiten opleveren: A. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 2°; handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III. - verklaart het bewezene strafbaar; - verklaart de verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar; Straffen - veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 180 (honderd tachtig) uur; - beveelt dat de dagen die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis zijn doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van deze straf in mindering gebracht wordt naar de maatstaf van 2 (twee) uur per dag; - beveelt voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet (naar behoren) verricht (heeft), dat vervangende jeugddetentie van 3 (drie) maanden wordt toegepast; - veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie van 3 (drie) maanden; - bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer gelegd wordt, tenzij later anders wordt bevolen; - stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast; - bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit; - bepaalt dat tenuitvoerlegging ook kan worden bevolen als de verdachte gedurende de proeftijd niet aan (een van) de hierna vermelde bijzondere en algemene voorwaarden voldoet of heeft voldaan; - stelt als bijzondere voorwaarden: Meldplicht bij reclassering De verdachte meldt zich bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] . Hij moet zich blijven melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Ambulante behandeling De verdachte laat zich behandelen door het Forensische Jeugdteam van Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra er plek is en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Als de zorgverlener dat nodig vindt, kan – gelet op de problematiek – hieronder ook het innemen van medicijnen vallen. Dagbesteding De verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag. Middelencontrole De verdachte werkt mee aan controle van het gebruik van drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd. - merkt op dat van rechtswege als voorwaarden gelden dat de verdachte gedurende de proeftijd Vaststellen van identiteit ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; Medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht. - geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.