Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-12-31
ECLI:NL:RBAMS:2025:11414
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
11,391 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2025:11414 text/xml public 2026-03-31T13:05:51 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2025-12-31 13/050374-25 en 13/178195-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:11414 text/html public 2026-03-31T13:04:24 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2025:11414 Rechtbank Amsterdam , 31-12-2025 / 13/050374-25 en 13/178195-25 Jeugdstrafrecht. Verdachte wordt veroordeeld voor het plegen van een gewelddadige straatroof en voor het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing bij een café. Aan verdachte wordt opgelegd een jeugddetentie voor de duur van 180 dagen, waarvan 83 dagen voorwaardelijk en een werkstraf voor de duur van 80 uren. De vorderingen van de benadeelde partijen worden gedeeltelijk toegewezen. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Team Familie & Jeugd Parketnummers: 13.050374.25 (zaak A) en 13.178195.25 (zaak B) Datum uitspraak: 31 december 2025 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaken tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2008 te [geboorteplaats] , inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [BRP adres] . 1 Onderzoek ter terechtzitting De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 18 december 2025. De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, ter zitting gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B. Grünfeld en van wat verdachte en zijn raadsman mr. R. Pothast naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [medewerker Raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [medewerker JBRA] , namens de Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA), [IFA coach] als IFA-coach namens Levvel en de moeder naar voren is gebracht. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door [naam] namens de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , mr. J.L. L’Homme namens de benadeelde partij [benadeelde partij 2] en door de benadeelde partijen [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] naar voren is gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan: Zaak A diefstal met geweld in vereniging van een pet, twee jassen, een tas, meerdere opladers, Airpods, een bril en een of meerdere pasjes toebehorend aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] op 19 december 2024 te Amsterdam, door een vuurwapen te tonen en hierbij te zeggen: “doe je jas uit” en/of “geef je spullen anders schieten we”, [benadeelde partij 1] tegen het hoofd danwel het lichaam te slaan en te trappen, [benadeelde partij 1] met het vuurwapen tegen het hoofd te slaan, het hoofd van [benadeelde partij 1] tegen de bushalte te duwen en [benadeelde partij 2] in het gezicht te slaan; Zaak B ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: medeplegen van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing en/of brandstichting op 9 juni 2025 te Amsterdam in de directe nabijheid van [café] , gelegen aan [straat] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar, dan wel zwaar lichamelijk letsel te duchten was; ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: medeplegen van het voorhanden hebben van een wapen als bedoeld in categorie II onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een Vuurwerk Brandstof Combinatie, op 9 juni 2025 te Amsterdam. De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en gelden als hier ingevoegd. 3 Voorvragen De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 Waardering van het bewijs Zaak A Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. In de twee aangiftes van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] wordt gesproken over één groep, waarbij alle jongens geweldshandelingen hebben uitgevoerd. Deze aangiftes worden ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige] , die ook spreekt over een groep van vijf of zes jongens. De voornoemde verklaringen worden ondersteund door de beelden. Te zien is dat vier jongens, waar verdachte onderdeel van uitmaakt, na de diefstal opsplitsen in twee groepjes, die beiden spullen van de aangevers bij zich hebben. Tot slot heeft het broertje van verdachte verklaard dat van te voren gesproken is over het plan dat de jongens overvallen zouden worden. Er is sprake van medeplegen omdat verdachte de groep heeft ondersteund. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken. Hoewel verdachte er bij was, ontkent hij iets te hebben gedaan. Uit de aangiften blijkt dat de aangevers niet precies weten wie hen heeft geslagen. Ook de getuige [getuige] geeft slechts een algemene omschrijving en spreekt over een groep. Er is onvoldoende bewijs in het dossier om te komen tot een nauwe en bewuste samenwerking. Dat verdachte erbij heeft gestaan, maakt niet direct dat er sprake is van samenwerken. Verdachte wist niet dat er een beroving plaats ging vinden en heeft daarbij geen significante bijdrage geleverd. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank leidt uit het dossier af dat er op 19 december 2024 een diefstal met geweld en onder bedreiging van een vuurwapen heeft plaatsgevonden. [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben hierbij alle goederen zoals ten laste is gelegd moeten afgeven en zijn hierbij beiden geslagen en/of geschopt. Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte onderdeel was van de groep jongens die deze diefstal met geweld en bedreiging met geweld heeft gepleegd. Uit de camerabeelden blijkt dat verdachte vanaf het moment dat de groep zich in [fastfoodketen] verzamelde deel uitmaakte van deze groep. Hoewel niet kan worden vastgesteld dat verdachte van te voren op de hoogte was van het plan om de jongens te overvallen, zoals door het broertje van verdachte is verklaard, wist verdachte wel dat er een ruzie was tussen één van de jongens uit zijn groep en de latere slachtoffers. Verdachte is vervolgens meegegaan met de groep in de aanvalsbeweging richting de slachtoffers. Hij heeft de groep met jongens hiermee getalsmatig versterkt. Dat sprake was van één groep, die op de slachtoffers afgingen, wordt bevestigd door de verklaring van aangever [getuige] . Zij spreekt over een groep van vijf of zes jongens. Ook aangevers [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] spreken over één groep jongens. Hoewel uit het dossier niet concreet blijkt wie welke geweldshandeling heeft verricht, denken de slachtoffers beiden dat iedereen uit de groep hen heeft geslagen. [benadeelde partij 2] geeft in ieder geval aan dat door alle jongens druk op hen werd uitgeoefend. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij dichtbij stond. Verdachte heeft gezien dat zijn broertje één van de slachtoffers sloeg en heeft gehoord dat er werd gezegd dat een van de slachtoffers zijn jas uit moest doen. Op de beelden is vervolgens te zien dat een groep van vier jongens, waar verdachte onderdeel van uitmaakte, zich opsplitst in twee groepjes van twee. Door de verbalisanten wordt gezien dat de beide groepjes spullen in hun handen hebben. Deze spullen lijken op jassen. De rechtbank vindt, net als de officier van justitie, dat het ten laste gelegde op basis van al het voorgaande wettig en overtuigend kan worden bewezen. Er is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking. De rechtbank vindt het daarbij niet relevant dat niet vastgesteld kan worden dat verdachte daadwerkelijk een geweldshandeling richting de slachtoffers heeft verricht. Verdachte was onderdeel van de groep, die op een later moment weglopen met de spullen van de slachtoffers.
Volledig
Verdachte heeft zich dan ook schuldig gemaakt aan het diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door meer verenigde personen. Zaak B ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, terwijl daar gemeen gevaar voor dat pand, goederen en levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen. De raadsman heeft bepleit dat er geen sprake is geweest van levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen, omdat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om het bewijs voor dit onderdeel te kunnen aannemen. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen van oordeel dat het ten laste gelegde, het opzettelijk een ontploffing teweegbrengen bij [café] te Amsterdam, waarvoor gevaar voor dat pand en goederen te duchten was, wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte heeft dit feit bekend zijn verklaring vindt steun in de overige bewijsmiddelen. De rechtbank is anders dan de raadsman en met de officier van justitie van oordeel dat het dossier voldoende aanknopingspunten bevat voor het oordeel dat door de ontploffing gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was, aangezien deze gevaren door het handelen van de verdachte naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Hoewel er geen uitgebreid technisch onderzoek in het dossier aanwezig is over de gevaarzetting van de explosie, blijkt uit de bewijsmiddelen het volgende. Op de beelden is waargenomen dat er om 03:41:16 uur vuur op een voorwerp oplicht dat door verdachte voor [café] is geplaatst. Hierna worden het vuur en de vonken steeds groter en om 03:41:32 uur is een heftige explosie te zien. Kort na de explosie zijn hoge vlammen bij de voorgevel van [café] te zien. Om 03:44:52 uur, slechts drie minuten later, komen twee personen uit de portiek van de naastgelegen woning. Daarnaast stond er een voertuig met daarin een persoon op enkele meters afstand van de explosie. Gelet op deze omstandigheden heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank daarmee de aanmerkelijke kans aanvaard dat iemand als gevolg van het ter ontploffing brengen van de vuurwerk brandstof combinatie een persoon zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Er was immers een persoon in een auto op straat en er waren personen in de naastgelegen panden aanwezig. Zij hadden door de ontploffing geraakt kunnen worden. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om aan te nemen dat door de ontploffing levensgevaar te duchten was. Het technisch onderzoek over de gevaarzetting is voor het aannemen van levensgevaar te beperkt. De rechtbank spreekt verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging partieel vrij. ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd. De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen, omdat verdachte het feit heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen. 5 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in vervatte bewijsmiddelen bewezen dat Zaak A hij op 19 december 2024 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen - een pet (merk: Gucci) en - een jas (merk: Moncler) en - een jas (merk: Stone Island) en - een tas (merk: Bottega Veneta) en - een of meerdere opladers en - Airpods en - een bril (merk: Cartier) en - een of meerdere pasjes, die aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken door: - [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] een vuurwapen te tonen en - hierbij de woorden toe te voegen: "doe je jas uit" en "geef je spullen, en anders schieten we" en - [benadeelde partij 1] meermalen tegen het hoofd te slaan en - [benadeelde partij 1] meermalen tegen het lichaam te trappen en - [benadeelde partij 1] met een vuurwapen tegen het hoofd te slaan en - het hoofd van [benadeelde partij 1] tegen de bushalte te duwen en - [benadeelde partij 2] in het gezicht te slaan en - de jas en bril en tas van voornoemde [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] af te pakken; Zaak B ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: hij op 9 juni 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en brand heeft gesticht in de directe nabijheid van [café] , gelegen aan [straat] door: - een fles gevuld met een brandbare vloeistof en vuurwerk voor het pand te plaatsen en - de brandbare vloeistof aan te steken en vuurwerk in de nabijheid van die brandbare stof te brengen en - in de nabijheid van het pand aan te steken en af te laten gaan, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten voor omringende auto's en voornoemd pand en omringende panden en - gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten bewoners van voornoemd adres en omwonenden en in de nabijheid bevindende personen, te duchten was; ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: hij op 9 juni 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten Vuurwerk Brandstof Combinatie, zijnde een of meerdere voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6 Bewijs De rechtbank grondt haar beslissing dat de verdachte het bewezen geachte heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht. 7 Strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 8 Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 9 Motivering van de straffen en maatregelen De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een jeugddetentie voor de duur van 180 dagen wordt opgelegd, met aftrek van het voorarrest, waarvan 83 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan het voorwaardelijke gedeelte van de straf, naast de algemene voorwaarde, de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd, inclusief een avondklok en een contactverbod met de medeverdachten en met de slachtoffers [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] . De officier van justitie vordert de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden. Tot slot vordert de officier van justitie een werkstraf van 100 uren, subsidiair een vervangende jeugddetentie van 50 dagen. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft ten aanzien van zaak A verzocht om rekening te houden met de ondergeschikte rol van verdachte. Ten aanzien van zaak B heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de samenloop van de feiten.
Volledig
Verder heeft de raadsman naar voren gebracht dat de schorsing van de voorlopige hechtenis verlopen is met hobbels, mede doordat verdachte niet de hulp heeft gekregen die hij nodig heeft. De raadsman heeft verzocht om geen straf op te leggen die de duur van de voorlopige hechtenis te boven gaat. Het oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de straf laat de rechtbank zich leiden door de persoon van de verdachte zoals die naar voren komt in de nagenoemde rapportages en hetgeen de deskundigen ter zitting hebben verklaard, alsmede de ernst van het bewezen geachte en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewelddadige straatroof. Nadat de slachtoffers hadden gegeten bij [fastfoodketen] werden zij door verdachte en medeverdachte achterna gezeten. Zij zijn vervolgens met geweld en onder bedreiging van een vuurwapen beroofd van onder andere hun jas en tas. Dit is een zeer ernstig feit waarbij op grove wijze inbreuk is gemaakt op de eigendommen van de slachtoffers. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort misdrijven zich nog lang onveilig voelen en daardoor beperkt worden in hun doen en laten. Dit blijkt ook uit de verklaringen van de slachtoffers die namens hen ter zitting zijn voorgehouden. Bovendien veroorzaken feiten waarbij op straat openlijk met een pistool wordt gedreigd, ook gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De verdachten hebben daarvoor geen oog gehad en hun eigen belang bij het verkrijgen van deze goederen vooropgesteld. De rechtbank is zich er van bewust dat verdachte een kleiner aandeel heeft gehad ten aanzien van het geweld dan zijn medeverdachten. Verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing bij [café] . Deze ontploffing heeft geleid tot een brand met hoge vlammen. Hoewel deze feiten niet aan verdachte ten laste zijn gelegd, was [café] op 2 en 6 juni 2025 ook al het doelwit van twee ontploffingen. De impact van deze gebeurtenissen op het leven van de slachtoffers is enorm, zo blijkt ook uit hetgeen zij ter terechtzitting naar voren hebben gebracht. Naast het feit dat de ontploffing voor veel materiële schade heeft gezorgd, zijn de gevolgen voor de eigenaren nog veel groter. [café] heeft in verband met de openbare orde en veiligheid op last van de burgemeester moeten sluiten. De eigenaren verkeren hierdoor momenteel in ernstige onzekerheid over het voorbestaan van het Café en zijn bang te worden geconfronteerd met een faillissement. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Het handelen van verdachte heeft niet alleen gevolgen gehad voor de slachtoffers, maar ook voor de samenleving in het algemeen. Dit soort daden veroorzaken gevoelens van angst en onveiligheid. Verdachte heeft dit als klus gedaan voor een ander, om geld mee te verdienen. Verdachte heeft echter verder geen enkele opheldering verschaft over de beweegredenen. Dat de slachtoffers nog steeds niet weten van wie de opdracht of het idee voor het plaatsen van het explosief kwam, is extra beangstigend. Persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 13 november 2025, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor misdrijven. Verdachte heeft op 30 maart 2025 nog een straf opgelegd gekregen van de kinderrechter, onder meer met een voorwaardelijk deel, en liep ten tijde van de feiten zoals ten laste gelegd in zaak B in een proeftijd. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij ervoor gekozen heeft opnieuw ernstig strafbaar gedrag te vertonen. De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de rapportages die over de verdachte zijn opgesteld, waaronder: een Pro Justitia rapportage van 5 augustus 2025, opgemaakt door A.J. van de Linde, GZ-psycholoog; de rapportages van de Raad, waaronder het rapport van 11 december 2025 ten behoeve van de inhoudelijke behandeling; de rapportages van de JBRA, waaronder het rapport van 16 december 2025 ten behoeve van de inhoudelijke behandeling. Uit het rapport van de psycholoog blijkt dat er bij verdachte geen psychische stoornis en/of verstandelijke handicap is vastgesteld. Het risico op recidive wordt door de psycholoog laag geacht. Ter bevordering van een zo positief mogelijke ontwikkeling van verdachte en ter preventie van verder delictgedrag wordt aangeraden om, naast een maatregel Toezicht en Begeleiding vanuit de JBRA, ondersteuning aan te bieden vanuit een IFA coach. In de begeleiding is het belangrijk aan te sluiten bij de belevingswereld van verdachte en aandacht te hebben voor wat er in hem omgaat. De ondersteuning kan zich richten op het omgaan met emoties, het nadenken over lange termijn gevolgen van zijn gedrag, het beter leren inschatten van bedoelingen van anderen en het maken van verstandige keuzes. De Raad heeft geadviseerd om aan verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen. Daarnaast adviseert de Raad om een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen onder de algemene en bijzondere voorwaarden zoals volgt uit het rapport. De Raad heeft hier ter terechtzitting een avondklok en enkelband voor de duur van drie maanden aan toegevoegd. JBRA heeft geadviseerd om aan verdachte toezicht en begeleiding op te leggen voor de komende twee jaar. Verdachte zal, vanwege zijn ontwikkeling en leeftijd, profiteren van de nodige hulpverlening om een gedragsverandering teweeg te brengen. De JBRA heeft naar voren gebracht dat verdachte tot op heden nog niet de hulpverlening heeft gekregen die hij nodig heeft, mede door onderbezetting bij de JBRA. Straf Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd, zoals hiervoor beschreven, oordeelt de rechtbank dat zoals door de officier van justitie geëist een jeugddetentie van 180 dagen passend en geboden is. De tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht dient bij de tenuitvoerlegging van de straf in mindering te worden gebracht. De rechtbank oordeelt dat 83 dagen niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten als verdachte zich voor het einde van de op 2 jaren gestelde proeftijd opnieuw aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. De rechtbank legt de bijzondere voorwaarden op zoals geadviseerd, waaronder een avondklok en enkelband voor de komende drie maanden. De rechtbank legt daarnaast aan verdachte op een werkstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie voor het geval de werkstraf niet naar behoren wordt verricht. De rechtbank komt op een iets lagere straf uit dan door de officier van justitie geëist, omdat de rechtbank verdachte partieel vrijspreekt van het te duchten levensgevaar in zaak B. Dadelijke uitvoerbaarheid Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijven die zijn gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Gelet hierop en gelet op het rapport van de Raad, waaruit blijkt dat het algemeen recidive risico ‘hoog’ wordt geacht, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. 10 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling Bij de stukken van de ter terechtzitting aangehouden zaak met parketnummer 13.283057.25 bevindt zich de op 6 november 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13.258649.24 betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 20 maart 2025 van de kinderrechter in deze rechtbank.
Volledig
Bij dat vonnis is aan de verdachte onder meer een werkstraf opgelegd van 30 uren opgelegd, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of voor het einde van de proeftijd één van de gestelde bijzondere voorwaarden heeft overtreden. De officier van justitie heeft ter zitting de vordering gehandhaafd. Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank heeft echter de zaak waarin de vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling is aangebracht aangehouden, waardoor de rechtbank geen beslissing kan nemen over de vordering. De beslissing op de vordering dient te worden genomen op het moment dat de zaak met parketnummer 13.283057.25 inhoudelijk wordt behandeld. 11 De benadeelde partijen Zaak A [benadeelde partij 1] De vordering van de benadeelde partij De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend van in totaal € 2.300,-, bestaande uit immateriële schade. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd om hetzelfde bedrag toe te wijzen als in de zaak van medeverdachte [medeverdachte] , te weten € 1.500,-. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft primair verzocht de vordering af te wijzen gelet op de bepleite vrijspraak. De raadsman heeft de vordering subsidiair betwist omdat geen onderbouwing is ingediend van het psychisch letsel. De raadsman heeft verzocht de vordering te matigen. Verder heeft de raadsman verzocht het toegewezen bedrag niet hoofdelijk op te leggen, aangezien de rol van verdachte kleiner is geweest dan de rol van de medeverdachte [medeverdachte] , waardoor hij (meer) zou moeten betalen. Een andere mogelijkheid is om het bedrag verder te matigen tot een bedrag van € 500,-. Het oordeel van de rechtbank Vast staat dat de benadeelde partij door het in zaak A bewezenverklaarde rechtstreekse immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat hij op andere wijze is aangetast in zijn persoon in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. De normschending heeft er in dit geval uit bestaan dat het slachtoffer met geweld en onder dreiging van een vuurwapen spullen afhandig is gemaakt. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden is sprake van een zodanige ernstige normschending dat het voor de hand ligt dat het handelen van verdachte een dermate grote impact op het slachtoffer heeft gehad dat sprake is van aantasting in de persoon. Dit blijkt ook uit de toelichting bij de vordering. De hoogte van de vordering is betwist, althans verzocht is om matiging. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 2.300,- aan immateriële schade billijk. De rechtbank ziet, zoals door de raadsman van verdachte verzocht, wel reden om rekening te houden met de kleinere rol van verdachte bij het geheel. De vordering zal derhalve niet hoofdelijk worden opgelegd, maar gedeeld worden door 5. De rechtbank zal daarom de vordering tot een bedrag van € 460,- toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade, te weten 19 december 2024. In het belang van [benadeelde partij 1] wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. Vanwege het uitgangspunt dat geen gijzeling wordt opgelegd aan verdachten die volgens het jeugdstrafrecht worden berecht, zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepaling op 0 dagen. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. [benadeelde partij 2] De vordering van de benadeelde partij De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 3.800,-, bestaande uit € 1.800,- aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd om hetzelfde bedrag toe te wijzen als in de zaak van medeverdachte [medeverdachte] ten aanzien van de materiële schade, te weten € 1.500,-. De officier van justitie heeft verder gevorderd het bedrag ten aanzien van de jas, te weten € 950,- toe te wijzen en de rest niet-ontvankelijk te verklaren. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft primair verzocht de vordering af te wijzen gelet op de bepleite vrijspraak. De raadsman heeft de vordering subsidiair betwist. Ten aanzien van de materiële schade heeft de raadsman geen verweer gevoerd ten aanzien van de jas. Het overige gedeelte van de materiële schade is onvoldoende onderbouwd en dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Ten aanzien van het immateriële gedeelte is geen onderbouwing ingediend van het psychisch letsel. De raadsman heeft verzocht dat gedeelte van de vordering te matigen. Verder heeft de raadsman verzocht het toegewezen bedrag niet hoofdelijk op te leggen, aangezien de rol van verdachte kleiner is geweest dan de rol van de medeverdachte [medeverdachte] , waardoor hij (meer) zou moeten betalen. Een andere mogelijkheid is om het bedrag verder te matigen tot een bedrag van € 500,-. Het oordeel van de rechtbank Vast staat dat de benadeelde partij door het in zaak A bewezenverklaarde rechtstreekse immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat hij op andere wijze is aangetast in zijn persoon in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. De normschending heeft er in dit geval uit bestaan dat het slachtoffer met geweld en onder dreiging van een vuurwapen spullen afhandig is gemaakt. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden is sprake van een zodanige ernstige normschending dat het voor de hand ligt dat het handelen van verdachte een dermate grote impact op het slachtoffer heeft gehad dat sprake is van aantasting in de persoon. Dit blijkt ook uit de toelichting bij de vordering. De hoogte van de vordering is betwist, althans verzocht is om matiging. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 2.000,- aan immateriële schade billijk. De rechtbank acht verder een vergoeding voor de jas toewijsbaar. De schade aan de jas vloeit rechtstreeks voort uit het bewezenverklaarde feit. De jas is immers door de verdachten gestolen. De vordering voor de jas is daarnaast onderbouwd met een foto en een aankoop bon, waaruit blijkt dat de jas niet lang voor het gepleegde feit is aangeschaft. De rechtbank vindt een bedrag van € 950,- redelijk. Ten aanzien van de overige posten is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij deze schade niet heeft onderbouwd en is om die reden niet voor toewijzing vatbaar. De rechtbank ziet, zoals door de raadsman van verdachte verzocht, wel reden om rekening te houden met de kleinere rol van verdachte bij het geheel. Het schadebedrag zal derhalve niet hoofdelijk worden opgelegd, maar gedeeld worden door 5. De rechtbank wijst € 400,- aan immateriële schade en € 190,- aan materiële schade toe.
Volledig
In totaal wijst de rechtbank een bedrag van € 590,- bestaande uit immateriële en materiële schade toe, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade, te weten 19 december 2024. In het belang van [benadeelde partij 2] wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. Vanwege het uitgangspunt dat geen gijzeling wordt opgelegd aan verdachten die volgens het jeugdstrafrecht worden berecht, zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepaling op 0 dagen. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. Zaak B [benadeelde partij 3] De vordering van de benadeelde partij De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 36.943,85, bestaande uit materiële schade. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat niet eenvoudig vast te stellen is of en in hoeverre de schade is ontstaan door het ten laste gelegde feit, aangezien er op 2 en 6 juni 2025 ook explosies zijn geweest bij [café] . De officier van justitie heeft benoemd dat de rechtbank gebruik kan maken van haar schattingsbevoegdheid. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, waardoor de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeeldepartij in de gehele vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De raadsman heeft daarbij opgemerkt dat alleen rechtstreekse schade voor vergoeding in aanmerking komt, terwijl niet is komen vast te staan of er een causaal verband is tussen de schade en de handelingen van verdachte op 9 juni 2025, mede gelet op de eerste explosies. Ook is de vordering niet eenvoudig van aard. De vordering dient te worden aangebracht bij de civiele rechter. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat er schade is ontstaan aan het pand, die rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde. Hoewel het ingewikkeld is om precies vast te stellen welke schade is ontstaan door de explosie op 9 juni 2025, vindt de rechtbank het zo voor de hand liggen dat deze explosie voor schade heeft gezorgd, in ieder geval aan de buitenkant van het pand, dat dit geen nadere onderbouwing behoeft. Verdachte heeft immers een explosief voor het gebouw neergelegd, waarna een brand is ontstaan met hoge vlammen. Op de foto’s die gemaakt zijn van het pand na de explosie is te zien dat het gebouw, althans in ieder geval de pui ervan, hierdoor erg beschadigd is geraakt. De rechtbank stelt vast dat verdachte derhalve in ieder geval aansprakelijk is voor de geleden schade aan te buitenkant van het pand, te weten aan het glas (€ 265,13), de stickers (€ 243,80) en een gedeelte van het schilderwerk (€ 2.000,-). Deze posten zijn onderbouwd met een factuur of offerte. De rechtbank rekent de bedragen zonder BTW, aangezien ondernemers de BTW kunnen verleggen. De rechtbank vindt een bedrag van in totaal € 2.508,93 redelijk en toewijsbaar. De vordering wordt hoofdelijk toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade, te weten 9 juni 2025. In het belang van [benadeelde partij 3] wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. Vanwege het uitgangspunt dat geen gijzeling wordt opgelegd aan verdachten die volgens het jeugdstrafrecht worden berecht, zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepaling op 0 dagen. Van het overige gedeelte van de vordering is niet eenvoudig vast te stellen of en in hoeverre deze kosten zijn gemaakt in relatie tot het bewezen verklaarde feit dan wel of deze schade rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit is toegebracht, onder meer aangezien concrete bewijsstukken ontbreken. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering zou en uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor dit deel niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. 12 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36f, 47, 55, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157, 310, 312 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 27 en 54 van de Wet wapens en munitie. 13 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A en het in zaak B onder feit 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op: Zaak A diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door twee of meer verenigde personen Zaak B ten aanzien van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde: een eendaadse samenloop van: medeplegen van het opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat pand en goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten is en medeplegen van het voorhanden hebben van een wapen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 180 dagen. Beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Bepaalt dat een gedeelte, groot 83 dagen, van deze jeugddetentie niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van de voorwaarden. Stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde: - zich niet voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit; en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde: - meewerkt aan het vinden en behouden van passend onderwijs en vervolgens volgens rooster naar school gaat; - meewerkt aan het vinden en behouden van een positieve vrijetijdsbesteding; - meewerkt aan de hulpverlening vanuit IFA, of een soortgelijke instantie; - meewerkt aan dagbesteding van R&B van Levvel zolang onderwijs niet opgestart is; - zich houdt aan een avondklok die inhoudt dat veroordeelde zich dagelijks van 19:00 uur tot 07:00 uur in de ouderlijke woning bevindt [BRP adres] ), waarbij rekening kan worden gehouden met eventuele vrijetijdsbesteding zoals een baantje of sport, zulks te bepalen door JBRA. De avondklok geldt voor de duur van 3 maanden, van 31 december 2025 tot uiterlijk 31 maart 2026; - meewerkt aan het aansluiten van elektronische monitoring en zich zal houden aan de afspraken behorende bij het elektronisch toezicht. De elektronische monitoring (EC) geldt voor de duur van 3 maanden, van 31 december 2025 tot uiterlijk 31 maart 2026; - op geen enkele wijze – direct of indirect – contact opneemt met de medeverdachte: [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum 1] ; en de slachtoffers: [benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedatum 2] ; [benadeelde partij 2] , geboren op [geboortedatum 3] ; - meewerkt aan eventuele aanvullende hulp die JBRA nodig acht; - meewerkt aan de aanwijzingen van JBRA.
Volledig
Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde: - ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit haar medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden; - haar medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in 77a, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen. Geeft opdracht aan Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde daarvan te begeleiden. Beveelt dat de op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa Sr van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. Veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 80 uren. Beveelt dat, als verdachte de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen. Benadeelde partij [benadeelde partij 1] Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling van € 460,- (zegge: vierhonderd en zestig euro) voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 19 december 2024, tot aan de dag van algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] . Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Legt aan verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [benadeelde partij 1] ter hoogte van € 460,- (zegge: vierhonderd en zestig euro). Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan van de schade, te weten 19 december 2024, tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen. Betaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen. Bepaalt de benadeelde partij [benadeelde partij 1] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering. Benadeelde partij [benadeelde partij 2] Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling van € 590,- (zegge: vijfhonderd en negentig euro) voor immateriële en materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de stade, te weten op 19 december 2024, tot aan de dag van algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] . Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Legt aan verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [benadeelde partij 2] ter hoogte van € 590,- (zegge: vijfhonderd en negentig euro). Voormeld bedrag bestaat uit immateriële en materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan van de schade, te weten 19 december 2024, tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen. Betaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen. Bepaalt de benadeelde partij [benadeelde partij 2] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering. Benadeelde partij [benadeelde partij 3] Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van € 2.508,93 (zegge: tweeduizend vijfhonderd acht euro en drieënnegentig cent) voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de stade, te weten op 9 juni 2025, tot aan de dag van algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 3] . Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Legt aan verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [benadeelde partij 2] ter hoogte van € 2.508,93 (zegge: tweeduizend vijfhonderd acht euro en drieënnegentig cent). Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan van de schade, te weten 9 juni 2025, tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen. Betaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen. Bepaalt de benadeelde partij [benadeelde partij 3] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering. Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis in zowel zaak A als in zaak B. Dit vonnis is gewezen door mr. J.W.B. Snijders Blok, voorzitter tevens kinderrechter, mrs. H.P.E. Has en A.G.P. van der Baan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Elsman, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 december 2025. […]