Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-12-05
ECLI:NL:RBAMS:2025:11413
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,921 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBAMS:2025:11413 text/xml public 2026-03-31T13:01:18 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2025-12-05 13/150753-19 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:11413 text/html public 2026-03-31T13:00:58 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2025:11413 Rechtbank Amsterdam , 05-12-2025 / 13/150753-19 PIJ-verlengingsbeschikking. De vordering van de officier van justitie wordt gedeeltelijk toegewezen. De voorwaardelijk beëindigde maatregel wordt verlengd met 107 dagen en dat houdt in dat de maatregel niet verder wordt verlengd dan na vandaag. beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Team Familie & Jeugd Parketnummer: 13.150753.19 Beslissing op de vordering van 15 juli 2025 van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak tegen: [veroordeelde minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003, thans verblijvende op het adres [adres] , die bij vonnis van deze rechtbank van 6 november 2019 is veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna ook: PIJ-maatregel of de maatregel). De rechtbank heeft bij beschikking van 11 maart 2025 de voorwaardelijk beëindigde PIJ-maatregel verlengd met 6 maanden. De inhoud van de vordering De vordering van de officier van justitie strekt tot het verlengen van de maatregel met 6 maanden en het wijzigen/toevoegen van de mogelijkheid tot het inzetten van een locatiegebod met elektronische monitoring. De procesgang De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder: de termijnbrief van 25 april 2025; het uitgebrachte advies van GGZ Reclassering Inforsa Amsterdam (hierna: de reclassering) van 9 juli 2025; het voortgangsverslag van de reclassering van 13 november 2025. De rechtbank heeft op 5 december 2025 de vordering in de openbare raadkamer behandeld. Verschenen en gehoord zijn: de officier van justitie, mr. B. Grünfeld; [veroordeelde minderjarige] , bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam; [deskundige] , als deskundige namens de reclassering. De standpunten Het advies van de reclassering De reclassering adviseerde aanvankelijk om de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel te verlengen met 6 maanden en om de voorwaarden te wijzigen zodat er een mogelijkheid zou zijn tot het inzetten van een locatiegebod met elektronische monitoring. De deskundige heeft ter zitting toegelicht dat het advies gewijzigd is. De reclassering heeft het idee dat zij [veroordeelde minderjarige] niet meer verder kunnen helpen. Hij maakt heel bewust zijn eigen keuzes en de sturing van de reclassering daarbij is beperkt. Er zijn op dit moment nog wel risico’s aanwezig, maar die kunnen door de reclassering niet weggenomen worden. [veroordeelde minderjarige] heeft veel mogelijkheden en kansen, maar het is vanaf nu aan hem om deze daadwerkelijk te benutten. Mocht hij merken dat hij nog ondersteuning nodig heeft, dan weet hij dat hij die altijd kan vragen. Daarbij is van belang dat hij goed contact heeft met zijn woonbegeleiders. Het standpunt van de officier van justitie Gelet op het gewijzigde advies vanuit de reclassering, heeft de officier van justitie zijn standpunt tevens aangepast. De officier van justitie is van mening dat de maatregel verlengd moet worden tot en met de dag waarop de zitting plaatsvindt, te weten 5 december 2025. Hoewel er nog verschillende aandachtspunten zijn waar [veroordeelde minderjarige] mee aan de slag moet, zoals het vinden van werk, begrijpt de officier van justitie dat de reclassering geen verdere rol meer voor zichzelf ziet in zijn begeleiding. Vanaf dit moment moet daarom de verantwoordelijkheid bij [veroordeelde minderjarige] zelf komen te liggen. Hij moet laten zien dat hij in staat is zijn zaken zelfstandig op te pakken. Het standpunt van de verdediging De raadsman verzoekt de rechtbank om de maatregel te beëindigen. Het advies van Inforsa is gewijzigd. [veroordeelde minderjarige] heeft een lang traject doorlopen en Inforsa ziet op dit moment geen meerwaarde meer van een verdere begeleiding. Daarnaast is het recidiverisico afgenomen. De beoordeling Door de reclassering werd aanvankelijk op 9 juli 2025 nog een verlenging van de maatregel met zes maanden geadviseerd. Er was nog steeds geen stabiliteit op de leefgebieden dagbesteding en financiën, waardoor er sprake was van een verhoogd risico op delictgedrag. Ook is er weinig zicht op de invloed van het netwerk van [veroordeelde minderjarige] , omdat [veroordeelde minderjarige] hier niet open over is. Wel is duidelijk dat [veroordeelde minderjarige] contacten heeft met vrienden die in de criminaliteit zitten. Gelet op dit advies en artikel 6:6:31 van het Wetboek van Strafvordering oordeelt de rechtbank dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen en een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van [veroordeelde minderjarige] vereisten dat de PIJ-maatregel moet worden verlengd. Gelet op de ontwikkelingen sinds juli 2025 heeft de reclassering het advies ter zitting gewijzigd. Hoewel uit de stukken en het verhandelde in de raadkamer blijkt dat [veroordeelde minderjarige] op de hiervoor genoemde leefgebieden nog steeds geen stabiliteit heeft bereikt, ziet de reclassering op dit moment geen meerwaarde in een verdere verlenging van de voorwaardelijke beëindiging. Dit heeft te maken met de houding van [veroordeelde minderjarige] ten opzichte van het reclasseringstoezicht en het inmiddels afgesloten behandeltraject. Daarbij ziet de reclassering dat het goed gaat met [veroordeelde minderjarige] bij het begeleid wonen en [veroordeelde minderjarige] in goed contact staat met de woonbegeleiders. Zodoende kan [veroordeelde minderjarige] aldaar om hulp vragen als hij dat nodig heeft. De rechtbank kan zich vinden in het advies van de reclassering en het standpunt van de officier van justitie en zal de maatregel niet verder verlengen dan na vandaag, waardoor de voorwaardelijk beëindigde PIJ-maatregel per morgen stopt. De rechtbank verlengt de maatregel derhalve met 107 dagen. De rechtbank hoopt dat [veroordeelde minderjarige] gaat laten zien wat hij in de afgelopen jaren geleerd heeft en verstandige keuzes gaat maken. De rechtbank vertrouwt erop dat [veroordeelde minderjarige] zelf om hulp zal vragen, bij bijvoorbeeld zijn woonbegeleiders, als hij denkt dat dat nodig is. Hij moet laten zien dat hij stappen vooruit zet en niet achteruit. De rechtbank hoopt ook dat [veroordeelde minderjarige] zal waarmaken wat hij ter zitting heeft gezegd, namelijk dat hij zelfstandig in staat is om werk te vinden, dat hij op enig moment daadwerkelijk stopt met blowen en dat hij zich niet laat verleiden door een negatief netwerk. De rechtbank gaat er op grond van de termijnbrief van 25 april 2025 van uit dat de maatregel, rekening houdend met het bepaalde in artikel 6:6:31, tweede lid, derde volzin, van het Wetboek van Strafvordering, onvoorwaardelijk eindigt op 6 december 2025. De beslissing De rechtbank: - wijst de vordering van de officier van justitie gedeeltelijk toe en verlengt de termijn van maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen van [veroordeelde minderjarige] met 107 dagen; - wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af. Deze beschikking is gegeven op de openbare terechtzitting van deze rechtbank door mr. E. Diepraam, voorzitter tevens kinderrechter, mrs. A. van Luijck en M. van Gemert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Elsman, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 december 2025.