Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-12-05
ECLI:NL:RBAMS:2025:11412
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,028 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2025:11412 text/xml public 2026-03-31T13:02:19 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2025-12-05 16/406887-24 en 13/039588-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:11412 text/html public 2026-03-30T09:41:40 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2025:11412 Rechtbank Amsterdam , 05-12-2025 / 16/406887-24 en 13/039588-25 Jeugdstrafrecht. Verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van het voorbereiden van een overval met een vuurwapen en opzetheling. Aan verdachte wordt opgelegd een jeugddetentie voor de duur van 67 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk. Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Team Familie & Jeugd Parketnummers: 16.406887.24 (zaak A) en 13.039588.25 (zaak B) Parketnummer vordering tenuitvoerlegging: 13.060307.24 Datum uitspraak: 5 december 2025 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaken tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2007, wonende te [adres] . 1 Onderzoek ter terechtzitting De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 5 december 2025. De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, ter zitting gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B. Grünfeld en van wat verdachte en haar raadsman mr. A. Kilinç naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [medewerker Raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en [medewerker JBRA] , namens de Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA) naar voren is gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan: Zaak A ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: medeplegen van het voorbereiden van een overval op 24 december 2024 te Almere; ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen op 24 december 2024 te Almere; Zaak B (opzet/schuld)heling van een snorfiets op 9 december 2024 te Amsterdam. De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en gelden als hier ingevoegd. 3 Voorvragen De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 Waardering van het bewijs Zaak A Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van het voorbereiden van een overval op 24 december 2024 in Almere. De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat het feit wettig en overtuigend is bewezen, omdat verdachte het feit heeft bekend en haar verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van het voorhanden hebben van het vuurwapen op 24 december 2024 in Almere. De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat het feit wettig en overtuigend is bewezen, omdat verdachte het feit heeft bekend en haar verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen Zaak B Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie is van mening dat opzetheling bewezen kan worden. Verdachte reed op een scooter waarbij het cilinderslot ontbrak. Verdachte heeft verklaard dat zij de snorfiets startte met behulp van een mes. Op basis van deze feiten gaat de officier van justitie ervan uit dat verdachte wist dat het om een gestolen goed ging. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Wel wijst de raadsman erop dat verdachte ontkent te hebben geweten dat de snorfiets gestolen was. Het oordeel van de rechtbank Bij het voorhanden van de snorfiets heeft verdachte gezien dat het cilinderslot ontbrak. De snorfiets kon immers niet op de reguliere wijze, met een bijpassende sleutel, worden gestart. Zij deed dit met behulp van een mes. Ook kan verdachte geen duidelijkheid geven over de exacte herkomst en eigenaar van de snorfiets. De rechtbank is onder deze omstandigheden van oordeel dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van het voertuig wist dat deze van misdrijf afkomstig was. De rechtbank verwerpt daarom de verklaring van verdachte dat zij niet wist dat het om een gestolen goed ging en komt tot een bewezenverklaring van opzetheling. 5 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in vervatte bewijsmiddelen bewezen dat Zaak A ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: zij op 24 december 2024 te Almere tezamen en in vereniging met een andere ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten diefstal met geweld en/of afpersing in vereniging, opzettelijk voorwerpen, te weten - een (vuist)hamer en een vuurwapen (pistool) en - bivakmutsen en handschoenen, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad; ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: zij op 24 december 2024 te Almere tezamen en in vereniging met een andere een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, pistool, van origine gas- of alarmpistool (van het merk Blow, voorzien van het wapennummer [wapennummer] , kaliber 9mm P.A.K.) omgebouwd naar scherpschietend, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad; Zaak B zij op 9 december 2024 te Amsterdam, een snorfiets, voorhanden heeft gehad terwijl zij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6 Bewijs De rechtbank grondt haar beslissing dat de verdachte het bewezen geachte heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht. 7 Strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 8 Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 9 Motivering van de straffen en maatregelen De eis van de officier van justitie De officier van justitie eist dat aan verdachte wordt opgelegd een jeugddetentie van 97 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan de proeftijd moeten de voorwaarden verbonden worden die door de JBRA zijn geadviseerd. Daarnaast eist de officier van justitie dat aan verdachte wordt opgelegd een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 150 uren. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om de straf zoals geëist door de officier van justitie te matigen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft een half jaar in huisarrest gezeten. Weliswaar is dit door de rechtbank Midde-Nederland niet aangemerkt als voorlopige hechtenis, maar het is wel een verregaande vrijheidsbeperking geweest. Daarnaast heeft verdachte een druk weekschema, waarin ze begeleiding krijgt en bezig is met haar opleiding. De werkstraf moet dit schema niet in de weg gaan zitten.
Volledig
Het oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de straf laat de rechtbank zich leiden door de persoon van de verdachte zoals die naar voren komt in de nagenoemde rapportages en hetgeen de deskundigen ter zitting hebben verklaard, alsmede de ernst van het bewezen geachte en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang. Ernst van de feiten Verdachte heeft samen met iemand anders een overval voorbereid. Zij waren van plan om bij de overval te dreigen met geweld en geweld te gebruiken en zij hebben hierbij gebruik willen maken van een vuurwapen, dat zij voorhanden hebben gehad. In de -mede door verdachte gevoerde-chatgesprekken is te lezen hoe mensen bang gemaakt moesten worden met het pistool. Ook wordt gesproken over hoe de eigenaar ‘nokkie’ moet gaan. Met behulp van een hamer en gezichtsbedekkende kleding zou een flinke buit gemaakt moeten worden. Dat de overval uiteindelijk niet is uitgevoerd, is te danken aan het alerte optreden van een omstander, die de politie heeft gebeld omdat hij de situatie verdacht vond. Een overval – in het bijzonder wanneer daarbij geweld wordt gebruikt of daarmee wordt gedreigd – kan voor een slachtoffer een ingrijpende, traumatische ervaring met mogelijk blijvend psychisch letsel tot gevolg hebben. Dergelijke feiten zorgen voor angst en onveiligheid, in de eerste plaats natuurlijk bij de potentiële slachtoffers, maar ook voor de samenleving als geheel. Verdachte heeft met die gevoelens kennelijk geen rekening gehouden. Met dit handelen heeft verdachte laten zien weinig respect te hebben voor het eigendom van anderen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat zij enkel aan haar eigen (financiële) gewin heeft gedacht. Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan heling van een snorfiets, waarvoor ook geldt dat dit een zeer hinderlijk feit is. Verdachte heeft zich ook dit geval niet bekommerd om de gevolgen voor de slachtoffers en door het plegen van dit feit voor overlast gezorgd. Persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 2 oktober 2025 waaruit blijkt dat verdachte al eerder veroordeeld is voor ernstige misdrijven. Dit weegt de rechtbank in haar nadeel mee. De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de rapportages die over de verdachte zijn opgesteld, waaronder de rapportage van de JBRA van 18 november 2025 ten behoeve van de inhoudelijke behandeling. De JBRA adviseert om een geheel voorwaardelijke jeugddetentie of een deels of geheel voorwaardelijke taakstraf aan verdachte op te leggen. De JBRA vindt het in ieder geval belangrijk dat er de komende twee jaar toezicht en begeleiding blijft, uitgevoerd door de JBRA. Verdachte heeft de laatste periode een positieve ontwikkeling doorgemaakt, maar er zijn ook nog stappen te zetten, waaronder ten aanzien van een behandeling. De Raad heeft voor de zitting te kennen gegeven geen capaciteit te hebben om een adviesrapport uit te brengen en heeft ter zitting geadviseerd. De Raad heeft zich bij het advies van de JBRA aangesloten. De verdachte heeft zelf ter zitting onder woorden gebracht waarom zij is overgegaan tot het voorbereiden van de overval. Zij heeft daarbij inzicht getoond in het kwalijke van haar handelen en de rechtbank uitgelegd hoe haar persoonlijke situatie een rol speelde bij het maken van deze keuze. Ze heeft de rechtbank verteld gedurende haar schorsing aan zichzelf te hebben gewerkt en is ervan overtuigd nooit meer een dergelijke keuze te zullen maken. Straf Gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd, zoals hiervoor beschreven, oordeelt de rechtbank dat een jeugddetentie van 67 dagen passend en geboden is. De tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht dient bij de tenuitvoerlegging van de straf in mindering te worden gebracht. De rechtbank zal 60 dagen niet ten uitvoer leggen, tenzij later anders wordt gelast. Aan het voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank de door de JBRA geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank vindt het daarnaast belangrijk dat verdachte op dit moment nog wel de consequenties ervaart van haar handelen en zal daarom nog een werkstraf opleggen van 100 uren, subsidiair 50 dagen jeugddetentie voor het geval de taakstraf niet naar behoren wordt verricht. De rechtbank komt hiermee op een lagere straf uit dan door de officier van justitie geëist. De rechtbank zwaar laten meewegen dat verdachte als bijzondere voorwaarde van de schorsing van de voorlopige hechtenis een half jaar in huisarrest heeft gezeten. Hoewel het in dit geval niet officieel als onderdeel van de voorlopige wordt gezien, is verdachte wel voor een lange periode beperkt geweest in haar vrijheid. De rechtbank heeft daarnaast mee laten wegen dat verdachte de afgelopen periode een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en dat zij reflecteert op de door haar gepleegde strafbare feiten waarbij zij de rechtbank heeft overtuigd in de toekomst andere keuzes te zullen maken. De opgelegde bijzondere voorwaarden zullen haar helpen de positieve ontwikkeling vast te houden. Tot slot heeft de rechtbank ten aanzien van het bepalen van de hoogte van de werkstraf mee laten wegen dat verdachte een druk weekschema heeft door haar opleiding en de behandeling. 10 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling Bij de stukken in Zaak B bevindt zich de op 14 oktober 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13.060307.24 betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 25 oktober 2024 van de meervoudige strafkamer in deze rechtbank. Bij dat vonnis is aan de verdachte een werkstraf opgelegd van 100 uren opgelegd, waarvan 40 uren voorwaardelijk, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of voor het einde van de proeftijd één van de gestelde bijzondere voorwaarden heeft overtreden. De officier van justitie heeft ter zitting de vordering gehandhaafd. Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde 40 uur werkstraf te gelasten. De verdachte heeft eerder een kans gehad toen haar een voorwaardelijke straf werd opgelegd en heeft deze niet gegrepen. Zij moet de consequenties van haar daden dan ook nu ervaren. 11 Beslag Onder de verdachte is het volgende goed in beslag genomen: - 1 STK Mes (Omschrijving: PL1300-2024294118-G6614007, Owental). Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het mes moet worden onttrokken aan het verkeer. Het standpunt van de verdediging De raadsman zich op het standpunt dat het mes moet worden onttrokken aan het verkeer. Het oordeel van de rechtbank Het voorwerp behoort aan verdachte toe. Nu met behulp van dit voorwerp het in zaak A bewezen geachte is begaan, namelijk door met het mes de gestolen snorfiets te starten, wordt dit voorwerp verbeurdverklaard. 12 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 46, 47, 55, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 416, 417bis van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. 13 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder feit 1 en feit 2 en het in zaak B ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.