Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-10-30
ECLI:NL:RBAMS:2025:11407
Strafrecht
Beschikking
2,046 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBAMS:2025:11407 text/xml public 2026-04-09T12:48:21 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2025-10-30 13/052703-21 Uitspraak Beschikking NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:11407 text/html public 2026-04-02T14:30:29 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2025:11407 Rechtbank Amsterdam , 30-10-2025 / 13/052703-21 PIJ-verlengingsbeschikking. De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie toe en verlengt de maatregel met negen maanden. beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Team Familie & Jeugd Parketnummer: 13.052703.21 Beslissing op de vordering van 18 juni 2025 van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak tegen: [minderjarige veroordeelde], geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats], verblijvende te Justitiële Jeugdjeugdinrichting [plaats], [adres] die bij vonnis van deze rechtbank van 9 december 2021 is veroordeeld tot maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna ook: PIJ-maatregel of de maatregel). De PIJ-maatregel is laatstelijk bij beslissing van de rechtbank Amsterdam van 31 januari 2025 met 6 (zes) maanden verlengd. De inhoud van de vordering De vordering van de officier van justitie strekt tot het verlengen van de termijn van de PIJ-maatregel met 9 (negen) maanden. De procesgang De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder: de termijnbrief van 18 april 2025. het uitgebrachte verlengingsadvies van [naam inrichting] (hierna: [naam inrichting]) van 23 mei 2025, strekkende tot een verlenging van de PIJ-maatregel met 9 (negen) maanden; de aanvullende informatie vanuit [naam inrichting], gedateerd 18 juli 2025, wat heeft geleid tot een gewijzigd advies, strekkende tot een verlenging van de PIJ-maatregel met 12 (twaalf) maanden. De rechtbank heeft op 30 oktober 2025 de vordering in de openbare raadkamer behandeld. Verschenen en gehoord zijn: de officier van justitie, mr. M. Modder; [minderjarige veroordeelde], bijgestaan door zijn raadsman mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam; de deskundigen mw. [persoon 1] en mw. [persoon 2], als behandelcoördinatoren verbonden aan [naam inrichting]. De standpunten Het advies van de deskundige De deskundigen adviseerden aanvankelijk de PIJ-maatregel te verlengen met 9 maanden, zodat verlof opgebouwd kon worden (drie maanden) en daarna naar het STP toegewerkt kon worden (zes maanden). Er is echter na het indienen van het verlengingsadvies een onderzoek gedaan naar de telefoon van [minderjarige veroordeelde], omdat het vermoeden was dat er nog steeds risico’s aanwezig waren buiten de JJI, indien [minderjarige veroordeelde] met verlof zou gaan. Op basis van de informatie in de telefoon van [minderjarige veroordeelde] wordt het recidiverisico aanzienlijk hoger geacht dan gedacht. [minderjarige veroordeelde] lijkt zich bezig te houden met voortgezet crimineel handelen. Hoewel [minderjarige veroordeelde] een prettige jongen op de groep is en hij zich daar respectvol en beleefd opstelt, lijkt er sprake te zijn van schijnaanpassingen. De deskundigen hebben derhalve het advies bijgesteld en adviseren een verlenging van de PIJ-maatregel met twaalf maanden. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vordering is, ondanks dat deze te laat is ingediend. De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel met 9 maanden. Hoewel uit het aanvullende advies van de deskundigen blijkt dat het recidiverisico hoger is dan aanvankelijk werd ingeschat, waardoor een verlenging voor een langere periode dan 9 maanden voor de hand ligt, leidt dit niet tot een wijziging van de vordering. De maatregel zou bij een verlenging met meer dan 9 maanden de totale duur van 4 jaar en 6 maanden overschrijden, wat betekent dat er een dubbelrapportage opgemaakt had moeten worden, wat niet is gebeurd. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De vordering is op grond van artikel 6:6:31 lid 1 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) te laat ingediend. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de maatregel te verlengen met een kortere periode dan gevorderd. De raadsman begrijpt dat er aanvankelijk zorgen zijn geweest over [minderjarige veroordeelde]. Een nader onderzoek heeft echter geen nieuwe informatie opgeleverd, waardoor dit niet zou moeten leiden tot een ander standpunt ten aanzien van het recidiverisico. De beoordeling De rechtbank constateert dat de vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel te laat is ingediend. Het in artikel 6:6:31 Sv van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 6:6:11 Sv biedt een mogelijkheid om een vordering die niet binnen de termijn is ingediend toch ontvankelijk te verklaren. Met toepassing van deze artikelen zal de rechtbank het Openbaar Ministerie ontvankelijk verklaren in de vordering. Sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, ondanks het belang van de veroordeelde, verlenging van de maatregel vereisen. Er zijn vermoedens dat betrokkene zich bezighoudt met crimineel handelen en er zijn aanwijzingen dat sprake is van een schijnaanpassing en gesproken wordt van een hoog recidiverisico. Bovendien gaat het om een beperkte termijnoverschrijding waardoor [minderjarige veroordeelde] niet wezenlijk in zijn belangen is geschaad. Gelet op het (aangepaste) advies van de JJI, het verhandelde in raadkamer en artikel 6:6:31 Sv, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen en een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van [minderjarige veroordeelde] eisen dat de PIJ-maatregel met negen maanden wordt verlengd. Uit het verlengingsadvies en zoals door de deskundigen naar voren gebracht komt naar voren dat [minderjarige veroordeelde] het op de groep goed doet. Ondanks de eerdere terugplaatsing, mede vanwege [minderjarige veroordeelde]’s eigen veiligheid na een ernstig incident, kon het verlof volgens de deskundigen weer worden opgebouwd en kon worden toegewerkt naar het STP. Er werd een verlenging met negen maanden geadviseerd. Echter is na een onderzoek in de telefoon van [minderjarige veroordeelde] gebleken dat het recidiverisico aanzienlijk hoger is dan aanvankelijk werd gedacht. Er zijn aanwijzingen dat [minderjarige veroordeelde] zich bezighoudt met voortgezet crimineel handelen en dat hij zich ook bewust is van de gevaren ‘buiten’. Hoewel de rechtbank begrijpt dat [minderjarige veroordeelde] het liefst ziet dat de PIJ-maatregel sneller wordt beëindigd, is dat op dit moment geen optie. De rechtbank hoopt dat [minderjarige veroordeelde] laat zien dat hij afstand heeft genomen danwel kan nemen van het criminele handelen en laat zien dat hij daadwerkelijk een nieuwe start wil maken, zodat zijn verlof vanaf januari 2026 kan worden uitgebreid. Ook hoopt de rechtbank dat [minderjarige veroordeelde] de indruk dat mogelijk sprake is van ‘schijnaanpassingen’ kan wegnemen. Omdat niet te verwachten is dat al deze stappen in een tijdsbestek van minder dan negen maanden kunnen worden gezet, ziet de rechtbank geen aanleiding om de maatregel voor een kortere periode dan de gevorderde negen maanden te verlengen. De rechtbank gaat er op grond van de termijnbrief van 18 april 2025 vanuit dat de maatregel, rekening houdend met het bepaalde in artikel 6:6:31, tweede lid, derde volzin, Sv en behoudens verlenging, voorwaardelijk eindigt op 11 april 2026. De beslissing De rechtbank: wijst de vordering van de officier van justitie toe en verlengt de termijn van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen van [minderjarige veroordeelde] met 9 (negen) maanden. Deze beschikking is gegeven in openbare raadkamer van deze rechtbank door mr. K.M. van Hassel, voorzitter tevens kinderrechter, mrs. J.W.B. Snijders Blok en E. Diepraam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M.