Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-10-24
ECLI:NL:RBAMS:2025:11402
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
12,122 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2025:11402 text/xml public 2026-03-31T12:54:49 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2025-10-24 13/194610-24 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:11402 text/html public 2026-03-31T12:52:50 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2025:11402 Rechtbank Amsterdam , 24-10-2025 / 13/194610-24 Jeugdstrafrecht. Verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van oplichting, diefstal door middel van valse sleutels, computervredebreuk en gewoontewitwassen. Aan verdachte wordt opgelegd een jeugddetentie voor de duur van 4 maanden. De feiten zijn lange tijd geleden gepleegd en verdachte is in de tussentijd voor andere feiten veroordeeld. Vorderingen benadeelde partij (gedeeltelijk) toegewezen of niet-ontvankelijk verklaard. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Team Familie & Jeugd Parketnummer: 13.194610.24 Datum uitspraak: 24 oktober 2025 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaken tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004, thans gedetineerd te [detentieadres] . 1 Onderzoek ter terechtzitting De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 10 oktober 2025. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de ontnemingsvordering van 19 september 2025. Hiervan is een apart vonnis geminuteerd. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.L.A. ter Veer en van wat verdachte en zijn raadsman mr. T.H.L. Kneepkens naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door [medewerker de Raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) naar voren is gebracht. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door [nabestaande] als nabestaande en vertegenwoordiger van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] naar voren is gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is na wijziging van de tenlastelegging op de zitting, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan: ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: oplichting in vereniging van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [benadeelde partij 1] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [benadeelde partij 5] en/of [slachtoffer 6] in de periode 25 mei 2022 tot en met 30 augustus 2022 te Amsterdam en/of Zwijndrecht en/of Hilversum en/of Amstelveen en/of Wassenaar en/of Leiden en/of Zoetermeer en/of Heerlen; ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: diefstal in vereniging van een of meerdere geldbedragen(en) door middel van een valse sleutel van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 3] en/of [benadeelde partij 1] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [benadeelde partij 5] in de periode 25 mei 2022 tot en met 30 augustus 2022 te Zwijndrecht en/of te Hilversum en/of Amstelveen en/of Amsterdam en/of Wassenaar en/of Zoetemeer en/of Leiden en/of Axel; ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde: computervredebreuk in vereniging in geautomatiseerd(e) werk(en) van de [benadeelde partij 7] en/of [benadeelde partij 8] en/of de [slachtoffer 8] waarop het internetbankieren van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [benadeelde partij 1] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [benadeelde partij 5] wordt gehost in de periode 25 mei 2022 tot en met 30 augustus 2022 te Amsterdam; ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde: oplichting in vereniging van [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11] en/of [benadeelde partij 3] en/of [slachtoffer 12] en/of [slachtoffer 13] en/of [slachtoffer 14] in de periode 2 augustus 2021 tot en met 17 mei 2022 te Essen (België) en/of Spijkenisse en/of Vaals en/of Heinkenszand en/of Hilversum en/of Amsterdam; ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde: gewoontewitwassen in vereniging van een of meer voorwerpen, te weten geldbedragen en/of goed(eren) in de periode 2 augustus 2021 tot en met 30 augustus 2022 te Amsterdam. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd. 3 Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 Waardering van het bewijs Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd wat betreft dit ten laste gelegde feit. De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat de onder 1 ten laste gelegde oplichting in vereniging wettig en overtuigend is bewezen, omdat verdachte het feit heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen. Partiële vrijspraak Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen onvoldoende is komen vast te staan dat verdachte en zijn medeverdachten [slachtoffer 2] hebben bewogen tot ‘het afgeven van een of meer geldbedrag(en) (totaal € 3.000,-)’ en [benadeelde partij 1] hebben ‘bewogen tot het afgeven van een geldbedrag van € 900,-‘. Verdachte heeft immers – zoals onder feit 2 wordt bewezenverklaard – deze bedragen weggenomen. De rechtbank spreekt verdachte daarom partieel vrij van voorgenoemde zinsneden. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd wat betreft dit ten laste gelegde feit. De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat de onder 2 ten laste gelegde diefstal in vereniging wettig en overtuigend is bewezen, omdat verdachte het feit heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen. Partiële vrijspraak De rechtbank spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde feit ten aanzien van [slachtoffer 3] , aangezien er in het dossier geen aanwijzingen aanwezig zijn dat er diefstal heeft plaatsgevonden door middel van een valse sleutel. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer 3] het bedrag zelf heeft overgemaakt. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde: De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd wat betreft dit ten laste gelegde feit. De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat de onder 3 ten laste gelegde computervredebreuk in vereniging wettig en overtuigend is bewezen, omdat verdachte het feit heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen. Partiële vrijspraak De rechtbank oordeelt – gelijk aan de standpunten van de officier van justitie en de raadsman – dat verdachte vrij moet worden gesproken van de computervredebreuk ten aanzien van [benadeelde partij 1] en de [slachtoffer 8] , aangezien daarvoor geen aanwijzingen aanwezig zijn in het dossier. Aan verdachte is ook de gekwalificeerde variant van de computervredebreuk, te weten computervredebreuk met overnemen, aftappen en/of opnemen van gegevens, tenlastegelegd (artikel 138ab lid 2 Sr). Om te kunnen spreken van overnemen in de zin van artikel 138ab lid 2 Sr moeten echter de gegevens met duurzaam karakter worden vastgelegd. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat daarvoor iedere aanwijzing in de bewijsmiddelen ontbreekt. Ook voor het aftappen en opnemen van gegevens zijn geen aanwijzingen aanwezig in het dossier. Verdachte wordt daarom van deel vrijgesproken, zodat de tenlastegelegde overtreding van alleen artikel 138ab lid 1 Sr resteert. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde: Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie is van oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat er sprake is van medeplegen, omdat ook [medeverdachte 1] een rol heeft gehad in deze oplichtingen door het ter beschikking stellen van zijn bankrekening en het pinnen voor verdachte. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd wat betreft dit ten laste gelegde feit.
Volledig
Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat de onder 4 ten laste gelegde oplichting wettig en overtuigend is bewezen, omdat verdachte het feit heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen. Partiële vrijspraak Om te kunnen spreken van medeplegen moet vast komen te staan dat bij het begaan van het strafbare feit sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. Hoewel uit het dossier blijkt dat de rekening van [medeverdachte 1] bij de oplichting gebruikt is, kan de rechtbank op basis van de overige bewijsmiddelen niet vaststellen dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1] . Ook blijkt niet van betrokkenheid van enige andere medeverdachte(n). Bovendien heeft verdachte verklaard dat hij deze oplichtingen alleen heeft gepleegd. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het medeplegen. Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde: Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie is van oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat er sprake is van medeplegen, nu bij verschillende feiten bewezen kan worden dat daar meer mensen dan alleen verdachte bij betrokken waren. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd wat betreft dit ten laste gelegde feit. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat het onder 5 ten laste gelegde medeplegen van gewoontewitwassen wettig en overtuigend is bewezen, omdat verdachte het feit heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen. Verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen van het gewoontewitwassen van de bankpassen van [slachtoffer 15] en [slachtoffer 16] , aangezien de rechtbank dit niet bewezen acht. 5 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in de bewijsmiddelen vervatte feiten en omstandigheden bewezen dat ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: hij op tijdstippen in de periode van 25 mei 2022 tot en met 30 augustus 2022 te Amsterdam en te Zwijndrecht en Hilversum en te Amstelveen en te Wassenaar en te Zoetermeer en te Heerlen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, (telkens) met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, meer hieronder te noemen personen hebben bewogen tot afgifte van enig goed, en tot het ter beschikking stellen van gegevens, te weten [slachtoffer 1] in de periode van 21 augustus 2022 tot en met 26 augustus 2022 te Zwijndrecht, heeft bewogen tot het ter beschikking stellen van gegevens, te weten persoonlijke bankgegevens en bijbehorende pincode door -een email te sturen, alsof deze afkomstig was van de [benadeelde partij 7] , waarin stond dat [slachtoffer 1] huidige bankpas niet meer voldeed en dat deze binnenkort zou vervallen en hij binnen 2 dagen een nieuwe pas diende aan te vragen, en daarbij te verwijzen naar een site middels een link en [slachtoffer 2] op 29 juni 2022 te Amsterdam, heeft bewogen tot het ter beschikking stellen van gegevens, te weten persoonlijke bankgegevens en pinpassen en bijbehorende pincodes, door -contact op te (laten) nemen met voornoemd slachtoffer, daarbij zich voor te doen als een bonafide medewerker van de [benadeelde partij 8] en - aan te geven dat er misbruik zou zijn of worden gemaakt van de rekening van het voornoemde slachtoffer en - het slachtoffer te vragen om een app (Remote Access Tool Anydesk) te installeren en - het slachtoffer te vragen een geldbedrag over te boeken naar een andere rekening en - vervolgens aan te geven dat er een van de bank langs zal komen om de bankpassen op te halen en - vervolgens bij de woning van het voornoemde slachtoffer de bankpassen in ontvangst te nemen en [slachtoffer 3] op 25 mei 2022 te Hilversum heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag van 1990,- euro, door - zich via whatsapp bij voornoemde [slachtoffer 3] voor te doen als dochter van voornoemde [slachtoffer 3] en in strijd met de waarheid aan te geven dat zij haar telefoon had verloren en een nieuw telefoonnummer had en zij vandaag 1990,- moest betalen en of voornoemde [slachtoffer 3] dit bedrag haar dochter kon voorschieten en vervolgens voornoemde [slachtoffer 3] een betalingslink heeft toegezonden met vermelding van een rekeningnummer dat niet toebehoorde aan de dochter van voornoemde [slachtoffer 3] en [benadeelde partij 1] op 30 mei 2022 te Amstelveen heeft bewogen tot het ter beschikking stellen van gegevens, te weten een pinpas door - telefonisch contact op te (laten) nemen met voornoemd slachtoffer, daarbij zich voordoend als bonafide medewerker van de [slachtoffer 8] en - aan te geven dat er gefraudeerd zou zijn met de bankpas van het voornoemde slachtoffer en dat het slachtoffer een nieuwe betaalpas zou krijgen en - ( vervolgens) aan te geven dat er een medewerker van de bank langs zal komen om de bankpas van het voornoemde slachtoffer op te halen en - ( vervolgens) telefonisch contact op te nemen met voornoemde slachtoffer en zich voor te doen als iemand van de politie om voornoemde verhaal te bevestigen en - ( vervolgens) bij de woning van het voornoemde slachtoffer de bankpas en bijbehorende pincode in ontvangst te nemen en [slachtoffer 4] in de periode van 21 augustus 2022 tot en met 27 augustus 2022 te Hilversum, heeft bewogen tot het ter beschikking stellen van gegevens, te weten persoonlijke bankgegevens en bijbehorende pincode(s), door - een email te sturen, als zijnde afkomstig van de [benadeelde partij 7] waarin stond dat haar bankpas binnen 2 dagen zou komen te vervallen en hiervoor een nieuwe pas diende te worden aangevraagd en daarbij werd verwezen naar een site alwaar zij werd gevraagd haar pincode en/of bankgegevens en/of persoonlijke gegevens in te voeren en [slachtoffer 5] in de periode van 21 augustus 2022 tot en met 30 augustus 2022 te Amsterdam heeft bewogen tot het ter beschikking stellen van gegevens, te weten persoonlijke bankgegevens en bijbehorende pincode(s), door - een email te sturen, als zijnde afkomstig van de [benadeelde partij 7] , waarin stond dat haar bankpas zou komen te vervallen en hiervoor binnen 2 werkdagen een nieuwe pas diende te worden aangevraagd en daarbij werd verwezen naar een link alwaar zij werd gevraagd haar pincode en/of bankgegevens en/of persoonlijke gegevens in te voeren en [benadeelde partij 5] in de periode van 22 augustus 2022 tot en met 29 augustus 2022 te Zoetermeer heeft bewogen tot het ter beschikking stellen van gegevens, te weten persoonlijke bankgegevens en bijbehorende pincode(s), door - een email te sturen, als zijnde afkomstig van de [benadeelde partij 7] , waarin stond dat zijn bankpas zou komen te vervallen en hiervoor (binnen 2 werkdagen) een nieuwe pas diende te worden aangevraagd en daarbij werd verwezen naar een link alwaar hij werd gevraagd zijn pincode en/of bankgegevens en/of persoonlijke gegevens in te voeren en [slachtoffer 6] op 8 augustus 2022 te Heerlen heeft bewogen tot het ter beschikking stellen van gegevens, te weten persoonlijke bankgegevens en bijbehorende pincode(s) en persoonsgegevens, door - een email te sturen, als zijnde afkomstig van de bank, waarin stond dat er een probleem was met zijn pinpas (credit-card) en hij vandaag nog moest reageren om deze te kunnen beveiligen en daarbij werd verwezen naar een link alwaar hij werd gevraagd zijn pincode en/ bankgegevens en persoonlijke gegevens in te voeren en - ( vervolgens) telefonisch contact op te nemen met voornoemde slachtoffer en zich voor te doen als iemand van de ICT en mede te delen dat er iemand langs zou komen om te helpen met de beveiliging van de computer en - ( vervolgens) in de woning van het voornoemde slachtoffer de bankpas(sen) en/of bijbehorende pincode(s) in ontvangst te n
Volledig
emen waardoor voornoemde slachtoffer bewogen is tot bovenomschreven afgifte. ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: hij op meer tijdstippen in de periode van 25 mei 2022 tot en met 30 augustus 2022 te Zwijndrecht en Hilversum en Amstelveen en Amsterdam en te Wassenaar en te Zoetermeer en te Leiden en te Axel, tezamen en in vereniging met anderen, geldbedragen te weten; - 2457,60 euro, toebehorende aan slachtoffer [slachtoffer 1] en - 5900,- euro, toebehorende aan slachtoffer [slachtoffer 2] en - een totaal bedrag van 4009,36 euro, toebehorende aan slachtoffer [slachtoffer 7] en - een bedrag van 900,- euro, toebehorende aan slachtoffer [benadeelde partij 1] en - een bedrag van 2416,90 euro toebehorende aan slachtoffer [slachtoffer 4] en - een bedrag van 13.729,10 euro, toebehorende aan slachtoffer [slachtoffer 5] en - een bedrag van totaal 6000,- euro, toebehorende aan slachtoffer [benadeelde partij 5] , dat aan anderen toebehoorden, te weten voornoemde slachtoffers heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, door vanuit de bankrekeningen van voornoemde slachtoffers geldopnames en/of betalingen en/of overboekingen te doen, terwijl verdachte en zijn mededader(s) zich de toegang tot die weg te nemen geldbedragen en/of de daartoe toegang gevende bankrekeningen en/of internetbankieren-accounts en/of digitale bankomgevingen en/of mobiele internetbankierenapplicaties onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten onrechtmatig verworven en/of door middel van computervredebreuk en/of door middel van het versturen van frauduleuze phishingberichten verkregen inloggegevens en/of betaalgegevens; ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde: hij omstreeks de periode van 25 mei 2022 tot en met 30 augustus 2022 te Amsterdam althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk is binnengedrongen in meerdere geautomatiseerde werken, te weten computersystemen en/of een webserver van de [benadeelde partij 7] en de [benadeelde partij 8] en waarop het internetbankierenaccount van een of meerdere personen wordt gehost, namelijk; [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [benadeelde partij 5] , door het doorbreken van een beveiliging en/of door een technische ingreep en/of met behulp een valse sleutel en/of door het aannemen van een valse hoedanigheid, te weten door gebruik te maken van onrechtmatig verkregen inloggegevens van internetbankieren van meer personen en daarmee in te loggen op de daadwerkelijke internetbankieren-omgeving/ internetbankieren-account op de website van de bank van meer personen, of door die personen onder valse voorwendselen te bewegen tot het installeren van ‘Anydesk’ of een andere ‘Remote Access Tool’ op zijn/haar computersysteem, waardoor hij, verdachte en zijn medeverdachten toegang verkregen tot de computersystemen van die personen en/of zich daarop bevindende online bankrekening(en) /online bankierenpagina(‘s). ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde: hij op meer tijdstippen in de periode van 2 augustus 2021 tot en met 17 mei 2022 te Essen (België) en Spijkenisse en Vaals en Heinkenszand en Hilversum en Amsterdam, (telkens) met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid meer hieronder te noemen personen heeft bewogen tot afgifte van enig goed, te weten - [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] op10 augustus 2021 te Essen, België heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag van 350,- euro (voor aankoop van een jas) en - [slachtoffer 11] op 28 april 2022 te Spijkenisse heeft bewogen tot afgifte van 80,- euro (voor aankoop van voetbaltickets) en - [benadeelde partij 3] op 28 april 2022 te Vaals heeft bewogen tot afgifte van 250,- euro (voor aankoop van voetbaltickets) en - [slachtoffer 12] op 28 april 2022 te Heinkenszand heeft bewogen tot afgifte van 200,- (voor aankoop van voetbaltickets) en - [slachtoffer 13] in de periode van 13 april 2022 tot en met 17 april 2022 te Hilversum heeft bewogen tot afgifte van 100,- euro (voor aankoop van een pet en een joggingpak) door zich richting voornoemd slachtoffer op Markplaats voor te doen als bonafide verkoper van door hem, verdachte aangeboden (voornoemde) goederen en daarbij ter legitimatie een naam en id bewijs heeft toegestuurd naar voornoemd slachtoffer welke niet aan hem, verdachte toebehoorde en een bankrekeningnummer heeft toegestuurd welke moest doorgaan voor die van een verkoper te goeder trouw en - [slachtoffer 14] op 2 augustus 2021 te Amsterdam heeft bewogen tot afgifte van 100,- euro (voor verkrijgen van een dienst) door zich richting voornoemde slachtoffer [slachtoffer 14] op snapchat voor te doen als een persoon met wie voornoemde [slachtoffer 14] een date kon hebben (tegen betaling) en daarbij om 100,- euro heeft gevraagd en een bankrekeningnummer heeft toegestuurd welke moest doorgaan voor die van de levering van de dienst en een adres heeft doorgegeven welke moest doorgaan voor het adres alwaar de date zou plaatsvinden, waardoor voornoemd slachtoffer bewogen is tot bovenomschreven afgifte; ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde: hij omstreeks de periode van 2 augustus 2021 tot en met 30 augustus 2022 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, voorwerpen, te weten geldbedragen en goederen, te weten - een telefoon (rode Samsung A10) en - een bankpas, toebehorende aan [slachtoffer 1] en - een bankpas, toebehorende aan [slachtoffer 2] en - een bankpas toebehorende aan [slachtoffer 7] en - een bankpas toebehorende aan [benadeelde partij 4] en - een bankpas toebehorende aan [slachtoffer 17] hebben verworven, voorhanden gehad, en/of daarvan gebruik hebben gemaakt, terwijl hij en zijn mededader(s) wist(en), dat die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk onmiddellijk afkomstig waren uit eigen misdrijf en/of hij en zijn mededader(s) van het plegen van dit feit/deze feiten een gewoonte hebben gemaakt; en hij omstreeks de periode van 2 augustus 2021 tot en met 30 augustus 2022 te Amsterdam, althans in Nederland, voorwerpen, te weten geldbedragen en goederen, te weten - een bankpas, toebehorende aan [slachtoffer 15] en - een bankpas toebehorende aan [slachtoffer 16] heeft verworven, voorhanden gehad, en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, dat die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk onmiddellijk afkomstig waren uit eigen misdrijf en/of hij van het plegen van dit feit/deze feiten een gewoonte heeft gemaakt; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6 Bewijs De rechtbank grondt haar beslissing dat de verdachte het bewezen geachte heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht. 7 Strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 8 Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 9 Motivering van de straffen en maatregelen De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 6 maanden. De officier van justitie heeft opgemerkt dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is omdat verdachte in de afgelopen periode tweemaal veroordeeld is, waarvoor hij in totaal een jeugddetentie van anderhalf jaar en een PIJ-maatregel opgelegd heeft gekregen en de feiten in de onderhavige strafzaak voor die strafoplegging zijn gepleegd.
Volledig
De officier van justitie beseft dat met het opleggen van een nieuwe jeugddetentie de reeds ingezette behandeling in het kader van de PIJ-maatregel gedeeltelijk onderbroken wordt. De officier van justitie heeft echter begrepen dat deze onderbreking slechts zeer beperkt zal zijn. Op dit moment ondergaat verdachte al jeugddetentie in de [detentieadres] vanwege een veroordeling in een andere strafzaak. Deze detentie heeft de (reeds ingezette) behandelingen in het kader van de aan verdachte opgelegde PIJ-maatregel niet of in beperkte mate onderbroken; die behandelingen lopen. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bij pleidooi verzocht om te kijken naar de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft de afgelopen tijd een bijzondere ontwikkeling doorgemaakt. Hij neemt verantwoordelijkheid voor de feiten. Hoewel verdachte beseft dat er nog veel moet gebeuren, heeft hij ook al stappen gezet. De maatschappij en verdachte zijn gebaat bij een verdere behandeling en deze moet niet doorkruist worden door een jeugddetentie. Hoewel het klopt dat verdachte een deel van zijn therapieën op dit moment kan blijven volgen, kan verdachte gedurende de jeugddetentie zomaar worden overgeplaatst naar een andere JJI, waardoor de behandeling wel wordt onderbroken. Het is bovendien niet wenselijk dat verdachte onder de noemer ‘jeugddetentie’ feitelijk zijn ‘PIJ-maatregel’ zou ondergaan. Het oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank zich laten leiden door de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van de verdachte zoals die naar voren komt in nagenoemde rapportages en hetgeen de deskundigen ter zitting hebben verklaard. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang. De rechtbank heeft bij het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich alleen, of samen met anderen, gedurende een langere periode op een zeer intensieve wijze beziggehouden met oplichtingen en diefstallen van een aanzienlijk aantal slachtoffers. Verdachte heeft zich ook ten behoeve van voornoemde delicten, schuldig gemaakt aan computervredebreuk en gewoontewitwassen. De rechtbank is geschrokken van de professionele wijze waarop verdachte alleen, maar ook samen met zijn mededaders, te werk is gegaan. Verdachte en zijn mededader(s) hebben de slachtoffers op slinkse wijze geldbedragen afhandig gemaakt. Daarbij heeft verdachte gebruik gemaakt van verschillende oplichtingstechnieken, waaronder bankhelpdeskfraude, familie-in-nood-fraude, Marktplaatsfraude en Whatsappfraude. Uit het dossier blijkt zelfs dat verdachte – toen gedetineerd in een andere strafzaak – vanuit de JJI het initiatief heeft genomen om door te gaan met deze frauduleuze activiteiten. Verdachte leek zich onschendbaar te wanen hetgeen ook wordt onderschreven door de verklaring van verdachte op zitting dat hij het gevoel had dat hij ‘onzichtbaar’ was. Verdachte heeft ten koste van anderen op een snelle manier geld willen verdienen en heeft zich daarbij op geen enkele wijze rekenschap gegeven van de schade die hij daarmee aan anderen zou toebrengen en heeft toegebracht. In een aantal gevallen zijn de slachtoffers thuis, in hun eigen woning, benaderd en opgelicht. Ook heeft verdachte geen schroom gehad om oudere mensen te duperen. Verdachte heeft daarmee bewust kwetsbare slachtoffers opgezocht en daar misbruik van gemaakt. Door op deze manier te handelen heeft verdachte bij de slachtoffers niet enkel geld afhandig gemaakt, maar ook het vertrouwen van de slachtoffers geschaad en dit brengt gevoelens van angst en onveiligheid met zich mee. De rechtbank rekent dit verdachte aan. De rechtbank vindt het een positieve ontwikkeling dat verdachte de feiten ter zitting heeft bekend en open kaart heeft gespeeld. Persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie van 30 september 2025, waaruit blijkt dat verdachte eerder veroordeeld is voor (gewelds)delicten. De rechtbank stelt vast dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, nu verdachte na het plegen van onderhavige misdrijven veroordeeld is tot in totaal anderhalf jaar jeugddetentie en een PIJ-maatregel, wat betekent dat aan verdachte nu maximaal een jeugddetentie van 6 maanden kan worden opgelegd. De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de rapportages die over verdachte zijn opgesteld, waaronder het meest recente rapport van de Raad van 2 oktober 2025 ten behoeve van de inhoudelijke behandeling. De Raad adviseert de rechtbank om een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, slechts indien hier direct uitvoering aan wordt gegeven en deze dus zal aansluiten op de recent opgelegde jeugddetentie. De Raad is met de betrokken professionals van mening dat het essentieel is dat verdachte binnen het kader van de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel behandeling ondergaat, maar vindt ook dat er consequenties aan strafbaar gedrag moet zitten, zelfs nu dat betekent dat verdachte wordt ingehaald door de feiten en verdenkingen uit het verleden. Gezien de ernst van de verdenkingen en de kans op recidive doet enkel jeugddetentie volgens de Raad recht aan de situatie. Een andere afdoening, bijvoorbeeld in de vorm van een voorwaardelijke jeugddetentie ofwel een onvoorwaardelijke werkstraf acht de Raad in strijd met de intenties van de PIJ-maatregel. Ter zitting heeft de Raad aangegeven dat de behandelingen welke verdachte volgt in het kader van de PIJ-maatregel niet zijn onderbroken door de jeugddetentie die aan verdachte in een andere strafzaak is opgelegd en welke verdachte nu ondergaat. Strafoplegging Gelet op aard, de ernst en de hoeveelheid feiten, alsmede de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, zoals hiervoor uiteengezet, kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie. De rechtbank vindt het belangrijk dat verdachte, ondanks dat hij al behandeling ondergaat in het kader van een PIJ-maatregel, ook de consequenties van zijn strafbare handelen in onderhavige zaak ervaart. Alles afwegende, zal de rechtbank aan verdachte een jeugddetentie van 4 (vier) maanden opleggen. De rechtbank komt uit op een lagere straf dan door de officier van justitie geëist. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met het gegeven dat onderhavige feiten al een heel lange tijd – 3 tot 4 jaar – geleden zijn gepleegd. Voorts heeft verdachte in de tussentijd al een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd gekregen en krijgt behandeling. Hoewel de PIJ-maatregel op dit moment onderbroken is door een jeugddetentie van 6 maanden in een andere zaak, dient de onderbreking zo kort mogelijk te blijven. De rechtbank neemt daarnaast een advies als bedoeld in artikel 6:1:1 lid 3 Wetboek van Strafvordering op. Dit advies is ingegeven door het belang dat verdachte heeft bij een zo kort mogelijke onderbreking en voortzetting van de in het kader van de PIJ-maatregel ingezette behandeling. De rechtbank adviseert om direct, nadat verdachte de door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 11 september 2025 jeugddetentie heeft ondergaan, directe uitvoering te geven aan de in dit vonnis opgelegde jeugddetentie – zoals ook geadviseerd is door de Raad. De rechtbank adviseert voorts om de ingezette behandeling zoveel mogelijk voort te zetten in verband waarmee wordt geadviseerd de jeugddetentie door de verdachte te laten ondergaan in dezelfde justitiële jeugdinrichting als waar de verdachte op dit moment verblijft, te weten [detentieadres] . 10 De benadeelde partijen In het algemeen overweegt de rechtbank met betrekking tot de vorderingen van de drie banken dat ingevolge het overzichtsarrest van de Hoge Raad met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij (ECLI:NL:HR:2019:793) de schade die [benadeelde partij 9] , [benadeelde partij 7] en de [benadeelde partij 8] hebben geleden aan te merken is als rechtstreekse schade.
Volledig
Daarnaast zal de rechtbank geen schadevergoedingsmaatregel opleggen bij toe te wijzen vorderingen van de [benadeelde partij 7] en de [benadeelde partij 8] . Deze maatregel is er om natuurlijke personen te ontlasten bij de inning van schadevergoeding. Van een rechtspersoon, en zeker een bank, mag geacht worden zelf de wegen te kennen om een vordering te incasseren. De rechtbank ziet geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. [benadeelde partij 9] De benadeelde partij [benadeelde partij 9] vordert een schadevergoeding van € 4.249,36 bestaande uit materiële schade voor schadeloosstelling van [slachtoffer 7] (€ 4.009,36) en onderzoekskosten (€240,-). Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht een gedeelte van de vordering hoofdelijk toewijsbaar, met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft verzocht om matiging van het bedrag. De officier van justitie is van mening dat enkel de aankoop bij de [winkel] (€ 1.959,98) voor vergoeding in aanmerking komt, aangezien bewezen kan worden dat verdachte deze betaling heeft gedaan. Ook acht de officier van justitie de vordering voor de onderzoekskosten (€ 240,-) voor vergoeding toewijsbaar. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om aan te sluiten bij het standpunt van de officier van justitie. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is – anders dan het standpunt van de officier van justitie – van oordeel dat de vordering geheel toewijsbaar is. De [benadeelde partij 9] heeft de door [slachtoffer 7] geleden schade vergoed. De rechtbank is van oordeel dat tussen de bewezenverklaarde diefstal door verdachte en de schade van de bank voldoende verband bestaat om te kunnen concluderen dat de bank door dit handelen rechtstreekse schade heeft geleden. Verdachte wordt, zoals ten laste gelegd onder feit 2, veroordeeld voor diefstal in vereniging van een bedrag van € 4.009,36. Dit betekent dat t verdachte daardoor aansprakelijk kan worden gehouden voor vergoeding van het gehele bedrag. De rechtbank heeft gezien dat aan medeverdachte [medeverdachte 2] ten laste is gelegd diefstal met een valse sleutel van € 2.000,- en dat hij hiervoor is veroordeeld. De rechtbank wijst de vordering om die reden hoofdelijk toe. De rechtbank wijst daarnaast het gevorderde bedrag vanwege de onderzoekskosten toe. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk [benadeelde partij 9] toe en veroordeelt verdachte tot betaling van € 4.249,36 (zegge: vierduizend tweehonderdnegenveertig euro en zesendertig cent) voor materiële kosten en onderzoekskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan tot aan de dag van algehele voldoening. De rechtbank wijst het verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel af. [benadeelde partij 7] De benadeelde partij [benadeelde partij 7] vordert een schadevergoeding van € 28.208,01. De materiële schade bestaat uit schadeloosstelling van: [slachtoffer 5] (€ 13.729,10), [slachtoffer 4] (€ 2.416,90), [benadeelde partij 5] (€ 6.000,-), [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 18] (€ 2.457,60), [slachtoffer 19] (€ 1.001,96), [slachtoffer 20] (€ 902,45), [slachtoffer 21] ( € 860,-) en daarnaast uit onderzoekskosten (€ 840,-). Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de gevorderde schadebedragen ten aanzien van de klanten [slachtoffer 5] , [slachtoffer 4] , [benadeelde partij 5] en [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 18] hoofdelijk toewijsbaar. De officier van justitie is van oordeel dat de gevorderde bedragen ten aanzien van de klanten [slachtoffer 19] , [slachtoffer 20] en [slachtoffer 21] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, omdat deze personen niet in de tenlastelegging worden genoemd. Tot slot is de officier van justitie van oordeel dat 4/7e deel van het gevorderde bedrag van de onderzoekskosten voor vergoeding in aanmerking komt. De officier van justitie verzoekt toewijzing met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om aan te sluiten bij het standpunt van de officier van justitie. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank volgt het standpunt van de officier van justitie. De [benadeelde partij 7] heeft de door [slachtoffer 5] , [slachtoffer 4] , [benadeelde partij 5] en [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 18] geleden schade vergoed. De rechtbank is van oordeel dat tussen de bewezenverklaarde feiten ten aanzien van en de schade voor de bank voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de bank door dit handelen rechtstreekse schade heeft geleden. De rechtbank is van oordeel dat een bedrag van € 24.603,60 dient te worden toegewezen. De rechtbank is van oordeel dat [benadeelde partij 7] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding ten aanzien van de schadeloosstelling van [slachtoffer 19] , [slachtoffer 20] en [slachtoffer 21] , aangezien de feiten ten aanzien van deze personen niet op de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomen. De rechtbank is tot slot van oordeel dat het gevorderde bedrag ten aanzien van de onderzoekskosten gematigd dienen te worden. De vordering ziet op een onderzoek naar 7 dossiers, terwijl in 4 gevallen de betrokkenheid van verdachte bewezen is. De rechtbank zal daarom 4/7e van het gevorderde bedrag ten aanzien van de onderzoekskosten toewijzen en komt uit op een bedrag van € 480,-. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 7] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van € 25.083,60,- (zegge: vijfentwintigduizend drieëntachtig euro en zestig cent) voor materiële schade en onderzoekskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan, tot aan de dag van algehele voldoening. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. De rechtbank wijst het verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel af. [benadeelde partij 8] De benadeelde partij [benadeelde partij 8] vordert een schadevergoeding van € 6.140,-, bestaande uit materiële schade voor de schadeloosstelling van [slachtoffer 2] (€ 5.900,-) en onderzoekskosten (€ 240,-). Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het gevorderde bedrag hoofdelijk toewijsbaar, met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft het gevorderde bedrag niet betwist. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat de vordering inclusief de onderzoekskosten moet worden toegewezen. De [benadeelde partij 8] heeft de door [slachtoffer 2] geleden schade vergoed. De rechtbank is van oordeel dat tussen de bewezenverklaarde feiten ten aanzien van en de schade voor de bank voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de bank door dit handelen rechtstreekse schade heeft geleden. De rechtbank wijst daarnaast het gevorderde bedrag vanwege de onderzoekskosten toe. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 8] hoofdelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling van € 6.140 (zegge: zesduizend honderdveertig euro) voor materiële kosten en onderzoekskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan, tot aan de dag van algehele voldoening. De rechtbank wijst het verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel af. [benadeelde partij 2] De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert een schadevergoeding van € 100,-, bestaande uit materiële schade. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht een schadevergoeding hoofdelijk toewijsbaar maar heeft verzocht het bedrag te matigen tot € 80,- , met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om aan te sluiten bij het standpunt van de officier van justitie.
Volledig
Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat de vordering toewijsbaar is, maar slechts tot een bedrag van € 80,-, aangezien dat bedrag bewezen is verklaard. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe en veroordeelt verdachte tot betaling van € 80,- (zegge: tachtig euro) voor materiële kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan tot aan de dag van algehele voldoening. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. In het belang van [benadeelde partij 2] wordt, als extra waarborg voor betaling, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte opgelegd ter hoogte van € 80,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is geleden. Gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het feit zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen. [benadeelde partij 3] De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert een schadevergoeding van € 250,-, bestaande uit materiële schade. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de vordering hoofdelijk toewijsbaar, met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft het gevorderde bedrag niet betwist. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat de vordering toewijsbaar is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] toe en veroordeelt verdachte tot betaling van € 250,- (zegge: tweehonderdvijftig euro) voor materiële kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan tot aan de dag van algehele voldoening. In het belang van [benadeelde partij 3] wordt, als extra waarborg voor betaling, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte opgelegd ter hoogte van € 250,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is geleden. Gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het feit zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen. [benadeelde partij 4] De benadeelde partij [benadeelde partij 4] vordert een schadevergoeding van € 11.900,-, bestaande uit zowel materiële als immateriële schade. De rechtbank is – met de officier van justitie en raadsman – van oordeel dat de benadeelde partij [benadeelde partij 4] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering. De vordering is niet onderbouwd met stukken en ook uit de aangifte valt geen nadere onderbouwing ten aanzien van de geleden schade op te maken. [benadeelde partij 5] De benadeelde partij [benadeelde partij 5] vordert een schadevergoeding van € 600,-, bestaande uit zowel materiële als immateriële schade. De rechtbank is – met de officier van justitie en raadsman – van oordeel dat de benadeelde partij [benadeelde partij 5] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij heeft in het verzoek tot schadevergoeding opgenomen dat zijn voorbumper geraakt is bij het uitparkeren. Uit het dossier volgt op geen enkele wijze de betrokkenheid van verdachte bij schade aan een voorbumper. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de schade (€ 6.000,-) die [benadeelde partij 5] geleden heeft naar aanleiding van de bewezenverklaarde onder feit 2 vergoed is door de [benadeelde partij 7] . [benadeelde partij 6] vordert een schadevergoeding van € 1.500,- bestaande uit immateriële schade. De rechtbank is – met de officier van justitie en raadsman – van oordeel dat [benadeelde partij 6] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering. De zaak van [benadeelde partij 6] is geseponeerd, wat betekent dat deze zaak niet aan verdachte ten laste gelegd is. 11 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36f, 47, 63, 77a, 77g, 77i, 77gg, 138ab, 310, 311, 326, 420bis, 420ter van het Wetboek van Strafrecht. 12 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op: ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde: medeplegen van computervredebreuk, meermalen gepleegd ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde: oplichting, meermalen gepleegd ten aanzien van het onder 5 bewezen verklaarde: medeplegen van gewoontewitwassen Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 4 (vier) maanden. Adviseert in het kader van artikel 6:1:1 lid 3 Wetboek van Stafvordering om – nadat verdachte de door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 11 september 2025 jeugddetentie heeft ondergaan – directe uitvoering te geven aan de bij dit vonnis opgelegde jeugddetentie en daarbij de in het kader van de PIJ-maatregel ingezette behandeling zoveel mogelijk voort te zetten in verband waarmee wordt geadviseerd de jeugddetentie door verdachte te laten ondergaan in dezelfde justitiële jeugdinrichting als waar verdachte op dit moment verblijft in het kader van de PIJ-maatregel, te weten [detentieadres] . Benadeelde partij [benadeelde partij 9] Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 9] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling van € 4.249,36 (zegge: vierduizend tweehonderdnegenveertig euro en zesendertig cent voor materiële kosten en onderzoekskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan, tot aan de dag van algehele voldoening. Veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan de [benadeelde partij 9] . Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 9] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is. De benadeelde partij [benadeelde partij 7] Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling van € 25.083,60,- (zegge: vijfentwintigduizend drieëntachtig euro en zestig cent) voor materiële schade en onderzoekskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan, tot aan de dag van algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan de [benadeelde partij 7] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 7] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is. De benadeelde partij [benadeelde partij 8] Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling van € 5.190,- (zegge: vijfduizend en honderdnegentig euro) voor materiële schade en onderzoekskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan, tot aan de dag van algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan de [benadeelde partij 8] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.