Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-12-24
ECLI:NL:RBAMS:2025:11400
Civiel recht
Bodemzaak
5,807 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2025:11400 text/xml public 2026-04-08T12:28:00 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2025-12-24 C/13/767877 / HA ZA 25-953 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig Schadevergoedingsuitspraak Op tegenspraak NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:11400 text/html public 2026-04-07T11:10:08 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2025:11400 Rechtbank Amsterdam , 24-12-2025 / C/13/767877 / HA ZA 25-953 Schadestaatprocedure. RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/767877 / HA ZA 25-953 Vonnis van 24 december 2025 in de zaak van CAMBORDE N.V. , voorheen genaamd COSMOSMEDIA N.V. , gevestigd te Amsterdam, eiseres, advocaat: mr. L.M. Graal, tegen [gedaagde] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde, advocaat: mr. J.H. van Woudenberg. Partijen worden hierna Cosmos en [gedaagde] genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de (schadestaat) dagvaarding van 11 april 2025 met producties 1 tot en met 18, - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 20, - het tussenvonnis van 16 juli 2025, - het e-mailbericht van de rechtbank van 29 september 2025, - het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 1 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Beide partijen exploiteren een mediabureau en houden zich onder meer bezig met de inkoop van advertentieruimte (de media-inkoop) voor hun klanten. 2.2. Op 5 september 2008 hebben Cosmos en [gedaagde] een samenwerkingsovereenkomst gesloten (hierna: de overeenkomst). 2.3. Deze overeenkomst regelt – samengevat en voor zover hier van belang – dat Cosmos bij haar mediaplaatsingen gebruik maakt van de kwantumkortingen die [gedaagde] kan bedingen bij het inkopen van media en dat de daarmee samenhangende backofficewerkzaamheden door [gedaagde] worden uitgevoerd. Daarnaast regelt de overeenkomst dat [gedaagde] de uitbestede backofficewerkzaamheden weer (terug) uitbesteedt aan Cosmos, waarvoor Cosmos een vergoeding van € 150.000 per jaar ontvangt, te betalen in maandelijkse termijnen (die vergoeding wordt in dit vonnis, net als in eerdere procedures, de media-executiefee genoemd). Partijen zijn ervan uitgegaan dat de uitbestede backofficewerkzaamheden een omvang hebben van ongeveer 3 fte. Voorts bepaalt de overeenkomst onder meer dat [gedaagde] aan Cosmos als beloningselement sur-commissions voldoet. De overeenkomst heeft een looptijd tot 1 januari 2019. 2.4. Op 7 februari 2014 heeft [gedaagde] de overeenkomst ontbonden. Partijen hebben vervolgens verschillende procedures tegen elkaar gevoerd. 2.5. Bij vonnis van 24 april 2014 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank – samengevat – de verplichting van [gedaagde] tot betaling van de media-executiefee opgeschort totdat in rechte zou zijn beslist of deze zou zijn komen te vervallen. 2.6. Partijen hebben daarna geprobeerd het geschil door middel van mediation op te lossen. Dat is niet gelukt. 2.7. Bij brief van 5 juni 2014 heeft [gedaagde] de overeenkomst “voor zover nog vereist” ontbonden. Desondanks is Cosmos haar mediaplaatsingen via [gedaagde] blijven doen en heeft [gedaagde] over die mediaplaatsingen sur-commissions aan Cosmos voldaan. 2.8. Cosmos heeft [gedaagde] vervolgens gedagvaard in een bodemprocedure (hierna: de hoofdzaak) en gevorderd dat [gedaagde] de media-executiefee vanaf februari 2014 moet blijven betalen. [gedaagde] heeft in reconventie een verklaring voor recht gevorderd dat zij de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden. Op 21 september 2016 heeft de rechtbank in een tussenvonnis geoordeeld dat [gedaagde] voorshands is geslaagd in het bewijs van haar stelling dat de uitbestede backofficewerkzaamheden sinds januari 2014 structureel van geringere omvang zijn dan 3 fte. De rechtbank heeft Cosmos toegelaten tot tegenbewijs. Daarbij heeft de rechtbank al overwogen dat, als Cosmos niet slaagt in het tegenbewijs, zij is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen, doordat zij niet het initiatief heeft genomen tot overleg met [gedaagde] . In dat geval was [gedaagde] bevoegd de overeenkomst per 5 juni 2014 te ontbinden. 2.9. Nadat Cosmos getuigen had laten horen heeft de rechtbank op 24 januari 2018 in een tweede tussenvonnis geoordeeld dat Cosmos niet is geslaagd in het tegenbewijs. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering tot betaling van de media-executiefee wordt afgewezen en dat [gedaagde] de overeenkomst rechtsgeldig per 5 juni 2014 heeft ontbonden. De rechtbank heeft partijen de gelegenheid gegeven zich nog uit te laten over een punt dat voor deze schadestaatprocedure niet meer relevant is. 2.10. Op 7 mei 2018 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst (hierna: de vso) gesloten. De vso bepaalt – samengevat en voor zover hier van belang – dat mediaplaatsingen met een plaatsingsdatum na 1 juli 2018 niet meer op grond van de overeenkomst worden afgewikkeld, maar door Cosmos zelf en zonder tussenkomst van [gedaagde] . 2.11. Op 25 juli 2018 heeft de rechtbank eindvonnis gewezen in de hoofdzaak, conform de beoordeling in het tweede tussenvonnis. Cosmos is van dit vonnis in hoger beroep gegaan. 2.12. Op 29 november 2019 heeft Cosmos een “Asset Purchase Agreement” gesloten met [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ). [bedrijf 1] heeft – samengevat – de goodwill, het klanten- en relatiebestand en het personeel overgenomen van Cosmos. De koopsom bestond uit een eerste termijn van € 350.000 en twee variabele termijnen, gerelateerd aan de brutomarge over 2020 en 2021 (earn-out). 2.13. Bij arrest van 15 september 2020 , heeft het gerechtshof Amsterdam in de hoofdzaak [gedaagde] alsnog veroordeeld om de fee vanaf februari 2014 aan Cosmos te betalen en [gedaagde] veroordeeld tot vergoeding van de schade die Cosmos heeft geleden als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] in de nakoming van haar verbintenissen uit de overeenkomst tussen partijen, nader op te maken bij staat. Het gerechtshof heeft hiertoe, voor zover hier van belang, overwogen: “(...) 3.11 Aldus was de situatie in februari 2014 dat [gedaagde] de overeenkomst zonder goede gronden had ontbonden en ten onrechte was gestopt met betaling van de media-executiefee. [gedaagde] was dus vanaf februari 2014 zelf in verzuim. (...) 3.13 Uit het voorgaande vloeit voort dat de overeenkomst na 1 februari 2014 en ook na de brief van 5 juni 2014 is doorgelopen en dat [gedaagde] gehouden is tot doorbetaling van de media-executiefee vanaf die datum. (...) In de hierna te behandelen grief XVIII spreekt Cosmos in verband met haar vordering tot schadevergoeding over 31 december 2019 als “de reguliere einddatum van de overeenkomst”. Daaruit leidt het hof af dat Cosmos tot en met december 2019 aanspraak maakt op de media-executiefee. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen. 3.14 Grief XVIII betreft de vordering tot vergoeding van schade, op te maken bij staat, waarmee Cosmos in hoger beroep haar eis heeft vermeerderd. Cosmos stelt dat zij als gevolg van de onterechte ontbinding per 5 juni 2014 schade heeft geleden, doordat zij bepaalde uit de overeenkomst voortvloeiende voordelen heeft gemist. Cosmos doelt daarmee op de aan Cosmos toekomende commissies (sur-commissions) en andere voordelen. [gedaagde] betwist dat weliswaar, maar voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure is toereikend dat de mogelijkheid van schade voldoende aannemelijk is gemaakt, hetgeen hier het geval is. De vordering zal worden toegewezen. (...)” 2.14. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van [gedaagde] verworpen. 2.15. [gedaagde] heeft uit hoofde van die veroordeling in 2022 ruim een miljoen euro aan achterstallige media-executiefee aan Cosmos betaald, plus btw, wettelijke handelsrente en proceskosten. 3 Het geschil 3.1. Cosmos vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 1.156.925,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 15 september 2020 en kosten.
Volledig
Dit bedrag is als volgt opgebouwd: a) € 45.805,00 aan misgelopen sur-commissions, b) € 586.548,00 aan gederfde winst, c) € 314.740,00 aan gederfde verkoopopbrengst, d) € 94.032,00 aan belastingschade, e) € 115.800,00 aan extra kosten. 3.2. [gedaagde] betwist dat Cosmos na de betaling van de achterstallige media-executiefees nog schade heeft geleden, althans zij betwist de hoogte van de schade en de aan de vordering ten grondslag liggende berekeningen. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling juridisch kader en leeswijzer 4.1. Deze procedure betreft een schadestaatprocedure. Dat betekent dat alleen die schade voor vergoeding in aanmerking komt, die het gevolg is van de in de hoofdzaak vastgestelde tekortkoming(en). 4.2. De rechtbank gaat eerst in op de door het gerechtshof vastgestelde tekortkomingen van [gedaagde] en beoordeelt daarna de diverse door Cosmos opgevoerde schadeposten. de door het gerechtshof vastgestelde tekortkomingen 4.3. Uit de aangehaalde overweging 3.11 van het arrest van het gerechtshof (hiervoor geciteerd onder 2.13) blijkt dat de tekortkomingen van [gedaagde] zijn gelegen in de onterechte ontbinding van de overeenkomst en de onterechte opschorting van de verplichting tot betaling van de media-executiefee. dit zijn de enige grondslagen voor de schadevorderingen in deze schadestaatprocedure 4.4. Cosmos stelt daarnaast dat zij schade heeft geleden als gevolg van het feit dat [gedaagde] heeft gehandeld in strijd met de contractuele redelijkheid en billijkheid, onder andere door betalingstermijnen te verkorten en beslag te leggen. Het gerechtshof heeft op dat punt echter geen tekortkoming of onrechtmatig handelen vastgesteld. Voor zover Cosmos op die grond schade vordert, gaat de rechtbank daar om die reden aan voorbij. 4.5. Hetzelfde geldt voor de schade die Cosmos vordert als gevolg van alle procedures die na de ten onrechte ontbinding en opschorting tussen partijen zijn gevoerd. Ten eerste zag slechts een deel van de procedures op de (achteraf gebleken onterechte) ontbinding en opschorting. Ten tweede heeft het gerechtshof ten aanzien van die procedures geen tekortkoming of onrechtmatig handelen van [gedaagde] vastgesteld. 4.6. Ook aan de schade die het gevolg zou zijn van het vertrek van [bedrijf 2] , een grote klant van Cosmos, komt de rechtbank niet toe. Cosmos heeft gesteld dat [gedaagde] in 2016 derdenbeslag heeft gelegd onder (onder andere) [bedrijf 2] , voor vermeende vorderingen op Cosmos. Dit beslag is door de voorzieningenrechter opgeheven, maar [bedrijf 2] heeft naar aanleiding van dit beslag wel de samenwerking met Cosmos opgezegd, aldus steeds Cosmos. Deze gestelde schade zou dus het gevolg zijn van de beslaglegging. Of die beslaglegging onrechtmatig was, heeft het gerechtshof echter niet beoordeeld. Ook is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat deze beslaglegging een rechtstreeks gevolg is van de onterechte ontbinding en opschorting. Deze schade kan dus niet in deze schadestaatprocedure worden gevorderd. de grondslagen per schadevordering volgens Cosmos 4.7. Desgevraagd heeft Cosmos ter zitting naar voren gebracht dat al haar schade het gevolg is van de onterechte ontbinding door [gedaagde] , behalve de belastingschade (schadepost d). Die is een gevolg van de onterechte opschorting, aldus Cosmos. post (a) gemiste sur-commissions wordt toegewezen 4.8. Cosmos vordert € 45.805,00 aan sur-commissions, die zij in de periode van 1 juli 2018 tot en met 31 december 2019 heeft gemist. Als [gedaagde] de overeenkomst niet had ontbonden, zouden partijen in 2018 niet de vso hebben gesloten en zou Cosmos tot eind 2019 commissies hebben ontvangen over de omzet die zij genereerde bij [gedaagde] aan mediaplaatsingen. De hoogte van de schade heeft Cosmos berekend aan de hand van het in 2015 tot en met 2017 gemiddeld per maand van [gedaagde] ontvangen bedrag, vermenigvuldigd met het gemist aantal maanden. [gedaagde] heeft dit bedrag en de daaraan ten grondslag liggende berekening (met inbegrip van de in eerdere maanden betaalde bedragen) onvoldoende gemotiveerd betwist, terwijl zij zelf bij uitstek over de cijfers beschikt om te controleren of de berekening van Cosmos klopt. Gelet op het voorgaande wordt deze schadepost toegewezen. post (b) gederfde winst wordt afgewezen 4.9. Cosmos vordert € 586.548,00 aan gederfde winst. Dat is het verschil tussen de daadwerkelijk gerealiseerde brutomarge van 2014 tot en met 2019 en de marge die Cosmos zou hebben gerealiseerd zonder de onterechte ontbinding door [gedaagde] . Daarbij heeft Cosmos er al rekening mee gehouden dat zij de gemiste media-executiefee over de jaren 2014-2019 inmiddels heeft ontvangen. De schade is echter vooral het gevolg van het feit dat (de [functie] van) Cosmos al die jaren zo veel tijd en energie heeft moeten besteden aan alle juridische procedures. Die tijd en energie heeft hij niet in de groei van het bedrijf kunnen stoppen, waardoor Cosmos winst is misgelopen, aldus Cosmos. Deze vordering wordt afgewezen. 4.10. Ten eerste geldt dat niet alle gevoerde procedures tussen partijen een gevolg zijn van de onterechte ontbinding (zie overweging 4.5). Dan blijft slechts over dat Cosmos lang, namelijk gedurende één bodemprocedure, in onzekerheid heeft gezeten over haar positie. Dat is echter onvoldoende om te zeggen dat Cosmos daarmee de kans om te groeien is ontnomen. De enkele algemene verwijzing van Cosmos naar het wetenschappelijk artikel “Litigation risk and corporate performance” is daarvoor onvoldoende. 4.11. Ten tweede is de hoogte van de gederfde winst onvoldoende onderbouwd. Cosmos heeft verwezen naar een schaderapport van [naam 1] . Die heeft voor de berekening van de positie waarin Cosmos zou hebben verkeerd zónder de onterechte ontbinding gebruik gemaakt van de zogenoemde RECMA-index. Nog daargelaten of deze index geschikt is voor een dergelijke schadeberekening, en of [naam 1] de juiste cijfers heeft gebruikt, is de rechtbank van oordeel dat de schade met de verwijzing naar deze index onvoldoende is onderbouwd. [naam 1] is er immers vanuit gegaan dat Cosmos zich in de jaren 2014 tot en met 2019 zou hebben ontwikkeld conform die index, zonder eerst te hebben geijkt of Cosmos vóór 2014 wel conform die index heeft gepresteerd. Daarmee zijn de berekeningen van [naam 1] onvoldoende feitelijk onderbouwd. post (c) gederfde verkoopopbrengst wordt afgewezen 4.12. Cosmos vordert € 314.740,00 aan gederfde verkoopopbrengst bij de verkoop van de activa aan [bedrijf 1] . Cosmos heeft het volgende toegelicht over de verkoop aan [bedrijf 1] . De rechtbank had inmiddels geoordeeld dat [gedaagde] de overeenkomst terecht had ontbonden, en met de vso was de samenwerking sowieso per 1 juli 2018 beëindigd. Zonder de crediteuren- en debiteurenadministratie en kwantumkortingen van [gedaagde] moest Cosmos op zoek naar een nieuwe samenwerkingspartner. Deze was niet te vinden, vanwege het “gedoe” met [gedaagde] en de lopende hoger beroepsprocedure. Vervolgens heeft Cosmos gezocht naar een koper. Een aandelentransactie lukte om dezelfde reden niet en daarom is gekozen voor een asset-deal met [bedrijf 1] . De koopsom van de activa was gebaseerd op de brutomarge van Cosmos. Als de marges zich normaal hadden kunnen ontwikkelen, waren de marges in 2020 en 2021 ook hoger geweest en had Cosmos een hogere earn-out ontvangen. Het gevorderde bedrag bestaat dan ook (op basis van het rapport van [naam 1] ) allereerst uit € 145.240,00 aan gemiste earn-out. 4.13. Deze vordering wordt afgewezen. Cosmos heeft onvoldoende onderbouwd dat zij bij de verkoop aan [bedrijf 1] een hogere verkoopprijs, met name in de vorm van een hogere earn-out, had kunnen krijgen. Ook aan de berekening van de gemiste earn-out ligt immers de berekening op basis van de RECMA-index ten grondslag. Daarvoor geldt dus hetzelfde als de rechtbank hiervoor in overweging 4.11 heeft geoordeeld. 4.14. Daarnaast is de verkoopprijs volgens Cosmos € 169.500,00 lager uitgevallen door het vertrek van [bedrijf 2] . De rechtbank verwijst naar overweging 4.6 hiervoor. Deze vordering kan niet in deze schadestaatprocedure worden beoordeeld.
Volledig
post (d) belastingschade wordt gedeeltelijk toegewezen 4.15. Cosmos vordert € 94.032,00 aan belastingschade. Zij heeft fiscaal nadeel geleden doordat [gedaagde] in 2022 in één keer alle media-executiefees over 2014 tot en met 2019 heeft betaald (zie overweging 2.15), waardoor Cosmos in de tussenliggende jaren niet heeft kunnen profiteren van het lage vennootschapsbelastingtarief dat in die jaren van toepassing was, aldus Cosmos. Ook met de winsten die Cosmos in de jaren 2014-2019 had kunnen maken, had zij kunnen profiteren van dit lagere tarief. 4.16. Aangezien de rechtbank hiervoor al heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat sprake is van gederfde winst, is dit deel van het gevorderde gemiste belastingvoordeel niet toewijsbaar. 4.17. Partijen zijn het erover eens dat Cosmos in geval van maandelijkse of jaarlijkse betalingen van de media-executiefee gebruik had kunnen maken van het lagere vennootschapsbelastingtarief. Ter zitting heeft [naam 1] – en met hem Cosmos – erkend dat de berekening van de door [gedaagde] ingeschakelde deskundige [naam 2] klopt. Die berekening komt bruto neer op € 59.424,00 aan gemist belastingvoordeel. Gelet op het voorgaande wordt deze schadepost toegewezen tot dat bedrag. post (e) aan extra kosten wordt afgewezen 4.18. Cosmos vordert betaling van € 115.800,00 aan ‘extra kosten’ uit hoofde van artikel 6:96 lid 2 BW. Dat bedrag is opgebouwd uit verschillende schadeposten: de kosten van mediadeskundige [naam 3] . [naam 3] heeft volgens Cosmos onder andere een rapport geschreven voor het verweer in eerste instantie. In het rapport van [naam 1] worden deze kosten begroot op € 11.255,00 exclusief btw, in een door Cosmos overgelegde e-mail noemt [naam 3] zelf een bedrag van € 13.393,50 inclusief btw (dat is € 11.069,01 exclusief btw); de kosten van mediator [naam 4] . In het rapport van [naam 1] worden deze kosten aan de zijde van Cosmos begroot op € 4.079,00 exclusief btw, de door Cosmos overgelegde facturen komen uit op een bedrag van € 4.639,46 exclusief btw; de kosten van [bedrijf 3] . Volgens Cosmos is dit een deskundige die is ingeschakeld tijdens de mediation. De kosten bedragen volgens [naam 1] en de twee overgelegde voorschotfacturen € 10.421,00 exclusief btw; de kosten van deskundige [naam 1] . In zijn rapport heeft hij zijn kosten begroot op € 42.500,00 exclusief btw; de kosten van [bedrijf 4] . Gedurende de looptijd van de overeenkomst kon Cosmos gebruik maken van de databanken en services van [gedaagde] . In de periode van 1 juli 2018 tot en met 31 december 2019 moest zij deze data ten zelf inkopen, aldus Cosmos. Ter onderbouwing van die kosten heeft Cosmos drie facturen overgelegd, samen € 4.561,00 exclusief btw; de kosten van [eenmanszaak] Administratie. Na 1 juli 2018 heeft Cosmos een eigen debiteuren- en crediteurenadministratie op moeten zetten en haar boekhoudpakket uit moeten breiden. De kosten daarvan bedragen volgens opgave van [eenmanszaak] € 34.980,00 aan werkzaamheden en € 4.915,00 aan licenties voor het boekhoudpakket; portokosten. Op grond van de overeenkomst verzond [gedaagde] de fysieke bewijsnummers van de mediaplaatsingen aan de klanten van Cosmos. Na 1 juli 2018 moest Cosmos dit zelf doen. Dat leverde haar tot en met 31 december 2019 € 3.000,00 extra kosten op, aldus Cosmos. 4.19. Op grond van artikel 6:96 lid 2 BW komen – samengevat – de redelijke kosten ter beperking van de schade voor vergoeding in aanmerking (sub a), redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (sub b) en redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte (sub c). Voor toewijzing is vereist dat, in de gegeven omstandigheden, de kosten redelijk zijn en de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren. Indien en voor zover dit niet komt vast te staan, dient de schadepost te worden afgewezen. 4.20. De rechtbank is van oordeel dat Cosmos onvoldoende heeft onderbouwd dat de gemaakte kosten redelijkerwijs noodzakelijk waren als gevolg van de tekortkomingen van [gedaagde] en dat de kosten redelijk zijn. Zo ontbreken specificaties van de werkzaamheden van [naam 3] , [naam 4] , [bedrijf 3] , [naam 1] en [eenmanszaak] , zodat niet valt te achterhalen welke werkzaamheden zijn verricht, of die het gevolg zijn van de tekortkomingen van [gedaagde] en of de bij die werkzaamheden behorende kosten redelijk zijn. Ook de facturen van [bedrijf 4] zijn niet gespecificeerd. Dat wringt, omdat [gedaagde] erop heeft gewezen dat uit de facturen blijkt dat deze voortvloeien uit een contract dat al in 2017 liep. Zonder specificatie blijkt niet dat Cosmos na de vso per juli 2018 meer of andere data inkocht dan daarvóór, en dat deze kosten dus een gevolg zijn van de tekortkomingen van [gedaagde] . Van [naam 3] , [naam 1] en [eenmanszaak] ontbreken de facturen helemaal. Bovendien verschillen de door [naam 1] begrote bedragen ten aanzien van [naam 3] en [naam 4] van de informatie die van [naam 3] en [naam 4] zelf afkomstig is. De portokosten zijn helemaal niet gespecificeerd. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat Cosmos niet van elke (digitale) postzegel een bonnetje heeft, had zij wel nader moeten onderbouwen om welke aantallen het (ongeveer) gaat. Ook na de betwisting van de kosten in de conclusie van antwoord heeft Cosmos geen nadere stukken overgelegd ter onderbouwing van al deze schadeposten. De e-mail van [eenmanszaak] die zij nog heeft ingediend, had zij al eerder overgelegd. Al met al is de rechtbank van oordeel dat Cosmos onvoldoende heeft gesteld dat aan de eisen van artikel 6:96 lid 2 BW is voldaan. Deze vorderingen worden afgewezen. conclusie 4.21. Dit alles leidt tot de slotsom dat de schadepost (a) sur-commissions ten bedrage van € 45.805,00 wordt toegewezen en de schadepost (d) belastingschade tot een bedrag van € 59.424,00 wordt toegewezen. Dat komt neer op een bedrag van € 105.229,00. 4.22. De niet afzonderlijk weersproken wettelijke rente over het toegewezen bedrag is toewijsbaar zoals die is gevorderd. proceskosten 4.23. Omdat beide partijen gedeeltelijk gelijk en gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Cosmos van € 105.229,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 september 2020 tot de dag van volledige betaling, 5.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.3. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt 5.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schaberg, rechter, bijgestaan door mr. L.M. Garritsen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025. Van de vonnissen en arresten die zijn gepubliceerd wordt het ECLI-nummer vermeld. De andere vonnissen zijn niet gepubliceerd. ECLI:NL:GHAMS:2020:2511 ECLI:NL:HR:2022:597