Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-12-03
ECLI:NL:RBAMS:2025:11340
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,077 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2025:11340 text/xml public 2026-03-31T12:23:54 2026-03-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2025-12-03 C/13/770809 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Proceskostenveroordeling NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl AR-Updates.nl 2026-0477 VAAN-AR-Updates.nl 2026-0477 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:11340 text/html public 2026-03-24T15:51:42 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2025:11340 Rechtbank Amsterdam , 03-12-2025 / C/13/770809 Rechtmatigheid van het deskundigenoordeel van het UWV (artikel 32 lid 3 sub b Wet SUWI). Geen re-integratiekansen gemist. Het niet-afgeven van een tweede deskundigenoordeel levert geen onrechtmatige daad op. Vorderingen worden afgewezen. RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/770809 / HA ZA 25-1170 Vonnis van 3 december 2025 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. P.F.A. Reichenbach, tegen de openbare rechtspersoon HET UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN (UWV) , gevestigd te Amsterdam, gedaagde, hierna te noemen: het UWV, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 28 mei 2025, met producties, - de conclusie van antwoord van 30 juli 2025, met producties, - het tussenvonnis van 27 augustus 2025, - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 oktober 2025 en de daarin vermelde stukken. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. In de periode van 1 juli 2022 tot 1 mei 2025 was [eiser] in dienst bij [naam] , die onder die naam een eenmanszaak drijft voor de vervaardiging van op maat gemaakte keukens. 2.2. In september 2023 heeft [eiser] zich ziek gemeld wegens polsklachten. 2.3. [naam] heeft [eiser] op 11 december 2023 een e-mailbericht gestuurd, waarin hij – voor zover hier van belang – het volgende schreef: “(…) Er is geen lange termijn toekomst voor mijn bedrijf en ook niet voor mijn werknemers bij [naam] . De orderportefeuille is nagenoeg leeg. (…) Al dit betekent dat ik helemaal geen zekerheid kan bieden van tijdige loonbetaling. (…) Zoals je weet ben ik zelf aan het re-integreren van een burn-out en ben ik amper 40% werkzaam. (…) Helaas ben jij op dit moment een zieke werknemer die het bedrijf maandelijks ca. €4000,- kost waar ik helaas niet voor verzekerd ben. (…)” 2.4. Op 21 december 2023 heeft een mediationgesprek plaatsgevonden tussen [eiser] en [naam] . Diezelfde dag heeft [naam] een e-mail aan [eiser] gestuurd met daarin het voorstel om de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen met een vergoeding van € 20.000,00 voor [eiser] . [eiser] heeft een tegenvoorstel gedaan. 2.5. Voor eind januari 2024 stond een tweede mediation gesprek gepland. Kort daarvoor heeft de mediator de mediation beëindigd ‘zodat jullie beide een advocaat kunnen raadplegen’. Dat was naar aanleiding van een bericht van [eiser] aan de mediator dat [naam] zijn salaris niet meer kon betalen. 2.6. Via een medewerker van het UWV is [naam] er op 2 april 2024 achter gekomen dat [eiser] een gedeeltelijke WAO-uitkering genoot. 2.7. Op 27 mei 2024 heeft K.N. Naberman als arbeidsdeskundige namens het UWV een deskundigenoordeel afgegeven over de re-integratie-inspanningen van [naam] . Daarin is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen: “(…) 4. Beoordeling re-integratie inspanningen (…) Er is in december 2023 een gesprek geweest met een mediator maar blijkbaar heeft dat niet geleid tot een oplossing. Vervolgens is het advies van de bedrijfsarts om vooral door te gaan met mediation. Werkgever geeft aan dat mediation nu niet mogelijk is omdat er al sprake is van een rechtszaak. Dat is plausibel. Daarnaast geeft de bedrijfsarts aan dat er sprake is van re-integratiemogelijkheden. Wellicht kan werknemer volledig of deels re-integreren in ander werk bij een andere werkgever en/of deels in het eigen werk. Er zal half mei 2024 een inzetbaarheidsprofiel opgesteld worden door de bedrijfsarts en dan zal een arbeidsdeskundig onderzoek uit moeten wijzen wat de re-integratiemogelijkheden zijn. Ondanks het feit dat het geheel geen schoonheidsprijs verdient ben ik van mening dat er in het kader van de Wet Verbetering Poortwachter geen re-integratiekansen zijn gemist, mediation kan nu niet ingezet worden omdat er al een rechtszaak staat gepland op 6 juni 2024, de uitkomst daarvan zal eerst afgewacht moeten worden en het onderzoek naar ander passend werk zal, zo blijkt uit de rapportage van de bedrijfsarts, in de komende weken uitgevoerd worden. 5 Conclusie De re-integratie-inspanningen van de werkgever zijn voldoende.” 2.8. Op 6 juni 2024 was de mondelinge behandeling van een kort geding waarin [eiser] zijn salaris vorderde. De voorzieningenrechter heeft [naam] vervolgens op 20 juni 2024 onder meer veroordeeld tot betaling van de wettelijke verhoging over het inmiddels – te laat – betaalde salaris. In de omstandigheid dat pas op een later moment is gebleken dat [eiser] recht had op een WAO-uitkering, werd aanleiding gezien om de wettelijke verhoging te matigen tot 10%. 2.9. Op 9 juni 2024 en op 4 september 2024 heeft [eiser] een nieuw deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV. Het UWV is daartoe niet overgegaan. 2.10. Vervolgens heeft [eiser] zich op 19 november 2024 beter gemeld bij het UWV, [naam] en de bedrijfsarts. 2.11. Op verzoek van [naam] heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst bij beschikking van 5 maart 2025 met ingang van 1 mei 2025 ontbonden wegens een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Het verzoek om toekenning van een billijke vergoeding van [eiser] werd afgewezen, omdat aan [naam] geen ernstig verwijt kon worden gemaakt van de verstoorde arbeidsverhouding. Van deze beschikking is [eiser] in hoger beroep gekomen. Op instigatie van het Hof hebben [eiser] en [naam] een schikking getroffen. Zij zijn met gesloten beurzen uit elkaar gegaan. 2.12. Tussen partijen is ook een bestuursrechtelijke procedure gevoerd. Het UWV heeft het bezwaar van [eiser] tegen het deskundigenoordeel kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Vervolgens heeft de rechtbank het beroep van [eiser] daartegen ongegrond verklaard. Daarna heeft de Centrale Raad van Beroep bij uitspraak van 9 april 2025 geoordeeld dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het deskundigenoordeel geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene Wet Bestuursrecht. 2.13. Vervolgens heeft [eiser] een formele tuchtklacht ingediend tegen de arbeidsdeskundige. In haar verweer van 2 juni 2025 heeft de arbeidsdeskundige – voor zover hier van belang – het volgende verklaard: “(…) In het telefoongesprek van 16 mei 2024 met klager is mij gebleken dat er al langere tijd (al voor de ziekmelding) sprake is van problemen, werkgever wilde het dienstverband beëindigen maar klager wilde dat niet. Vervolgens is klager ziek geworden. (…) Ik had vervolgens aan de werkgever gevraagd waarom er niet opnieuw mediation was ingezet. De werkgever had mij aangegeven dat er vanuit hem geen vertrouwen meer was dat dit goed kon komen; er was te veel gebeurd en gezegd en er waren juristen mee bezig. (…) Ik heb gezegd dat ik echt naar beide kanten heb gekeken maar dat er mijns inziens voldoende door werkgever is gedaan. Zo was er geprobeerd te re-integreren (ik begreep dat dit niet weer opgestart kan worden vanwege het conflict en het feit dat er weinig werk was dat klager met zijn beperkingen kon doen), dat er een mediationgesprek was geweest (ondanks dat dit niet tot een positief resultaat heeft geleid), dat werkgever er geen vertrouwen meer in had om het opnieuw op te starten en het feit dat er al juristen van beide kanten mee bezig waren. (…) Ten tijde van het opstellen van dit oordeel was de situatie complex en diffuus, mede door tegenstrijdige informatie van partijen. Hierdoor is wellicht mijn afweging te weinig expliciet in de rapportage terechtgekomen. Ik had meer kunnen proberen het specifieker/concreter te krijgen. (…) Hoezeer ik ook betreur voor klager en zijn gemachtigde dat er bij het Deskundigenoordeel van 27 mei 2024 zaken volgens hen niet goed zijn gegaan c.q.
Volledig
anders hadden gekund, stel ik me op het standpunt dat ik onderhavige deskundigenoordeel op naar beste weten en inzicht op zorgvuldige, onafhankelijke en professionele wijze heb verricht en naar eer en geweten heb gehandeld. (…)” 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert na vermindering van de eis dat het UWV bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 49.341,82, vermeerderd met rente en kosten. 3.2. [eiser] stelt daartoe dat het UWV onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door een gebrekkig en feitelijk onjuist deskundigenoordeel af te geven. Het oordeel is gebaseerd op onjuiste feiten en bij het opstellen daarvan zijn niet de vereiste professionele standaarden in acht genomen. Het UWV had niet tot de conclusie kunnen (en mogen) komen dat de re-integratie-inspanningen van [naam] voldoende waren. Ook de herhaaldelijke weigering van het UWV om een nieuw deskundigenoordeel af te geven is volgens [eiser] onrechtmatig. Het UWV heeft op grond van artikel 32 en 32a van de Wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen (Wet SUWI) immers de verplichting om ieder verzoek tot het afgeven van een deskundigenoordeel in behandeling te nemen. Had het UWV op zorgvuldige wijze een nieuw deskundigenoordeel afgegeven, dan zou daarin zeer waarschijnlijk zijn geconcludeerd dat de voormalige werkgever van [eiser] niet aan zijn re-integratieverplichtingen had voldaan. In dat geval had de kantonrechter in de ontbindingsprocedure vermoedelijk een billijke vergoeding toegekend. Nu dat door al deze fouten van het UWV niet is gebeurd, heeft [eiser] schade geleden. Die schade moet het UWV aan hem vergoeden. 3.3. Het UWV concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, vermeerderd met rente daarover. 3.4. Het UWV voert daartoe aan dat het deskundigenoordeel zorgvuldig tot stand is gekomen en een zo volledig mogelijk oordeel geeft over de situatie op dat moment. Verder bestaat er geen wettelijke verplichting voor het UWV om ieder verzoek tot het afgeven van een deskundigenoordeel in behandeling te nemen. Daarmee is de handelswijze van het UWV op geen van beide punten als onrechtmatig aan te merken. Ook betwist het UWV het causale verband. Het oordeel van de arbeidsdeskundige was hetzelfde geweest als het op een andere wijze tot stand was gekomen. Daar voegt het UWV nog aan toe dat een ander oordeel van het UWV de beslissing van de kantonrechter niet anders had gemaakt. Ten slotte betwist het UWV de hoogte van de schade, bij gebrek aan onderbouwing daarvan. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Inleiding 4.1. Op grond van artikel 32 lid 3 sub b Wet SUWI stelt het UWV op verzoek van een werknemer een onderzoek in en geeft het een oordeel over de vraag of de werkgever ten aanzien van zijn zieke werknemer voldoende en geschikte re-integratie-inspanningen heeft verricht. Het doel van deze regeling is het vlottrekken van de re-integratie, indien en voor zover dit tussen werkgever en werknemer voor conflict blijft zorgen. Tegen een deskundigenoordeel van het UWV staat geen bezwaar en beroep open, omdat het geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb. Dit heeft de Centrale Raad van Beroep nogmaals bevestigd in zijn hiervoor onder 2.12 vermelde uitspraak van 9 april 2025. De weg naar de civiele rechter ligt hiermee open. De rechtmatigheid van het deskundigenoordeel 4.2. [eiser] heeft destijds als werknemer van [naam] om een deskundigenoordeel gevraagd. De arbeidsdeskundige is vervolgens tot de conclusie gekomen dat geen re-integratiekansen zijn gemist en dat de re-integratie-inspanningen van [naam] voldoende waren. De motivering van het deskundigenoordeel wekt de indruk dat het toen aanhangige kort geding, dat zeer recentelijk was aangespannen toen de arbeidsdeskundige haar rapport schreef, in de weg stond aan de re-integratie over de hele daaraan voorafgaande periode. Dat is op zichzelf niet het geval. Daarmee lijkt de arbeidsdeskundige wat te kort door de bocht te zijn gegaan. 4.3. Achteraf leek zij dat zelf ook in te zien. In haar verweer in de tuchtprocedure heeft de arbeidsdeskundige verklaard dat zij niet expliciet genoeg is geweest. Tegelijkertijd is zij van mening gebleven dat er al langere tijd problemen waren tussen [eiser] en [naam] . Ook was voor de arbeidsdeskundige van belang dat al was geprobeerd te re-integreren, er een mediationgesprek was geweest, [naam] geen vertrouwen meer had en dat er van beide kanten juristen met de zaak bezig waren. Uit dit verweer kan worden opgemaakt dat de arbeidsdeskundige – ook als zij aan de aanhangige rechtszaak was voorbijgegaan – tot dezelfde conclusie was gekomen, namelijk dat geen re-integratiekansen zijn gemist. 4.4. Voor het vonnis van de kantonrechter geldt hetzelfde. Weliswaar wordt daarin verwezen naar het deskundigenoordeel van het UWV en wordt dit oordeel overgenomen, maar tegelijkertijd heeft de kantonrechter geconstateerd dat [naam] en [eiser] beiden hebben bijgedragen aan de verstoorde arbeidsrelatie. Daarnaast heeft de kantonrechter overwogen dat het feit dat [naam] het salaris in september, oktober en november 2023 niet tijdig heeft uitgekeerd, geen ernstig verwijt oplevert. [naam] had in die periode immers te kampen met een burn-out en met financiële problemen, zoals hij destijds per e-mail aan [eiser] heeft toegelicht. Bovendien kwam [naam] er per toeval achter dat [eiser] een gedeeltelijke WAO-uitkering genoot. Al die omstandigheden tezamen maken dat de kantonrechter geen reden heeft gezien om [eiser] een billijke vergoeding toe te kennen. Ook bij een andere conclusie in het deskundigenoordeel van het UWV, was het oordeel van de kantonrechter er dus zeer waarschijnlijk niet anders op geworden. 4.5. [eiser] verwijt het UWV dat de arbeidsdeskundige voor lief heeft genomen dat [naam] de mediation niet heeft hervat. Voor een geslaagde mediation zijn twee partijen nodig. Op 21 december 2023 heeft een mediationgesprek tussen partijen plaatsgevonden. Hierna hebben partijen met elkaar gecorrespondeerd over het voorstel van [naam] om de arbeidsovereenkomst te beëindigen tegen een vergoeding van € 20.000,00. Dit voorstel heeft [eiser] niet geaccepteerd. In januari 2024 ontstond vervolgens een situatie waardoor [naam] de salarissen niet meer kon betalen. [naam] kwam er later achter dat hij mede in geldnood was gekomen, omdat [eiser] niet tegen hem had gezegd dat hij een gedeeltelijke WAO-uitkering genoot, waardoor aanspraak kon worden gemaakt op een no-riskpolis van het UWV. Daardoor was [naam] op dat moment al niet meer bereid om verder mee te werken aan mediation. Het standpunt van [eiser] dat [naam] die omstandigheid en de slechte financiële situatie van zijn bedrijf als smoes heeft gebruikt, kan in deze procedure niet worden beoordeeld. Vaststaat dat [naam] een eenmanszaak heeft en dat hij in ieder geval vanaf het moment van ontdekking van de WAO-status van [eiser] geen vertrouwen meer had in het mediation-traject. 4.6. Al met al kan niet worden vastgesteld dat daadwerkelijk re-integratiekansen zijn gemist. In zoverre was het deskundigenoordeel dan ook juist, wat er zij van de motivering. Maar zelfs al zou het deskundigenoordeel van het UWV onrechtmatig zijn, dan volgt uit het voorgaande dat dit niet heeft geleid tot schade bij [eiser] . Op deze grondslag is de vordering van [eiser] dus niet toewijsbaar. Het niet-afgeven van een nieuw deskundigenoordeel 4.7. Na het deskundigenoordeel van 27 mei 2024 heeft [eiser] het UWV nog tweemaal verzocht om een nieuw deskundigenoordeel af te geven. Omdat het UWV niet verplicht is om een tweede deskundigenoordeel af te geven, mocht het er in beginsel voor kiezen om de aanvraag daartoe van [eiser] niet in behandeling te nemen. De eerste nieuwe aanvraag kwam binnen veertien dagen na het eerste deskundigenoordeel en het UWV kon zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat een nieuw oordeel op dat moment niet echt zinvol was. Hierna heeft [eiser] in september nogmaals om een nieuw deskundigenoordeel verzocht.