Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-07-11
ECLI:NL:RBAMS:2025:11337
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Beschikking
1,642 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBAMS:2025:11337 text/xml public 2026-02-27T15:44:28 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2025-07-11 13-208565-23 Uitspraak Beschikking NL Amsterdam Strafrecht; Internationaal strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:11337 text/html public 2026-02-26T10:53:49 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2025:11337 Rechtbank Amsterdam , 11-07-2025 / 13-208565-23 Verzoek van de opgeëiste persoon tot aanhouding van de beslissing omtrent de tijd en plaats van de feitelijke overlevering als bedoeld in artikel 36, eerste lid, OLW niet-ontvankelijk verklaard. RECHTBANK AMSTERDAM Internationale rechtshulpkamer Parketnummer : 13-208565-23 Beslissing op verzoek aanhouding beslissing omtrent de tijd en plaats van de feitelijke overlevering (artikel 36, eerste lid, OLW) de opgeëiste persoon: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1986 te (land onbekend), zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande. heeft via zijn raadsman mr. T. Kocabas verzocht om de beslissing omtrent de tijd en plaats van zijn feitelijke overlevering aan te houden. Procedure 1. Bij uitspraak van 25 oktober 2023 heeft de rechtbank de overlevering van de opgeëiste persoon toegestaan aan Polen om daar te kunnen worden vervolgd voor een strafbaar feit. 2. In Nederland is de opgeëiste persoon door de rechtbank Den Haag bij vonnis van 3 juli 2023 ter zake van, kort gezegd, de handel in verdovende middelen, witwassen en wapenhandel veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en met aftrek van voorlopige hechtenis. De opgeëiste persoon heeft hoger beroep ingesteld tegen deze veroordeling. Er is nog geen datum bekend waarop hoger beroep zal worden behandeld. 3. De raadsman van de opgeëiste persoon heeft de rechtbank verzocht om de beslissing omtrent de tijd en plaats van de feitelijke overlevering aan te houden (de rechtbank zal hierna spreken over: uitstel van de feitelijke overlevering ) , omdat de opgeëiste persoon gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht in hoger beroep en de openstaande strafzaak dus thans nog een beletsel vormt voor die feitelijke overlevering. De raadsman heeft aan zijn verzoek verder ten grondslag gelegd dat er op dit moment nog geen voldoende garantie ligt om het eerder door de rechtbank aangenomen algemeen gevaar van schending van artikel 4 Handvest in Poolse remand prisons voor de opgeëiste persoon weg te nemen en dat aan de opgeëiste persoon geen effectieve mogelijkheid is geboden om hem met een videoverbinding in Nederland te horen over de Poolse verdenking. In raadkamer heeft de raadsman zijn verzoek voor wat betreft deze laatste punten (de detentiegarantie en het verhoor per videoverbinding) ingetrokken en gehandhaafd voor zover het betrekking heeft op de Nederlandse strafvervolging als beletsel voor de feitelijke overlevering. 4. De officier van justitie heeft zich in raadkamer primair op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet-ontvankelijk is het verzoek, omdat dit is gedaan buiten de wettelijke termijn voor feitelijke overlevering van 10 dagen na de uitspraak waarbij de overlevering is toegestaan. Subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat er geen reden is om de feitelijke overlevering uit te stellen. Beoordeling Juridisch kader 6. Artikel 35, eerste lid, OLW bepaalt dat zo spoedig mogelijk na de uitspraak waarbij de overlevering geheel of gedeeltelijk is toegestaan, maar niet later dan tien dagen na de datum van deze uitspraak, de opgeëiste persoon feitelijk wordt overgeleverd. Artikel 36, eerste lid (oud), OLW bepaalde dat de beslissing omtrent de tijd en de plaats van de feitelijke overlevering kan worden aangehouden, indien en zolang tegen de opgeëiste persoon een strafrechtelijke vervolging in Nederland gaande is, of een door een Nederlandse rechter tegen hem gewezen strafvonnis nog geheel of ten dele voor tenuitvoerlegging vatbaar is. Per 1 oktober 2024 bepaalt artikel 36, eerste lid, OLW dat de beslissing omtrent de tijd en de plaats van de feitelijke overlevering door de rechtbank, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de opgeëiste persoon of diens raadsman kan worden aangehouden, indien en zolang tegen de opgeëiste persoon een strafrechtelijke vervolging in Nederland gaande is, of een door een Nederlandse rechter tegen hem gewezen strafvonnis nog geheel of ten dele voor tenuitvoerlegging vatbaar is. Oordeel van de rechtbank 7. De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon bij uitspraak van 23 oktober 2023 is toegestaan. Verder stelt de rechtbank vast dat de feitelijke overlevering hedenmiddag zal plaatsvinden. Daaruit leidt de rechtbank af dat de officier van justitie, al dan niet impliciet, na de voormelde uitspraak op grond van artikel 36, eerste lid (oud) OLW heeft beslist dat de beslissing omtrent de tijd en de plaats van de feitelijke overlevering wordt aangehouden. De rechtbank heeft al eerder geoordeeld dat een dergelijke beslissing van de officier van justitie, die geen rechterlijke autoriteit is, onrechtmatig is gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 december 2022. De rechtbank stelt verder vast dat de (impliciete) beslissing van de officier van justitie tot uitstel van de feitelijke overlevering niet binnen 10 dagen nadat de overlevering is toegestaan, is voorgelegd aan de rechtbank om te bezien of zij haar eigen beslissing tot uitstel in de plaats kan stellen van die van de officier van justitie. 8. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de termijn voor feitelijke overlevering als bedoeld in artikel 35, eerste lid, OLW is verstreken zonder dat deze op rechtmatige wijze is verlengd. Dit heeft tot gevolg dat er thans geen mogelijkheid meer bestaat, noch voor de officier van justitie noch voor de opgeëiste persoon of diens raadsman, om een uitstel van de feitelijke overlevering te vorderen dan wel te verzoeken. Dit betekent dat de rechtbank de raadsman niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn verzoek. Beslissing De rechtbank: VERKLAART de opgeëiste persoon niet ontvankelijk in zijn verzoek. Deze beslissing is genomen op 11 juli 2025 door mr. O.P.M. Fruytier, rechter, en in tegenwoordigheid van D. Vermeulen, griffier. Bijvoorbeeld rechtbank Amsterdam 17 oktober 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:6372) HvJ EU 8 december 2022, C-492/22 PPU, ECLI:EU:C:2022:964 (CJ (Uitgestelde overleveringsbeslissing wegens strafvervolging)), punt 65. Zie punt 61 van het arrest.