Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2025-12-18
ECLI:NL:RBAMS:2025:10878
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13-079384-25 Datum uitspraak: 18 december 2025 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994, wonende op het adres [adres] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 december 2025. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M. van der Veen, en van wat verdachte en zijn raadsmannen, mr. T. Felix en R.L. Klaver, naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] en van hetgeen door mr. P. Figge, namens hem, naar voren is gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat op 2 oktober 2024 te Amsterdam door zijn schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden als gevolg waarvan [benadeelde partij] (zwaar) lichamelijk letsel werd toegebracht (overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, hierna: WVW). Subsidiair is dit ten laste gelegd als het veroorzaken van gevaar en/of hinder op de weg (overtreding van artikel 5 WVW). De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I van dit vonnis. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd. 3 Waardering van het bewijs 3.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard. Verdachte heeft volgens de officier van justitie aanmerkelijke schuld aan het veroorzaken van het verkeersongeval gehad, omdat hij zich als bestuurder van een politievoertuig onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen. Als gevolg van het ongeval heeft [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. 3.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft, aan de hand van een schriftelijke pleitnotitie, vrijspraak van het primair tenlastegelegde bepleit. Volgens de verdediging kan niet overtuigend worden bewezen dat het slachtoffer op de rijbaan reed toen verdachte zijn keermanoeuvre inzette. Verdachte kan daarom niet worden verweten dat hij zich onvoldoende ervan heeft vergewist dat de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer vrij was. Dat betekent dat verdachte geen schuldverwijt kan worden gemaakt in de zin van artikel 6 WVW. Van het subsidiair ten laste gelegde moet verdachte in dit scenario worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat sprake is van afwezigheid van alle schuld. Indien de rechtbank tot het oordeel komt dat het slachtoffer op de rijbaan reed, kan het over het hoofd zien van het slachtoffer niet worden gekwalificeerd als aanmerkelijk onvoorzichtig en/of aanmerkelijk onoplettend in de zin van artikel 6 WVW. Daarbij wijst de verdediging op de moeilijkheid van het rijden onder de vrijstelling, de tijdsdruk waaronder beslissingen moeten worden genomen, het beoordelingskader dat daarvoor voor geweldszaken is ontwikkeld en andere omstandigheden, waaronder de regen ten tijde van het ongeval, die het rijden lastig maakten. Diezelfde omstandigheden maken ook dat verdachte geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt als het gaat om gevaar op de weg veroorzaken. De verdachte kan worden verweten dat hij enig gevaar heeft doen ontstaan, maar uit de Brancherichtlijnen en de verklaring van de deskundige volgt dat een bepaalde mate van gevaar wordt aanvaard. 3.3 Het oordeel van de rechtbank 3.3.1. Feitelijke toedracht De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting van de volgende feiten en omstandigheden uit. Op 2 oktober 2024 omstreeks 04.03 uur heeft op de Troelstralaan in Amsterdam een aanrijding plaatsgevonden tussen een herkenbaar politievoertuig en een motorscooter. Het politievoertuig werd bestuurd door verdachte. Verdachte en zijn Verdachte heeft verklaard dat het voor hem niet duidelijk was of de gezochte motorscooter op het Ma Braunpad of de Troelstralaan reed. Bovendien was het donker en regenachtig. Verder was er op dat moment geen sprake van een noodsituatie. De verdachte verleende bijstand aan collega’s, die in het kader van het uitoefenen van controle stoptekens aan de bestuurder van de motor hadden gegeven welke werden genegeerd. Daarbij komt dat verdachte bij het inzetten van de keerbeweging een ononderbroken markering overreed én verdachte heeft verklaard dat hij uit eigen ervaring wist dat de rijbaan niet breed genoeg was om in één keer te keren. Van een politieagent mag onder deze omstandigheden extra voorzichtigheid worden verlangd. Verdachte had het slachtoffer moeten en kunnen zien, zijn motorscooter straalde licht uit en zijn bijrijder heeft het slachtoffer wel gezien. Hieruit volgt reeds dat verdachte voorafgaand en tijdens het keren onvoldoende heeft opgelet op eventueel verkeer dat zich op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer bevond. Daarnaast heeft verdachte de keerbeweging op een onvoorzichtige manier uitgevoerd, door het voertuig dwars stil te zetten op de twee rijstroken voor tegemoetkomend verkeer, terwijl er nog bijna een halve rijstrook ruimte was tussen het voertuig en de stoeprand. Verdachte is met zijn handelen ernstig tekort geschoten in de voorzichtigheid en oplettendheid die van hem mocht worden verwacht. Dat had tot gevolg dat het slachtoffer tegen het politievoertuig is aangereden en het slachtoffer daaraan zwaar lichamelijk letsel heeft overgehouden. Het causale verband tussen de gedragingen van verdachte en het ongeval met het slachtoffer is met het voorgaande een gegeven. De rechtbank is van oordeel dat deze gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval – zoals hiervoor overwogen – als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag in de zin van artikel 6 WVW dienen te worden aangemerkt en dat het aan de schuld van verdachte te wijten is dat het ongeval heeft plaatsgevonden. Dat betekent dat de rechtbank het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen acht. 4 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte: op 2 oktober 2024 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmee rijdende over de Troelstralaan, zich zodanig, te weten aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [benadeelde partij] , zwaar lichamelijk letsel, te weten hersenletsel, een schedelbreuk, een klaplong en verlies van gehoor aan één oor, werd toegebracht, bestaande dat gedrag hieruit: verdachte heeft gereden over de Troelstralaan, komende uit de richting van de Ookmeerweg, en gaande in de richting van het Herman Bonpad, - terwijl het regende en de weg vochtig was, - terwijl het donker was, - terwijl verdachte ter plaatse zeer bekend was, terwijl hij bezig was een bijzondere manoeuvre als bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 uit te voeren, te weten het keren op de weg, verdachte heeft het door hem bestuurde motorrijtuig niet tot stilstand gebracht alvorens hij voornoemde bijzondere manoeuvre is gaan uitvoeren, en verdachte heeft zich bij het keren niet voldoende vergewist dat de rijbaan voor tegengesteld vrij was van enig (kruisend) verkeer, verdachte heeft een dubbele doorgetrokken streep overschreden door met het voornoemde motorrijtuig te gaan keren, waarbij hij de keermanoeuvre niet in één keer kon maken en vervolgens met dat motorrijtuig dwars op de rijbaan voor tegengesteld verkeer stil kwam te staan, en aldus de vrije doorgang voor het overige verkeer heeft belemmerd, als gevolg waarvan de voornoemde [benadeelde partij] in botsing is gekomen met dat dwars op de rijbaan stilstaande motorrijtuig waar verdachte in reed,