Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-21
ECLI:NL:RBAMS:2025:1068
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,451 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/2985
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. J.L. Wittensleger),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. L. Hugenholtz).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank beroep van eiseres tegen de herziening en terugvordering van haar bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw).
1.2.
Met het besluit van 19 juli 2023 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres herzien over de periode van juni 2014 tot en met maart 2023 en een bedrag van € 47.340,87 teruggevorderd wegens schending van de inlichtingenplicht. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.3.
Met het bestreden besluit van 25 april 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.4.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 7 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2.1.
Uit een ingesteld onderzoek naar eiseres en haar zoon door de politie, is bij een huiszoeking een groot geldbedrag van € 26.010,- in beslag genomen. Bij de huiszoeking werd ook een persoon aangetroffen die verklaarde een kamer bij eiseres te huren. Uit de bevindingen van het politieonderzoek komt naar voren dat eiseres heeft verklaard dat zij goederen heeft verkocht via Marktplaats. Naar aanleiding van deze bevindingen is op 3 april 2023 een rechtmatigheidsonderzoek ingesteld door verweerder.
2.2.
De volgende bevindingen zijn vastgelegd in het Rapport Uitkeringsfraude van de sociale recherche van 31 mei 2023. Bij eiseres is sprake van verkoopactiviteiten die moeten worden aangemerkt als handel. Bij Marktplaats is een overzicht opgevraagd met betrekking tot de door eiseres te koop aangeboden goederen. Uit het verkregen overzicht van Marktplaats blijkt dat de gebruiker van het account [e-mailadres] zich op 3 juli 2013 heeft aangemeld bij Marktplaats. Eiseres heeft in de periode van 7 juni 2018 tot en met 9 maart 2023 in totaal 767 advertenties geplaatst waarin goederen te koop waren aangeboden. Gelet op de aard, de regelmaat en vooral het grote aantal advertenties, ging het niet om incidentele verkoop. Eiseres heeft de verkoopactiviteiten op Markplaats niet aan verweerder gemeld. Eiseres heeft van de in- en verkoop geen deugdelijke administratie of boekhouding bijgehouden. Hoeveel inkomsten eiseres met de handelsactiviteiten heeft verworven, heeft zij ook niet duidelijk gemaakt. Op de bankrekening van eiseres zijn weliswaar transacties zichtbaar, maar deze geven geen volledig beeld van de verkoopactiviteiten via Marktplaats. Op basis van het verstrekte overzicht van de advertenties kan het recht op bijstand schattenderwijs worden vastgesteld. De onzekerheid over het verschil tussen de vraagprijzen en de daadwerkelijke verkoopopbrengsten en over mogelijke doublures in de advertenties, komt wegens schending van de inlichtingenplicht voor rekening van eiseres. Verder heeft eiseres vanaf juni 2014 regelmatig stortingen op haar rekening(en) gedaan en een kamer voor twee maanden, september en oktober 2022, onderverhuurd voor € 650,- per maand. De stortingen en het ontvangen geld voor onderverhuur worden gezien als inkomsten. Eiseres heeft verweerder niet op de hoogte gebracht van deze inkomsten.
2.3.
Naar aanleiding van het rechtmatigheidsonderzoek is de bijstandsuitkering van eiseres over de periode van juni 2014 tot en met maart 2023 herzien en wordt de daardoor te veel ontvangen bijstandsuitkering teruggevorderd.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht de uitkering van eiseres heeft herzien en het te veel ontvangen bedrag kon terugvorderen.
Kon verweerder de bijstandsuitkering van eiseres herzien en het geld terugvorderen?
4.1.
Eiseres stelt dat er geen sprake is van handel en dat verweerder ten onrechte de stortingen heeft aangemerkt als middel in de zin van de bijstand. Het Marktplaats account is tien jaar geleden aangemaakt door de zoon van eiseres op haar adres en met haar rekening. Haar zoon was toen dertien jaar oud. De advertenties op Marktplaats betroffen eigen kleding van eiseres en haar zoon. De advertenties op Marktplaats werden regelmatig verwijderd, om deze vervolgens opnieuw te plaatsen om de advertentie weer hoger te laten komen. Bovendien zijn veel van de aangeboden spullen voor minder dan de vraagprijs verkocht, waardoor verweerder ten onrechte uitgaat van de waarde in de advertenties. Ook zijn veel van de geplaatste spullen niet verkocht en eiseres heeft foto’s als bewijs verstrekt. De opgestelde verklaring van eiseres dient aangemerkt te worden als boekhouding en deze is voldoende verifieerbaar. Tot slot stelt eiseres dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met haar uitleg over de stortingen en bijschrijvingen op haar bankrekeningen. Door met voorgaande onvoldoende rekening te houden, heeft verweerder gehandeld in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel alsmede het evenredigheidsbeginsel.
4.2.
De te beoordelen periode ten aanzien van de herziening loopt van juni 2014 tot en met maart 2023.
4.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Een besluit tot herziening of intrekking van de bijstand op grond van artikel 54, derde lid van de Pw is een voor eiseres belastend besluit. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats aan verweerder is om de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en op verweerder de last rust aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening of intrekking is voldaan.
4.4.
Voorts is het voor ontvangers van bijstand niet verboden om goederen via internet te verkopen, mits daarvan en van de daaruit verkregen verdiensten tijdig melding wordt gemaakt aan het bijstandsverlenend orgaan. De opbrengst van incidentele verkoop van privégoederen, al dan niet via internet, wordt in het algemeen niet als inkomen aangemerkt, zodat daarvan in beginsel geen melding behoeft te worden gedaan. Dit is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad). Hieraan ligt ten grondslag dat de bijstand is bedoeld als laatste vangnet voor personen die op geen enkele andere manier kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van hun bestaan. Wanneer uit handel via Marktplaats of rommelmarkten geld wordt verdiend, kan dit in beginsel worden gebruikt om te voorzien in deze kosten.
4.5.
Wanneer de inlichtingenplicht niet is nagekomen en daardoor ten onrechte of teveel bijstand is uitgekeerd, dan is verweerder op grond van de wet verplicht om het recht op bijstand in te trekken dan wel te herzien en terug te vorderen. Hierop is wel een uitzondering mogelijk, namelijk als eiseres aantoont dat zij ook recht op volledige dan wel aanvullende bijstand had gehad als zij de inlichtingenplicht wel was nagekomen. Het is echter aan eiseres om dit aannemelijk te maken. Indien na een schending van de inlichtingenplicht de door eiseres gestelde en aannemelijk gemaakte feiten onvoldoende zijn voor een precieze vaststelling van de inkomsten, dan is het bijstandsverlenend orgaan gehouden om, indien mogelijk, schattenderwijs op basis van de vaststaande feiten vast te stellen tot welk bedrag eiseres in ieder geval recht op bijstand zou hebben gehad. Het eventuele nadeel voor eiseres doordat wordt geschat, komt wegens schending van de inlichtingenplicht voor haar rekening.
4.6.
De rechtbank is van oordeel dat de onderzoeksbevindingen van verweerder een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat eiseres niet aan haar inlichtingenplicht heeft voldaan. Uit het onderzoek blijkt dat eiseres in de periode van 7 juni 2018 tot en met 9 maart 2023 in totaal 767 advertenties heeft geplaatst waarin goederen te koop waren aangeboden. Gelet op de aard, omvang en het structurele karakter van de activiteiten op Marktplaats en de lange periode waarin de advertenties zijn geplaatst, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank - anders dan eiseres betoogt - terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake was van incidentele verkoop van privégoederen. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de advertenties in zo beperkte mate hebben geleid tot verkoop en inkomsten, zoals eiseres stelt, dat in redelijkheid niet meer van de schatting kan worden uitgegaan. Een gekocht goed kan immers ook contant worden betaald. Tijdens het huisbezoek bij eiseres is € 26.010,- aan contant geld aangetroffen. Eiseres heeft daarover verklaard met de verkoop op Marktplaats geld te hebben verdiend. Eiseres had redelijkerwijs kunnen weten dat zij de handelsactiviteiten en de inkomsten daaruit moest melden bij verweerder. Eiseres heeft dit in strijd met de op haar rustende inlichtingenplicht nagelaten.
4.7.
Dat eiseres stelt dat haar zoon het account heeft gemaakt en daarop ook spullen verkoopt, maakt bovenstaande niet anders. Uit de rechtspraak volgt dat verkoopactiviteiten in beginsel worden toegerekend aan de persoon die het in de advertentie vermelde telefoonnummer gebruikt. Nu was weliswaar niet het telefoonnummer van eiseres aan het account gekoppeld, maar wel haar bankrekeningnummer.
4.8.
Eiseres is niet in de onder 4.5. genoemde bewijslast geslaagd. Eiseres heeft geen deugdelijke boekhouding overgelegd van haar verkopen. De door eiseres in beroep overgelegde verklaring en foto’s zijn onvoldoende om vast te kunnen stellen wat de omvang van haar verdiensten is geweest. De lijsten zijn ook niet onderbouwd met controleerbare stukken, zoals e-mails of berichten van kopers. Achteraf valt daarom niet te controleren en te verifiëren in hoeverre sprake is geweest van herhaalde advertenties of advertenties voor dezelfde zaken. Evenmin heeft eiseres op controleerbare wijze inzichtelijk gemaakt welke advertenties door Marktplaats zijn verwijderd en welke advertenties niet tot verkoop hebben geleid. Daar komt bij dat vanaf juni 2014 regelmatig stortingen op de rekening(en) van eiseres worden gedaan en een kamer van twee maanden, september en oktober 2022, is onderverhuurd voor € 650,- per maand. De ontvangen stortingen en het ontvangen geld voor onderverhuur kunnen ook worden aangemerkt als inkomsten. Eiseres heeft verweerder hiervan niet op de hoogte gebracht. Het recht op bijstand over de te beoordelen periode kan daarom niet worden vastgesteld. Verweerder was daarom bevoegd – bij gebrek aan objectieve gegevens en bewijsstukken – schattenderwijs vast te stellen hoe hoog het recht op bijstand van eiseres in de te beoordelen periode was. Verweerder heeft dit ook gedaan. Het eventuele nadeel dat uit deze schatting voortvloeit, dient voor rekening van eiseres te komen.
4.9.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres als gevolg van schending van de inlichtingenplicht in de te beoordelen periode tot een bedrag van € 47.340,87, teveel aan bijstand heeft ontvangen.
4.10.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld. Eiseres heeft niet onderbouwd waarom de gevolgen van het bestreden besluit voor haar onevenredig zijn in verhouding tot de met het bestreden besluit te dienen doelen. Reeds hierom kan deze beroepsgrond niet slagen.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen.
Zie de uitspraak van de Raad van 4 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1644.
Zie de uitspraken van de Raad van 4 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1644 en van 8 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM9097.
Zie de uitspraak van de CRvB van 17 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2130.
Zie de uitspraken van de CRvB van 18 april 20217, ECLI:NL:CRVB:2017:1579 en van 29 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1213.