Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2025-12-24
ECLI:NL:RBAMS:2025:10540
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-272334-25 Datum uitspraak: 24 december 2025 UITSPRAAK op de vordering van 28 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 10 november 2014 door het Landesgericht Feldkirch , Oostenrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Oostenrijk) op [geboortedag] 1985, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in het [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 december 2025, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C.Y. Kekik, advocaat in Rotterdam, en door een tolk in de Turkse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Turkse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van 18 september 2013 , final and legally binding since 21.03.2014, van het Landesgericht Feldkirch, met referentie 52 Hv 33/13v. Blijkens de aanvullende informatie van 5 november 2025 heeft een procedure in hoger beroep plaatsgevonden wat heeft geleid tot de beslissing van 21 maart 2014 van het Oberlandesgericht Innsbruck, met referentie 11 Bs 43/14g (hierna: het arrest). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zeven jaar, twee maanden en twintig dagen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest. Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW ten aanzien van de procedure in hoger beroep niet van toepassing is nu sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder a en b, OLW. Het oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de beslissing van 21 maart 2014 van het Oberlandesgericht Innsbruck aan artikel 12 OLW toetsen. Anders dan de officier van justitie stelt de rechtbank vast dat geen sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. Hoewel de opgeëiste persoon blijkens de aanvullende informatie van 5 november 2025 in persoon is gedagvaard, is niet gebleken dat de opgeëiste persoon daarbij in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet op het proces verschijnt. De rechtbank stelt daarnaast vast dat ook geen sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. De aanvullende informatie vermeldt namelijk alleen dat de opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door een advocaat, maar niet dat de opgeëiste persoon de advocaat heeft gemachtigd namens hem hoger beroep in te stellen en de verdediging te voeren. De recht