Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-01-06
ECLI:NL:RBAMS:2025:105
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,241 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/2686
uitspraak van de meervoudige kamer van 6 januari 2025 in de zaak tussen
[eiseres] ., uit Lijnden, eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister
(gemachtigde: mr. I.M. Kops).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit Alphen aan den Rijn (verzoeker).
Procesverloop
1. Met een tussenuitspraak van 2 september 2024 heeft de rechtbank de minister opgedragen binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de in die tussenuitspraak geconstateerde gebreken in het bestreden besluit van 22 april 2024 te herstellen. De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de tussenuitspraak.
1.1.
De minister heeft op 12 september 2024 schriftelijk verklaard geen gebruik te maken van de gelegenheid de gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
1.2.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
2. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak motiveringsgebreken vastgesteld ten aanzien van de reikwijdte van de informatieverzoeken en het niet toepassen van de uitzonderingsgronden als bedoeld in artikel 5.1, eerste en tweede lid, van de Woo. Om deze gebreken te herstellen dient de minister volgens de tussenuitspraak, kort gezegd:
met betrekking tot de reikwijdte van het verzoek te motiveren waarom niet alle informatie in de auditrapporten herleidbaar is tot eiseressen en in het bijzonder waarom de niet-uitputtende lijst met trefwoorden van eiseressen, zoals de aanduiding van gereedschappen, gebruikte software en een personeelskrant, niet als tot hen herleidbare informatie geweigerd is;
met betrekking tot het belang van de bescherming van inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen te motiveren hoe hij dit belang afweegt tegen het belang van openbaarheid en hoe hij daarbij rekening houdt met de toezichtrelatie van de ILT en de luchtvaartonderhoudsbedrijven en luchtvaartmaatschappijen;
met betrekking tot de bedrijfs- en fabricagegegevens te motiveren of met de auditrapporten in hun geheel (althans: deels) sprake is van bedrijfs- en fabricagegegevens die al dan niet in vertrouwen met de overheid zijn gedeeld.
3. De in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn niet hersteld.
4. Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen, verklaart de rechtbank het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak, omdat de geconstateerde gebreken niet zijn hersteld. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet de minister aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
6. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 371,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F. Zaagsma, voorzitter, en mr. L. Dolfing en mr. K.S. Man, leden, in aanwezigheid van mr. N. Galjee-Melehi, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2025.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.