Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2025-12-19
ECLI:NL:RBAMS:2025:10449
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: AMS 23/3161 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. C.M.E. Schreinemacher), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam , het college (gemachtigde: mr. S.S. Kisoentewari). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het college eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor zijn Waternetkosten. 2. Het college heeft bij besluit van 23 december 2022 de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand voor zijn Waternetkosten afgewezen (het primaire besluit). 3. Eiser heeft tegen het primaire besluit bij brief van 25 januari 2023 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 24 april 2023 heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard (het bestreden besluit). 4. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. 5. De rechtbank heeft het beroep gelijktijdig met de beroepen van eiser die zijn geregistreerd onder de nummers AMS 23/5811 en AMS 23/6769 op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college. Overwegingen Toetsingskader 6. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. 7. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. 8. Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van een besluit door toezending of uitreiking aan de belanghebbende. 9. Een bezwaarschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen of, bij verzending per post, voor het einde van de termijn ter post is bezorgd mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. 10. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, moet het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is. Dan laat het bestuursorgaan op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. Beoordeling van de rechtbank 11. In geschil is uitsluitend de vraag of het college het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. 12. De rechtbank stelt vast dat door partijen niet wordt betwist dat het primaire besluit op 23 december 2022 is ontvangen door eiser. Dat betekent dat de termijn van artikel 6:7 van de Awb één dag na de ontvangst van het besluit door eiser is aangevangen, dus op 24 december 2022, en zes weken later, op 3 februari 2023, is geëindigd. 13. Eiser stelt dat hij zijn op 25 januari 2023 gedateerde bezwaarschrift op 25 januari 2023 zelf bij het stadskantoor van de gemeente heeft bezorgd en daarom tijdig bezwaar heeft gemaakt. Het college stelt, onder verwijzing naar de ontvangststempel op het bezwaarschrift, het bezwaar pas op 20 maart 2023 te hebben ontvangen. Volgens het college is het bezwaar daarom niet tijdig ingediend. 14. Uit vaste rechtspraak volgt dat de gevolgen voor de keuze voor een niet-aangetekende verzending van een bezwaarschrift voor risico van de indiener komen. Verder volgt uit vaste rechtspraak dat het aan de indiener van het bezwaarschrift, die heeft gekozen voor het middel van bezorging in de brievenbus van het bestuursorgaan, is om aannemelijk te maken dat het bezwaarschrift op tijd is ontvangen. In dit geval heeft eiser aangevoerd dat hij het bezwaarschrift op 25 januari 2023 in de brievenbus van het stadskantoor van de gemeente aan de [adres] te Amsterdam heeft gedeponeerd. Dit is door hem echter op geen enkele wijze onderbouwd. Een onderbouwing had bijvoorbeeld kunnen bestaan uit een foto van de deponering of een verklaring