Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-07-09
ECLI:NL:RBAMS:2025:10424
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
9,667 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2025:10424 text/xml public 2026-04-01T13:42:05 2025-12-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2025-07-09 C/13/768651 / KG ZA 25-337 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding Proceskostenveroordeling Schadevergoedingsuitspraak NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl JAR 2026/85 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:10424 text/html public 2026-02-18T13:29:42 2026-02-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2025:10424 Rechtbank Amsterdam , 09-07-2025 / C/13/768651 / KG ZA 25-337 Kort geding. Geschil binnen samenwerking joint-venture. Partner is een eigen gelijksoortige onderneming gestart. Onrechtmatige concurrentie. Verbod gebruik handelsnaam. RECHTBANK Amsterdam Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel Zaaknummer: C/13/768651 / KG ZA 25-337 VVV/EvK Vonnis in kort geding van 9 juli 2025 in de zaak van de vennootschap naar buitenlands recht [eiseres] GMBH , gevestigd te [vestigingsplaats] (Duitsland), eiseres bij dagvaarding van 7 mei 2025, hierna te noemen: [eiseres] , advocaat: mr. S. Herrera Farfán te Amsterdam, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 1] B.V. (tot [datum] [oude naam bedrijf 1] B.V.) , hierna te noemen: [bedrijf 1] of [oude naam bedrijf 1] , gevestigd te Amsterdam, 2. [gedaagde 2] , wonende te [woonplaats] (Zwitserland), hierna te noemen: [gedaagde 2] , gedaagden, advocaat: mr. J.R.S. Adrichem te Haarlem. 1 De procedure 1.1. Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 24 juni 2025 heeft [eiseres] de dagvaarding toegelicht. Gedaagden hebben verweer gevoerd, mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. 1.2. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig: aan de zijde van [eiseres] : [naam 1] , met zijn Duitse advocaat mr. L. Barth en tolk in de Duitse taal K. Sachse en met zijn advocaten mr. S. Herrera Farfán en mr. A.W. van der Veen, aan de zijde van gedaagden: [gedaagde 2] , namens zichzelf en namens [bedrijf 1] , met tolk in de Duitse taal J. Nieuwland en met zijn advocaat mr. J.R.S. Adrichem. 1.3. Na verder debat is vonnis (na uitstel) bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [eiseres] is een Duitse vennootschap waarvan [naam 1] enig bestuurder en aandeelhouder is. 2.2. [eiseres] heeft samen met [gedaagde 2] in 2021 besloten om een onderneming te starten waarmee zij in Amsterdam flexibele werkplekken en kantoorruimten aanbieden aan ondernemers en bedrijven. Op 12 oktober 2021 hebben zij hiertoe de holdingmaatschappij [bedrijf 2] B.V. opgericht waarin zij ieder de helft van de aandelen houden. Op 14 oktober 2021 hebben zij de uitvoerende vennootschap [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3] ) opgericht. [bedrijf 3] is de dochtervennootschap van [bedrijf 2] . [eiseres] en [gedaagde 2] zijn, middels [bedrijf 2] , indirecte bestuurders van [bedrijf 3] . 2.3. [bedrijf 3] handelt sinds haar oprichting onder de handelsnaam ‘ [oude naam bedrijf 1] ’. Zij gebruikt het volgende logo: [afbeelding van handtekening onderaan e-mail] Dit logo gebruikt zij onder meer op haar website, in overeenkomsten met haar klanten, in handtekeningen van e-mails, afgebeeld op de voorgevel van haar kantoorpand en op een uithangbord aan de zijkant van het pand. 2.4. Op 26 november 2024 heeft [gedaagde 2] , zonder medeweten van [eiseres] , de vennootschap [oude naam bedrijf 1] B.V. opgericht. Op 1 mei 2025 heeft [gedaagde 2] de handelsnaam (na ontvangst van een sommatiebrief van [eiseres] ) gewijzigd in [bedrijf 1] . [bedrijf 1] / [oude naam bedrijf 1] is een onderneming die zich ook bezighoudt met de verhuur van kantoorruimten aan ondernemers. Het kantoorpand dat zij hiervoor gebruikt is gevestigd aan de [locatie 1] , op 350 meter afstand van het kantoorpand van [bedrijf 3] . 2.5. Gedaagden hebben vanuit het emailaccount van [bedrijf 3] klanten bericht dat [bedrijf 3] een nieuwe, tweede locatie zou openen aan de [locatie 1] , maar dit betreft het kantoorpand van het door [gedaagde 2] opgerichte [oude naam bedrijf 1] . Zie onder meer de volgende e-mails. De e-mail van 29 november 2024 aan een klant van [bedrijf 3] ( [naam 2] ), waarbij is bijgevoegd de brochure voor het kantoorpand van [oude naam bedrijf 1] met daarop het logo van [bedrijf 3] : “(…) Additionally, as you had the chance to explore our brand-new location at [locatie 1] (…)” De e-mail van 9 december 2024, met als onderwerp “RE: WORKDISTRICT - New Office Space Offers”: “(…) In addition, I’m currently creating a mood board for the new office you viewed at the Nook on [locatie 1] . (…)” En de e-mail van 10 december 2024: “(…) I’m reaching out regarding your current office with us. We are about to open a new location near [locatie 2] , and I thought you and your team might be interested in relocating to this New Space. Since you're currently on the ground floor, the office I have in mind for you offers a canal view, more natural light, and is more spacious than your current office. (…) [afbeelding van handtekening onderaan e-mail] 2.6. Op 28 april 2025 heeft (de advocaat van) [eiseres] een sommatiebrief gestuurd naar gedaagden waarin zij hen onder meer aansprakelijk stelt voor onrechtmatig handelen en [gedaagde 2] (onder meer) sommeert om binnen twee dagen onmiddellijk af te treden als bestuurder van [bedrijf 2] , haar aandelen in [bedrijf 2] in overeenstemming met de statuten aan [eiseres] over te dragen en alle concurrerende activiteiten met [bedrijf 3] te staken. 2.7. Partijen hebben hierna gecorrespondeerd over toegang tot de rekeningen en financiën van [bedrijf 3] . [eiseres] heeft gedaagden op 14 mei 2025 opnieuw een brief gestuurd. Hierin heeft zij hen (onder meer) gesommeerd zich te onthouden van verdere handelingen die schadelijk zijn voor [bedrijf 3] , [bedrijf 2] en [eiseres] , zoals de verkoop van activa en het onrechtmatig gebruik van bedrijfsinformatie en bedrijfsmiddelen van [bedrijf 3] . Tot slot heeft [eiseres] erop gewezen dat [gedaagde 2] ten minste € 51.119 heeft onttrokken aan de bankrekening van [bedrijf 3] en om onmiddellijke terugbetaling van dit bedrag verzocht. 2.8. Bij brief van 23 mei 2025 heeft de (advocaat van) gedaagden gereageerd en de stellingen van [eiseres] (in het algemeen) betwist en voorgesteld dat partijen met elkaar in overleg gaan om tot een oplossing te komen. 3 Het geschil 3.1. [eiseres] vordert – na eisvermeerdering – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: [gedaagde 2] : I. te schorsen als bestuurder voor de duur van zes maanden; II. te veroordelen tot betaling van € 53.469 aan [bedrijf 3] , te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, dan wel de wettelijke rente vanaf het moment waarop iedere ongeoorloofde betaling is verricht, althans de datum van eisvermeerdering; III. te veroordelen aan [eiseres] over te dragen: (i) de bankpassen en/of creditcards van [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] , (ii) de administratie van [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] , en (iii) alle andere benodigdheden om de bestuurstaken ten aanzien van [bedrijf 2] te kunnen uitvoeren; en IV. te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 20.000, voor elke dag of deel daarvan dat niet wordt voldaan aan het gevorderde onder III., Gedaagden: V. te bevelen hetzij direct, hetzij indirect, alle met [bedrijf 3] concurrerende activiteiten te staken en gestaakt te houden; VI. te bevelen ieder gebruik van de handelsnaam " [oude naam bedrijf 1] " en van iedere andere handelsnaam die identiek is aan of slechts in geringe mate afwijkt van de handelsnaam van [bedrijf 3] te staken en gestaakt te houden; VII. te verbieden: a. met klanten en/of andere relaties van [bedrijf 3] op enige wijze in contact te treden of zaken te doen; b. met personeel van [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] op enige wijze in contact te treden of te werven voor [oude naam bedrijf 1] ; c. de stijl en identiteit van [bedrijf 3] na te bootsen of daarbij aan te haken, of in het algemeen de indruk te wekken dat [oude naam bedrijf 1] is verbonden met [bedrijf 3] door op verwarring wekkende wijze aan te haken bij onderscheidende kenmerken van [bedrijf 3] ; d.
Volledig
de e-mailadressen toebehorende aan [bedrijf 3] op enige wijze te gebruiken; e. de bankrekening van [bedrijf 3] en [bedrijf 2] te gebruiken; en f. enige bedrijfsinformatie van [bedrijf 3] te verkrijgen en voor eigen doeleinden te gebruiken; VIII. te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 20.000, voor elke dag of deel daarvan dat gedaagden niet voldoen aan het gevorderde onder V., VI. en VII.; IX. ter zake van het gevorderde onder I. t/m V.,VII. en VIII, te veroordelen in de proces- en nakosten (op basis van het liquidatietarief), te vermeerderen met de wettelijke rente; X. ter zake van het gevorderde onder VI., te veroordelen in de proceskosten op de voet van artikel 1019h Wetboek van Burgergelijke Rechtsvordering (Rv), te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente. 3.2. [eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Door oprichting van de vennootschap ‘ [oude naam bedrijf 1] B.V.’ (nu [bedrijf 1] ) maken gedaagden zich schuldig aan onrechtmatige concurrentie. Deze onderneming van [gedaagde 2] is namelijk een kopie van hun gezamenlijke onderneming. Niet alleen de naam was hetzelfde, maar [gedaagde 2] heeft ook gebruik gemaakt van het klantenbestand, de werknemers, de know how en financiële middelen van [bedrijf 3] . Door deze gedragingen heeft [gedaagde 2] onrechtmatig gehandeld jegens zijn medeaandeelhouder [eiseres] . Daarom heeft [eiseres] er belang bij dat de onrechtmatige concurrentie zo snel mogelijk wordt gestopt en [gedaagde 2] wordt geschorst als bestuurder. Daarnaast moet [gedaagde 2] ook de onterechte betalingen uit de financiële middelen van [bedrijf 3] , die hij heeft aangewend voor zijn eigen bedrijf [oude naam bedrijf 1] , terugbetalen. 3.3. Gedaagden voeren verweer. [gedaagde 2] is samen met [eiseres] de onderneming gestart in Nederland. [eiseres] / [naam 1] was echter structureel afwezig en hij heeft uitdrukkelijk laten weten zich niet meer bezig te willen houden met activiteiten in Amsterdam. Daarom heeft [gedaagde 2] op 26 november 2024 de entiteit [oude naam bedrijf 1] opgericht. Omdat de naam wel enige gelijkenissen vertoont heeft hij deze op 1 mei gewijzigd naar [bedrijf 1] Estate. Verder is [bedrijf 1] geen kopie van [bedrijf 3] omdat; [bedrijf 1] meer is gericht op lange termijn verhuur van kantoorruimte in het hogere segment, klanten meer mogelijkheden hebben om de ruimte in te richten en bijvoorbeeld een muur weg te halen, en de service is anders, er is bijvoorbeeld geen conciërge bij de ingang. [gedaagde 2] heeft de activiteiten binnen [bedrijf 1] vrijwel direct stilgelegd na ontvangst van de sommatiebrief van [eiseres] . [bedrijf 1] heeft bovendien sinds haar bestaan slechts met één huurder, Payhawk, een overeenkomst gesloten. Ten aanzien van de financiering merkt [gedaagde 2] op dat hij slechts één keer, om [bedrijf 1] operationeel te krijgen, een bedrag van € 15.900 heeft overgemaakt van de bankrekening van [bedrijf 3] . [gedaagde 2] erkent dat dit ongepast was en hij heeft daarom voordat deze procedure speelde, uit eigen beweging dit bedrag op 31 maart 2025 teruggestort. [gedaagde 2] betwist dat hij andere gelden van [bedrijf 3] heeft aangewend ter financiering van activiteiten van [bedrijf 1] (of andere vennootschappen). 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Partijen zijn samen een joint venture in Amsterdam begonnen en hebben samen ook nog andere ondernemingen. Tussen hen is nu een geschil ontstaan omdat [gedaagde 2] een eigen onderneming is begonnen, die erg lijkt op hun gezamenlijke onderneming. De vraag is of [gedaagde 2] hierdoor onrechtmatig heeft gehandeld jegens zijn business partner . Deze en daarmee samenhangende vorderingen tot gebruik van de handelsnaam, terugbetaling van gelden, en schorsing als bestuurder worden achtereenvolgens beoordeeld. Voordat de voorzieningenrechter de zaak inhoudelijk beoordeelt, zal hij eerst beoordelen of hij bevoegd is om van de vorderingen van [eiseres] kennis te nemen en het toepasselijk recht vaststellen. Bevoegdheid en toepasselijk recht 4.2. [eiseres] is gevestigd in Duitsland, [bedrijf 1] in Nederland en [gedaagde 2] woont in Zwitserland. De zaak heeft daarom een internationaal karakter. De voorzieningenrechter zal (ambtshalve) beoordelen of hem rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is. 4.3. Ten aanzien van [bedrijf 1] is de Nederlandse rechter bevoegd op grond van de hoofdregel van artikel 2Rv, omdat [bedrijf 1] in Amsterdam is gevestigd. 4.4. Ten aanzien van [gedaagde 2] moet de bevoegdheid worden beoordeeld aan de hand van het Verdrag van Lugano , omdat [gedaagde 2] woonachtig is in Zwitserland. Bij de toepassing en uitleg van het Verdrag van Lugano moet worden gelet op de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) over de relevante – grotendeels gelijkluidende – bepalingen van de Brussel I-bis Verordening. 4.5. In artikel 24 van het Verdrag van Lugano is bepaald dat het gerecht waarvoor de verweerder verschijnt bevoegd is, tenzij de verschijning ten doel heeft de bevoegdheid te betwisten of als op grond van artikel 22 van het Verdrag van Lugano een ander gerecht exclusief bevoegd is. [gedaagde 2] is in deze procedure verschenen zonder de bevoegdheid te betwisten. Ook doet geen van de in artikel 22 van het Verdrag van Lugano omschreven situaties zich hier voor. De Nederlandse rechter heeft daarom rechtsmacht ten aanzien van [gedaagde 2] . 4.6. Het toepasselijk recht moet in dit geval, nu sprake is van vorderingen op grond van onrechtmatige daad, worden bepaald aan de hand van de Rome II Verordening (hierna: Rome II) . Op grond van artikel 14 Rome II komt de voorzieningenrechter uit op de toepasselijkheid van Nederlands recht, omdat partijen in deze zaak blijkens de over en weer betrokken standpunten zijn uitgegaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht, zodat sprake is van een rechtskeuze, die voldoende duidelijk blijkt uit de omstandigheden van het geval. Concurrerende activiteiten 4.7. De voorzieningenrechter oordeelt dat door oprichting en activiteiten van Workdistict Amsterdam/ [bedrijf 1] sprake is van concurrerende activiteiten tegenover [bedrijf 3] . [gedaagde 2] heeft zonder medeweten van [eiseres] deze vennootschap opgericht, die wel degelijk qua naam en activiteiten grote gelijkenissen vertoont met [bedrijf 3] . Dit komt het best naar voren door de e-mails die zijn verstuurd door (nota bene) een medewerkster van [bedrijf 3] , vanuit het emailaccount van [bedrijf 3] . In die e-mails aan bestaande of potentiële klanten van [bedrijf 3] wordt [oude naam bedrijf 1] / [bedrijf 1] gepresenteerd als een ‘brand new location’ van [bedrijf 3] , terwijl dit eigenlijk de onderneming van [gedaagde 2] , het kantoorpand van [oude naam bedrijf 1] , betreft (zie de e-mails in 2.5). [gedaagde 2] heeft hier tegenin gebracht dat hij niet van deze e-mails, dan wel werkzaamheden van de medewerkster van [bedrijf 3] , op de hoogte was en/of hiertoe geen instructie heeft gegeven. [eiseres] heeft echter voldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde 2] hiervan wel op de hoogte was door overlegging van een e-mail van 20 september 2024 van dezelfde medewerkster van [bedrijf 3] die aan (onder meer) [gedaagde 2] schrijft hoeveel uur zij heeft gewerkt aan het project “New Project Office”. 4.8. Verder vertonen de activiteiten van beide ondernemingen grote gelijkenissen. Het betreft beide verhuur van kantoorruimte in Amsterdam. Het verweer van [gedaagde 2] dat [bedrijf 1] geen concurrent is omdat zij zich richt op langere termijn verhuur in het hogere segment gaat niet op. [gedaagde 2] heeft namelijk wel aangehaakt bij het bestaande concept van [bedrijf 3] . [eiseres] heeft dit voldoende aannemelijk gemaakt door aan te tonen dat de door [gedaagde 2] voor [bedrijf 1] gebruikte overeenkomst, algemene voorwaarden en brochure een kopie zijn van, dan wel erg lijken op, die van [eiseres] . Verder blijkt nergens uit dat [bedrijf 1] zich enkel richt op lange termijn huur, althans is dat onvoldoende aannemelijk gemaakt. 4.9.
Volledig
De vraag is vervolgens of de medeaandeelhouder tevens medebestuurder [eiseres] ook een vordering jegens gedaagden kan instellen om deze concurrerende activiteiten te verbieden. De voorzieningenrechter oordeelt dat dit kan. Het voeren van concurrerende activiteiten is niet alleen schadelijk voor [bedrijf 3] en/of Holding, maar is ook in strijd met de specifieke zorgvuldigheidsnorm van artikel 2:8 Burgerlijk Wetboek (BW) die [gedaagde 2] jegens medeaandeelhouder [eiseres] in acht behoort te nemen. [eiseres] hoeft namelijk niet te verwachten dat haar medeaandeelhouder concurrerende activiteiten gaat uitvoeren, daarbij ook betaald personeel van [bedrijf 3] inzet en de concurrerende activiteiten zelfs nog neerzet als verband houdend met [bedrijf 3] . Gedaagden handelen hierdoor onrechtmatig jegens [eiseres] in de zin van 6:162 BW. Om die reden komt [eiseres] een zelfstandig vorderingsrecht toe jegens [gedaagde 2] om hem te gebieden de concurrerende activiteiten te staken. 4.10. Ondanks de toezegging van [gedaagde 2] dat hij de concurrerende activiteiten al heeft gestaakt zal het gevorderde onder V. worden toegewezen en moeten gedaagden alle met [bedrijf 3] concurrerende activiteiten staken en gestaakt houden. De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat dit geldt vanaf de datum van het vonnis. Dat betekent dat [bedrijf 1] de huurovereenkomst met haar enige klant, Payhawk, mag behouden. In het kader van deze voorlopige voorziening wordt de bestaande huurovereenkomst met Payhawk niet getroffen en het innen van de huur van Payhawk valt dus niet onder dit gebod. Het gaat er om dat [bedrijf 1] verder geen concurrerende activiteiten verricht in de toekomst. Aan de veroordeling zal een dwangsom worden verbonden, zoals gevorderd. Deze zal worden beperkt als in de beslissing vermeld. 4.11. Als gevolg van het oordeel dat sprake is van concurrerende activiteiten zullen ook de vorderingen onder VII. (die zien op verboden van nader geconcretiseerde concurrerende activiteiten) grotendeels worden toegewezen. De gevorderde verboden worden in ieder geval allemaal (a tot en met f) toegewezen jegens [bedrijf 1] . De gevorderde verboden onder VII. b en c zullen ook worden toegewezen jegens [gedaagde 2] . Omdat die zien op activiteiten van [bedrijf 1] , en [gedaagde 2] die helemaal niet meer mag verrichten zowel voor zich, als in zijn hoedanigheid van aandeelhouder van [bedrijf 2] /Netherlands. De gevorderde verboden onder VII. a, d, e, en f zullen ook worden toegewezen jegens [gedaagde 2] , in zoverre dat [gedaagde 2] deze activiteiten nog wel mag verrichten als bestuurder van [bedrijf 3] , maar niet meer namens zichzelf, [bedrijf 1] of een andere vennootschap. Aan deze verboden zal een dwangsom worden verbonden, zoals gevorderd. Deze zal worden beperkt als in de beslissing vermeld. Handelsnaam 4.12. [bedrijf 1] had voorheen de handelsnaam [oude naam bedrijf 1] . De handelsnaam ‘ [oude naam bedrijf 1] ’ werd voor de oprichting van [oude naam bedrijf 1] / [bedrijf 1] reeds gevoerd door [bedrijf 3] (zie 2.3). Op grond van artikel 5 Handelsnaamwet (Hnw) is het verboden een handelsnaam te voeren die reeds door een ander rechtmatig wordt gevoerd voor zover daardoor bij het publiek, gelet op de aard van de ondernemingen en de plaats van vestiging, verwarring tussen die ondernemingen is te duchten. Dat in dit geval gevaar bestaat voor verwarring bij het publiek is duidelijk; de handelsnamen zijn identiek, het gaat om dezelfde soort dienst, de ondernemingen richten zich op dezelfde doelgroep, het betreft hetzelfde concept waarbij gelijkende overeenkomsten, algemene voorwaarden en brochure zijn gebruikt waarop ook het bestaande logo van [bedrijf 3] is gebruikt, en tot slot is het kantoorpand gevestigd op 350 meter afstand van [bedrijf 3] . Dat er daadwerkelijk verwarring is ontstaan heeft [bedrijf 3] bovendien ook aannemelijk gemaakt door het verhaal over Payhawk, de (enige) klant van [bedrijf 1] , die in de veronderstelling was een overeenkomst te hebben gesloten met [bedrijf 3] . Dit maakt dat gedaagden inbreuk maken op het handelsnaamrecht van [bedrijf 3] . 4.13. Hoewel [bedrijf 1] haar statutaire naam op 1 mei 2025 heeft gewijzigd van [oude naam bedrijf 1] B.V. naar [bedrijf 1] Estate B.V. is dit onvoldoende om aan te nemen dat er geen gevaar voor verwarring meer is. De handelsnaam werd namelijk op verschillende plekken en manieren gebruikt en onduidelijk is of al dit gebruik is gestaakt. [gedaagde 2] heeft bijvoorbeeld wel toegezegd dat hij de emailadressen heeft gewijzigd naar ‘ [domeinnaam 1] ’ en niet meer ‘ [domeinnaam 2] ’ gebruikt, maar dat heeft hij niet op enige wijze aangetoond. Daarnaast is ook onbekend of het gebruik van de handelsnaam in de overeenkomsten, algemene voorwaarden, brochures en de logo’s op het gebouw is gestaakt. Daarom heeft [eiseres] gerechtvaardigd belang heeft bij het verbod tot staken van het gebruik van de handelsnaam [oude naam bedrijf 1] door gedaagden. Aan deze verboden zal een dwangsom worden verbonden, zoals gevorderd. Deze zal worden beperkt als in de beslissing vermeld. Gebruik financiële middelen [bedrijf 3] 4.14. [eiseres] vordert verder om [gedaagde 2] te veroordelen om de onterechte betalingen uit de financiële middelen van [bedrijf 3] , die hij heeft aangewend voor zijn eigen bedrijf, terug te betalen. Voor toewijzing van een geldvordering is in kort geding slechts plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn en uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is. De verschillende posten zullen achtereenvolgens worden beoordeeld. - salaris [naam 3] 4.15. [eiseres] stelt dat in de periode van 16 september 2024 tot en met 6 mei 2025 vanaf de bankrekening van [bedrijf 3] betalingen zijn verricht aan mevrouw. [naam 3] , voor een totaalbedrag van € 7.248,92. [eiseres] stelt niet bekend te zijn met [naam 3] , [naam 3] werkt volgens haar dus niet voor [bedrijf 3] en daarom hoeft zij ook niet dit salaris te betalen. [gedaagde 2] heeft echter aangevoerd dat [naam 3] is ingeschakeld voor marketingwerkzaamheden ten behoeve van [bedrijf 3] . Uit het LinkedIn profiel van [naam 3] blijkt dat zij werkzaam is voor [naam B.V. 1] (een andere vennootschap van [gedaagde 2] ) en uit een door [gedaagde 2] overgelegde verklaring van [naam 3] volgt dat zij als zzp’er is ingehuurd en werk heeft verricht voor [bedrijf 3] , maar geen arbeidsovereenkomst heeft met [bedrijf 3] , [naam B.V. 1] of enige andere Nederlandse vennootschap. Hoewel de verklaring van [naam 3] aannemelijk maakt dat zij wel werkzaamheden voor [bedrijf 3] heeft verricht, biedt deze geen verklaring voor het feit dat zij op LinkedIn schrijft dat zij sinds juni 2024 werkt voor [naam B.V. 1] en alle ‘company brands’, en tegelijkertijd in de verklaring schrijft geen arbeidsovereenkomst met [naam B.V. 1] (of enige andere Nederlandse vennootschap) te hebben. Het zou dus kunnen dat zij werkzaamheden voor [bedrijf 3] heeft verricht (als zzp’er), maar het is vervolgens onduidelijk of [bedrijf 3] de rekening hiervan moet betalen. Niet uitgesloten is dat de werkzaamheden betrekking hadden op andere activiteiten van [gedaagde 2] . Door het bestaan van deze onduidelijkheden, is het onvoldoende aannemelijk dat [gedaagde 2] het salaris van [naam 3] onterecht met financiële middelen van [bedrijf 3] heeft betaald en hij dit bedrag dus zou moeten terugbetalen aan [eiseres] . Dit is onvoldoende om deze vordering in kort geding te kunnen toewijzen. - hotelkosten 4.16. Tussen 4 maart 2024 en 6 september 2024 zou [gedaagde 2] volgens [eiseres] onterecht een bedrag van € 14.894,65 aan hotelkosten hebben betaald van de bankrekening van [bedrijf 3] . [gedaagde 2] stelt daartegenover dat hij samen met [naam 1] in 2021 heeft afgesproken dat zij hotelkosten mogen declareren omdat ze beide niet in Nederland wonen en ze als bestuurder van [bedrijf 3] af en toe in Nederland moeten zijn. Vast staat dat beide bestuurders niet in [plaats] wonen en het is niet onaannemelijk dat partijen hebben afgesproken dat hotelkosten vergoed zouden worden.
Volledig
Ondanks het feit dat er geen onderbouwing van deze afspraak is gegeven, is op grond van hetgeen in deze procedure is gebleken onvoldoende aannemelijk dat [gedaagde 2] deze hotelkosten onterecht met de middelen van [bedrijf 3] heeft betaald, en dus om deze geldvordering (tot terugbetaling) in kort geding toe te wijzen. - advocaatkosten [naam 4] 4.17. Op 30 januari 2024 is van de bankrekening van [bedrijf 3] een bedrag van € 872,75 overgemaakt naar een advocatenkantoor in [vestigingsplaats] . Blijkens de factuur zien deze kosten op juridisch advies aan [naam 4] , de partner van [gedaagde 2] . [eiseres] stelt dat deze kosten dus privékosten zijn van [gedaagde 2] en hij hiervoor niet de bankrekening van [bedrijf 3] had mogen gebruiken. [gedaagde 2] heeft in reactie hierop toegelicht dat [naam 4] werkzaam is voor de onderneming Network Circle, een andere onderneming waarvan [eiseres] en [gedaagde 2] aandeelhouder en bestuurder zijn. [naam 4] zou volgens [gedaagde 2] marketingwerkzaamheden voor [bedrijf 3] hebben verricht maar hier nooit een vergoeding voor hebben ontvangen en daarom zou zijn afgesproken dat [bedrijf 3] de juridische kosten voor het verlengen van zijn (Duitse) visum zou betalen. Deze verklaring van [gedaagde 2] zou kunnen kloppen omdat op de factuur staat dat deze betrekking heeft op ‘Aufenth’ (aufenthaltstitel betekent verblijfstitel/vergunning in het Duits, vzr). Echter blijkt uit niets dat de afspraak is gemaakt dat [bedrijf 3] deze kosten zou moeten betalen als vergoeding voor marketingwerkzaamheden. Daarom moet [gedaagde 2] dit bedrag wel terugbetalen aan [bedrijf 3] . - advocaatkosten [bedrijf 3] 4.18. Op 13 maart 2025 is € 3.060,21 overgemaakt aan het Nederlandse advocatenkantoor NewGround Law B.V., een advocatenkantoor gespecialiseerd in vastgoed. Uit de declaratie blijkt dat NewGround Law juridische diensten heeft verleend voor het kantoorpand aan de [locatie 1] , het pand van [bedrijf 1] . [gedaagde 2] erkent dat een bedrag van € 874,34 (inclusief BTW) eigenlijk voor rekening van [bedrijf 1] komt maar voert ten aanzien van het overige aan dat de advocaatkosten zien op (advisering over) Reboxd, een huurder van [bedrijf 3] . Uit de specificatie van de factuur blijkt echter dat het merendeel ziet op advisering met betrekking tot de [locatie 1] , dus voor rekening van [bedrijf 1] komt. Alleen het advies van 27-1-25 gaat blijkens de door [gedaagde 2] overgelegde e-mailcorrespondentie over Reboxd. Dat betekent dat van het totaalbedrag van € 2.403,00 (aan fees) het bedrag van € 270,00 (voor dit advies van 0,9 uur van 27-1-25) af wordt gehaald en niet door [gedaagde 2] hoeft te worden terugbetaald. Het overige had [gedaagde 2] niet van de rekening van [bedrijf 3] mogen betalen en daarom moet hij dit terugbetalen. Concreet betekent dit dat [gedaagde 2] € 2.717,18 (na vermeerdering van 5% kantoorkosten en 21% BTW) moet terugbetalen. - factuur Modulap 4.19. Op 1 augustus 2024 is € 263,55 overgemaakt van de bankrekening van [bedrijf 3] naar Modulap, een bedrijf gespecialiseerd in modulaire systemen voor merkpresentaties. Uit de bijbehorende factuur van 22 maart 2024 blijkt dat deze kosten betrekking hebben op de bedrukking van producten van [naam B.V. 1] . [gedaagde 2] erkent dat deze factuur onterecht is betaald uit financiële middelen van [bedrijf 3] . [gedaagde 2] zal dan ook veroordeeld worden om dit terug te betalen. - factuur [naam B.V. 2] 4.20. Op 19 maart 2025 is van de rekening van [bedrijf 3] een bedrag van € 1.058 betaald aan [naam B.V. 2] , een touringcarbedrijf. [gedaagde 2] erkent dat dit bedrag ten onrechte is betaald door [bedrijf 3] . Daarom zal hij ook dit bedrag moeten terugbetalen. - factuur HugeDomains 4.21. Van de rekening van [bedrijf 3] is op 18 juli 2023 een bedrag van € 3.424,44 overgemaakt naar Turn Commerce Inc., het moederbedrijf van HugeDomains. Volgens de factuur van HugeDomains ziet deze betaling op de domeinnaam ' [domeinnaam 3] '. [gedaagde 2] heeft dit niet ontkent maar hij heeft aangevoerd dat mondeling is afgesproken dat betaling van deze factuur dient als compensatie voor werkzaamheden die [gedaagde 2] heeft verricht voor [bedrijf 3] en/of Holding omdat hij nooit een managementvergoeding of salaris hiervoor heeft ontvangen. Deze afspraak heeft [gedaagde 2] echter op geen enkele manier onderbouwd en [eiseres] heeft dit betwist. Omdat wel duidelijk is dat de factuur ziet op [naam B.V. 1] is voldoende aannemelijk dat [bedrijf 3] dit niet hoeft te betalen en dus zal [gedaagde 2] veroordeeld worden om dit bedrag terug te betalen. - schoonmaakkosten 4.22. Van de rekening van [bedrijf 3] is op 20 januari 2025 een bedrag van € 19.329,75 betaald aan [naam eenmanszaak] en op de factuur staat dat deze kosten zien op schoonmaakwerkzaamheden van 710 uur in de eerste twee weken van januari 2025. Volgens [eiseres] zijn deze kosten gemaakt vlak voordat [oude naam bedrijf 1] / [bedrijf 1] in het kantoorpand aan de [locatie 1] is ingetrokken en is het daarom aannemelijk dat de schoonmaakkosten zien op dat pand. [gedaagde 2] heeft dit echter betwist. De schoonmaakkosten zijn volgens hem gemaakt ten behoeve van [bedrijf 3] . Omdat de factuur is gericht aan [bedrijf 3] acht de voorzieningenrechter het voor de beoordeling in dit geding onvoldoende aannemelijk dat deze schoonmaakkosten betrekking hebben op een andere onderneming. Daarom hoeft [gedaagde 2] deze kosten niet terug te betalen. 4.23. Concluderend moet [gedaagde 2] op grond van het voorgaande in totaal een bedrag van € 8.335,92 (872,75 + 2.717,18 + 263,55 + 1.058 + 3.424,44) terugbetalen aan [bedrijf 3] . [eiseres] kan ook deze betalingen terugvorderen op dezelfde grond als genoemd in overweging 4.9 hiervoor. De terugbetaling is gegrond op onrechtmatige daad en terugbetaling kwalificeert daarom als schadevergoeding, daarom zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf het moment van het ontstaan van de schade, het moment waarop iedere ongeoorloofde betaling is verricht. Schorsing bestuurder 4.24. Op grond van het voorgaande kan geoordeeld worden dat [gedaagde 2] in strijd heeft gehandeld met het belang van de vennootschap ( [bedrijf 3] en/of Holding) vanwege de onrechtmatige concurrerende activiteiten en het gebruik van financiële middelen van [bedrijf 3] . Na kritiek en sommatiebrieven van [eiseres] heeft hij deze activiteiten echter wel gestaakt. De vraag is of de hoge drempel om [gedaagde 2] hiervoor bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen als bestuurder is gehaald. Hiertoe spelen de volgende omstandigheden een rol. 4.25. Aan de ene kant is het ernstig dat [gedaagde 2] in strijd heeft gehandeld met de belangen van de vennootschap; door met name de inzet van personeel van [bedrijf 3] voor zijn eigen nieuwe onderneming en door slordig om te gaan met betalingen van rekeningen waarbij hij er onvoldoende op heeft gelet voor welke vennootschap de rekening was bedoeld. Anderzijds is er discussie tussen partijen over de vraag of [eiseres] voldoende informatie heeft over wat er gebeurt in [bedrijf 3] om deze vennootschap alleen te besturen, gelet op het verwijt van [gedaagde 2] dat [eiseres] zich hier nooit om heeft bekommerd of zich ermee heeft bemoeid. Verder verwijten partijen elkaar over en weer dat de een de ander de toegang tot informatie over de vennootschap heeft ontzegd, dan wel die heeft belemmerd. Op dit moment kan in het kader van deze kortgedingprocedure niet worden achterhaald wie er op deze punten gelijk heeft. Wel hebben zowel [eiseres] als [gedaagde 2] er belang bij dat de vennootschap goed bestuurd wordt, zal voortbestaan en er geen situatie zal ontstaan van bestuurdersaansprakelijkheid. Tot slot speelt een rol dat er op dit moment voldoende geld in kas zit voor het voldoen van de lopende verplichtingen. Gelet op al deze omstandigheden is onvoldoende duidelijk dat de belangen van [bedrijf 3] en [eiseres] vereisen dat [gedaagde 2] wordt geschorst als bestuurder. De vordering daartoe zal worden afgewezen. 4.26.
Volledig
Om [eiseres] echter in staat te stellen om zijn rol als bestuurder goed te kunnen uitvoeren zal de vordering om hem toegang te geven (vordering III) tot alle administratie (ii) en alle andere benodigdheden om de bestuurstaken te kunnen uitvoeren (iii) wel worden toegewezen. Gezien hun gezamenlijke verantwoordelijkheid als bestuurders hebben beiden recht op toegang daartoe. Omdat deze vordering ruim is geformuleerd zal de aan deze vordering verbonden dwangsom niet worden toegewezen om executiegeschillen te voorkomen. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat [gedaagde 2] [eiseres] deze informatie zal geven. De bestuurders moeten immers gezamenlijk hun verantwoordelijkheid kunnen dragen. [gedaagde 2] zal niet worden veroordeeld om de bankpassen en/of creditcards van [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] (vordering III onder (i)) aan [eiseres] over te dragen omdat hij niet wordt geschorst als bestuurder. Proceskosten 4.27. Gedaagden zijn (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. 4.28. [eiseres] heeft in het kader van het gevorderde gebod tot het gebruik van de handelsnaam gevorderd dat gedaagden worden veroordeeld in de proceskosten op de voet van artikel 1019h Rv. [eiseres] meent dat deze zaak op grond van de IE Indicatietarieven kwalificeert als ‘normaal’ en daarom het tarief van € 15.000 voor advocaatkosten moet worden toegepast. 4.29. Voor vergoeding op grond van artikel 1019h Rv is echter wel vereist dat de advocaatkosten worden gespecificeerd en moet deze specificatie worden overgelegd , om te bepalen welke kosten daadwerkelijk zijn gemaakt voor handhaving van de IE-rechten. Dat heeft [eiseres] niet gedaan. De enkele blote stelling dat hiermee € 15.000 is gemoeid is onvoldoende. Het gevolg hiervan is dat het liquidatietarief wordt toegewezen. 4.30. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 144,47 - griffierecht € 2.995,00 - salaris advocaat € 1.107,00 - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 4.424,47 4.31. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. veroordeelt [gedaagde 2] tot betaling van € 8.335,92 aan [bedrijf 3] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop iedere ongeoorloofde betaling is verricht, 5.2. veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiseres] toegang tegeven tot: de administratie van [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] , en alle andere benodigdheden om de bestuurstaken ten aanzien van [bedrijf 2] te kunnen uitvoeren, 5.3. beveelt gedaagden, hetzij direct, hetzij indirect, alle met [bedrijf 3] concurrerende activiteiten te staken en gestaakt te houden, met inachtneming van het bepaalde in overweging 4.10, 5.4. beveelt gedaagden ieder gebruik van de handelsnaam " [oude naam bedrijf 1] " en van iedere andere handelsnaam die identiek is aan of slechts in geringe mate afwijkt van de handelsnaam van [bedrijf 3] te staken en gestaakt te houden, 5.5. verbiedt [bedrijf 1] om: a. met klanten en/of andere relaties van [bedrijf 3] op enige wijze in contact te treden of zaken te doen; b. met personeel van [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] op enige wijze in contact te treden of te werven voor [oude naam bedrijf 1] ; c. de stijl en identiteit van [bedrijf 3] na te bootsen of daarbij aan te haken, of in het algemeen de indruk te wekken dat [oude naam bedrijf 1] is verbonden met [bedrijf 3] door op verwarring wekkende wijze aan te haken bij onderscheidende kenmerken van [bedrijf 3] ; d. de e-mailadressen toebehorende aan [bedrijf 3] op enige wijze te gebruiken; e. de bankrekening van [bedrijf 3] en [bedrijf 2] te gebruiken; en f. enige bedrijfsinformatie van [bedrijf 3] te verkrijgen en voor eigen doeleinden te gebruiken; 5.6. verbiedt [gedaagde 2] om: b. met personeel van [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] op enige wijze in contact te treden of te werven voor [oude naam bedrijf 1] ; c. de stijl en identiteit van [bedrijf 3] na te bootsen of daarbij aan te haken, of in het algemeen de indruk te wekken dat [oude naam bedrijf 1] is verbonden met [bedrijf 3] door op verwarring wekkende wijze aan te haken bij onderscheidende kenmerken van [bedrijf 3] ; 5.7. verbiedt [gedaagde 2] om namens [bedrijf 1] , zichzelf of een andere vennootschap dan [bedrijf 3] : a. met klanten en/of andere relaties van [bedrijf 3] op enige wijze in contact te treden of zaken te doen; d. de e-mailadressen toebehorende aan [bedrijf 3] op enige wijze te gebruiken; e. de bankrekening van [bedrijf 3] en [bedrijf 2] te gebruiken; en f. enige bedrijfsinformatie van [bedrijf 3] te verkrijgen en voor eigen doeleinden te gebruiken; 5.8. veroordeelt gedaagden om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordelingen onder 5.3, 5.4, 5.5, 5.6 en 5.7 voldoen, tot een maximum van € 500.000,00 is bereikt, 5.9. veroordeelt gedaagden in de proceskosten van € 4.424,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 5.10. veroordeelt gedaagden tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.11. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.12. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. T.H. van Voorst Vader, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.H. van Kolfschooten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2025. het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, Lugano 30 oktober 2007, PbEU 2007, L 339/3 (het Vedrag van Lugano) Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen, PbEU 2007, L 199/40 (Rome II) Zie Indicatietarieven in IE-zaken (https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/indicatietarieven-in-ie-zaken-rechtbanken-04-2017.pdf) onder punt 5 Specificatie: vereisten Zie Indicatietarieven in IE-zaken (https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/indicatietarieven-in-ie-zaken-rechtbanken-04-2017.pdf) onder punt 7a type: EvK coll: KH