Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2025-12-24
ECLI:NL:RBAMS:2025:10371
RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/763032 / HA ZA 25-107 Vonnis van 24 december 2025 in de zaak van CA AUTO FINANCE NEDERLAND B.V. , te Amsterdam, eisende partij, hierna te noemen: CAAF, advocaat: mr. H.H. Tan, tegen 1 [gedaagde 1] , te [woonplaats 1] ,2. [gedaagde 2] , te [woonplaats 2] (Duitsland),3. HOLIDAY SPORT B.V. , te [vestigingsplaats 2] ,4. [gedaagde 4] B.V. , te [vestigingsplaats 1] , gedaagde partijen, hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , Holiday Sport en [gedaagde 4] , en samen: [gedaagden] , advocaat: mr. P.H.A. Mulder. 1 Korte samenvatting 1.1. CAAF vordert terugbetaling van de financiering die zij aan Holiday Sport heeft verstrekt, vermeerderd met de daarover verschuldigde kredietvergoeding (totaal: € 222.668,24). Daarnaast vordert CAAF betaling van een contractueel overeengekomen vertragingsrente (‘overdue rente’). CAAF stelt dat Holiday Sport de financieringsovereenkomst behoort na te komen. Ook stelt CAAF dat Holiday Sport en haar (voormalig) indirect bestuurders [gedaagde 4] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig hebben gehandeld door haar te misleiden met het oogmerk om de financiering te verkrijgen. Volgens CAAF zijn zij daarom aansprakelijk voor de schade die daardoor is ontstaan. 1.2. De rechtbank komt in dit vonnis tot het oordeel dat Holiday Sport, [gedaagde 4] en [gedaagde 1] hoofdelijk verplicht zijn tot betaling van de hoofdsom van € 222.668,24. Voor Holiday Sport en [gedaagde 4] volgt deze verplichting uit de financieringsovereenkomst. Voor Holiday Sport, [gedaagde 4] en [gedaagde 1] is deze verplichting hiernaast (ook) op hun onrechtmatig handelen gebaseerd. De vordering tot betaling van ‘overdue rente’ is niet toewijsbaar. Ook is niet komen vast te staan dat [gedaagde 2] onrechtmatig heeft gehandeld. De vordering tegen [gedaagde 2] wijst de rechtbank daarom af. 2. De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 13 januari 2025; - de conclusie van antwoord; - het tussenvonnis van 23 juli 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald; en - het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 oktober 2025, en de daarin genoemde processtukken. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3 De feiten 3.1. CAAF is een financieringsmaatschappij. Zij richt zich op de financiering van (onder meer) autodealerbedrijven en verkoop-/garagebedrijven op het gebied van (gemotoriseerde) twee-, drie- en vierwielers. 3.2. Holiday Sport is een onderneming die actief is op het gebied van onder meer het verkopen, verhuren en leasen van verschillende soorten voertuigen, waaronder caravans en campers. Voor zover hier relevant, ziet de bedrijfsstructuur van Holiday Sport er als volgt uit: [gedaagde 4] is sinds 17 juli 2023 enig bestuurder van Holiday Sport. Tot 17 december 2024 werd [gedaagde 4] bestuurd door [gedaagde 2] . Sinds 17 december 2024 is [gedaagde 1] enig bestuurder van [gedaagde 4] . NB: op 20 maart 2024 is [gedaagde 2] persoonlijk failliet verklaard. Tijdens de onderhavige procedure is dit faillissement opgeheven. 3.3. Op 4 november 2024 is tussen CAAF en Holiday Sport een financieringsovereenkomst gesloten voor de financiering van door Holiday Sport aangekochte (gebruikte) voertuigen tot een maximumbedrag van € 500.000,-. Op grond van deze overeenkomst dient Holiday Sport voor ieder te financieren voertuig een verzoek tot financiering in. Als CAAF dit verzoek accepteert, verstrekt zij aan Holiday Sport het te financieren bedrag (hierna: deelfinanciering). Over elke deelfinanciering is Holiday Sport rente verschuldigd (hierna: kredietvergoeding). Steeds als Holiday Sport een deelfinanciering bij CAAF aanmeldt voor terugbetaling, bijvoorbeeld omdat het betreffende voertuig is verkocht, komt er nieuwe financieringsruimte beschikbaar. De terugbetaling gebeurt via automatische incasso. 3.4. Artikel 7.5 van de financieringsovereenkomst en artikel 2.1k van bijlage 1 bij de financieringsovereenkomst bepalen - samengevat - dat als H Naast betaling van het bedrag van € 222.668,24 plus ‘overdue rente’, vordert CAAF dat [gedaagden] hoofdelijk veroordeeld worden tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 6.775,-, de beslagkosten van € 38.354,16 (vermeerderd met wettelijke rente) en de proceskosten (inclusief nakosten). 4.5. Tussen partijen is de verplichting tot terugbetaling van het bedrag van € 222.668,24 door Holiday Sport en [gedaagde 4] niet in geschil. Voor het overige, worden de vorderingen van CAAF door [gedaagden] betwist. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van CAAF, dan wel tot (gedeeltelijke) afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van CAAF in de kosten van deze procedure. 4.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling 5.1. De vordering van CAAF tot veroordeling van [gedaagden] in de betaling van het bedrag van € 222.668,24 plus ‘overdue rente’ is, kort gezegd, gebaseerd op een drietal grondslagen: (1) de financieringsovereenkomst, (2) de pandakte en (3) onrechtmatige daad. Deze drie grondslagen zullen achtereenvolgens besproken worden, gevolgd door een beoordeling van de vorderingen tot vergoeding van de beslagkosten, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. (1) De financieringsovereenkomst 5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat op Holiday Sport (op grond van de financieringsovereenkomst) en op [gedaagde 4] (op grond van de hoofdelijkheidsovereenkomst) hoofdelijk de verplichting rust het op dit moment nog openstaande bedrag van € 222.668,24 aan CAAF terug te betalen. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of de financieringsovereenkomst ontbonden is en, zo ja, of [gedaagden] bovenop dit bedrag ook ‘overdue rente’ verschuldigd zijn. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. 5.3. Op 19 december 2024 heeft CAAF Holiday Sport en [gedaagde 4] het volgende bericht: “Het verzuim met het voldoen aan uw betalingsverplichtingen geeft ons reden de financieringsovereenkomst hierbij met onmiddellijke ingang te ontbinden.” Anders dan CAAF stelt, leest de rechtbank dit bericht niet slechts als een aankondiging van een eventuele ontbinding, maar als een verklaring dat CAAF de financieringsovereenkomst per direct, dus met ingang van 19 december 2024, ontbindt. De rechtbank baseert zich hierbij op de intentie die uitgaat van de woorden “hierbij” en “met onmiddellijke ingang”. Ook weegt mee dat CAAF in de dagvaarding zelf expliciet gesteld heeft dat zij de financiering heeft opgezegd, onder verwijzing naar het bericht van 19 december 2024. Daarnaast overweegt de rechtbank dat CAAF in dat bericht als reden voor de opzegging dan wel ontbinding van de overeenkomst vermeldt dat sprake is van “verzuim van de betalingsverplichtingen”, terwijl het bestaan van een toerekenbare tekortkoming en verzuim wettelijke grond is voor een rechtsgeldige ontbinding. Hiermee staat naar het oordeel van de rechtbank dus vast dat financieringsovereenkomst met ingang van 19 december 2024 door CAAF is ontbonden. 5.4. Wat overblijft is de vraag of CAAF, ondanks dat de financieringsovereenkomst is ontbonden, recht heeft op de contractueel overeengekomen ‘overdue rente’ over het bedrag van € 222.668,24. 5.5. Op grond van artikel 6:271 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bevrijdt ontbinding de partijen van de daardoor getroffen verbintenissen. Dat wil zeggen: de verbintenis en de afspraken die daarin zijn opgenomen, houden op te bestaan. Dat is anders voor zover de verbintenis al is nagekomen. In dat geval blijft de rechtsgrond voor deze nakoming in stand en ontstaat een verbintenis tot ongedaanmaking van de ontvangen prestaties. Dat betekent in dit geval dat alles wat onder de financieringsovereenkomst aan Holiday Sport betaald is bij wijze van ongedaanmakingsverplichting aan CAAF terugbetaald moet worden – hetgeen ook niet door Holiday Sport en/of [gedaagde 4] wordt bestreden –, maar dat CAAF geen nakoming meer kan vorderen, ook niet Over het handelen bij sluiting van de financieringsovereenkomst, maakt CAAF [gedaagden] drie verwijten: (a) de jaarrekening 2023 van [gedaagde 4] is vervalst, (b) de suggestie is gewekt dat het jaarverslag 2023 van [gedaagde 4] door een derde is opgemaakt en (c) [gedaagden] hebben CAAF niet in kennis gesteld van het persoonlijk faillissement van [gedaagde 2] . Als CAAF wel van deze omstandigheden op de hoogte zou zijn geweest, zou zij de financiering niet hebben verstrekt. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. 5.15. In de jaarrekening 2023 van [gedaagde 4] staat dat [gedaagde 1] aan [gedaagde 4] een lening heeft verstrekt van € 1.699.900,-. Volgens CAAF is niet gebleken dat dit geld daadwerkelijk ter beschikking is gesteld aan [gedaagde 4] . Hierdoor leek [gedaagde 4] over meer liquide middelen te beschikken dan zij feitelijk deed en werd een rooskleuriger beeld geschept, aldus CAAF. [gedaagden] hebben dit betwist. [gedaagden] betwisten daarnaast ook dat als deze lening niet was verstrekt, CAAF de financieringsovereenkomst niet zou hebben gesloten. 5.16. Zowel de stelling van CAAF dat [gedaagde 1] de betreffende lening niet aan [gedaagde 4] heeft verstrekt, als de betwisting van [gedaagde 1] van die stelling, zijn summierlijk onderbouwd. Daarbij overweegt de rechtbank dat hoewel de stelplicht en bewijslast in beginsel op CAAF rusten, ook [gedaagden] verplicht zijn hun betwisting te motiveren. Daarbij was het voor [gedaagden] niet ingewikkeld geweest om te laten zien dat de lening door [gedaagde 1] aan [gedaagde 4] is verstrekt. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om deze stellingen nader te onderzoeken. Ook als vast zou komen te staan dat de genoemde lening niet door [gedaagde 1] aan [gedaagde 4] is verstrekt, heeft CAAF namelijk niet voldoende onderbouwd dat de financieringsovereenkomst niet zou zijn gesloten bij een juiste voorstelling van zaken omtrent de geldlening van [gedaagde 1] aan [gedaagde 4] . Hoewel deze lening betekend zou hebben dat [gedaagde 4] beschikking had over meer liquide middelen, zou dit ook geleid hebben tot een significante schuld van [gedaagde 4] aan [gedaagde 1] . CAAF heeft onvoldoende concreet onderbouwd waarom desalniettemin juist deze lening van [gedaagde 1] aan [gedaagde 4] maakte dat zij overging tot het sluiten van een financieringsovereenkomst met Holiday Sport, en zij deze bij het ontbreken van deze lening niet had gesloten of onder andere voorwaarden. Dit betekent dat de vordering van CAAF op deze grond niet slaagt. 5.17. Verder stelt CAAF zich op het standpunt dat [gedaagden] de suggestie hebben gewekt dat het jaarverslag 2023 van [gedaagde 4] door een externe is opgemaakt. CAAF verwijst hierbij naar hetgeen is opgenomen op pagina 2 van het jaarverslag: “Geachte directie, Ingevolge uw opdracht hebben wij de jaarrekening 2023 van [gedaagde 4] BV opgesteld en brengen wij u bijgaand rapport uit omtrent onze bevindingen. 1.1 OPDRACHTAANVAARDING Opdracht Wij hebben de in dit rapport opgenomen jaarrekening 2023 van [gedaagde 4] BV te [vestigingsplaats 2] samengesteld. De jaarrekening is opgesteld op basis van de door het bestuur verstrekte gegevens. De verantwoordelijkheid voor de juistheid en de volledigheid van die gegevens en de daarop gebaseerde jaarrekening berust bij het bestuur van de entiteit.” 5.18. Uit deze passage volgt dat het jaarverslag in opdracht van het bestuur van [gedaagde 4] is opgesteld. Hier kan echter niet uit worden opgemaakt dat het jaarverslag daarmee ook door een externe deskundige is opgemaakt, zoals een accountant. Mogelijk hebben [gedaagden] deze suggestie op een andere manier gewekt, maar dat blijkt niet uit wat CAAF naar voren heeft gebracht. Daar komt bij dat CAAF niet gemotiveerd heeft gesteld dat als zij geweten had dat het jaarverslag 2023 van [gedaagde 4] niet door een externe deskundige was opgesteld, zij de financieringsovereenkomst niet, of niet onder andere voorwaarden, was aangegaan met Holiday Sport. Daarmee is het bestaan van causaal verband o Door deze voertuigen niet op het bedrijfsterrein in [vestigingsplaats 2] te houden, heeft Holiday Sport deze voertuigen aan het pandrecht van CAAF onttrokken. Ook de onrechtmatigheid van dit handelen van Holiday Sport is hiermee gegeven. 5.25. Over de aansprakelijkheid van [gedaagde 4] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor het handelen van Holiday Sport merkt de rechtbank het volgende op. De toerekening van een onrechtmatige daad aan een vennootschap (hier: Holiday Sport) neemt niet weg dat ook de feitelijk handelend persoon hiervoor persoonlijk aansprakelijk kan zijn. In de regel is dit het geval als hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daarnaast is het mogelijk dat ook de bestuurder van de betreffende vennootschap aansprakelijk wordt gehouden. Dit is het geval als aan die bestuurder een voldoende ernstig persoonlijk verwijt gemaakt kan worden van de gedragingen van de vennootschap. Hiervan is in ieder geval sprake als vast komt te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade (Hoge Raad 8 december 2006, LJN AZ0758). De rechtbank oordeelt hierover als volgt. 5.26. [gedaagden] hebben niet betwist dat [gedaagde 1] degene is die Holiday Sport vertegenwoordigd heeft bij het sluiten van de financieringsovereenkomst en ook degene is die bij het aanvragen van de deelfinancieringen de kopieën van gefingeerde betalingsbewijzen aan CAAF heeft verstrekt. Uit de door [gedaagden] gegeven toelichting volgt niet dat (ook) andere medewerkers van Holiday Sport betrokken waren bij het aanvragen van deelfinancieringen en/of het verstrekken van daarvoor benodigde documentatie, zoals de betalingsbewijzen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat [gedaagde 1] direct betrokken was bij het vervalsen van de betalingsbewijzen en/of hier wetenschap van had, en desondanks deze betalingsbewijzen aan CAAF heeft verstrekt met het oogmerk financiering te verkrijgen voor Holiday Sport. Naar het oordeel van de rechtbank kan [gedaagde 1] als feitelijk handelend persoon hiervan een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt. 5.27. Verder is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 4] een ernstig verwijt kan worden gemaakt, in ieder geval vanaf het moment dat [gedaagde 1] op 17 december 2024 aantrad als bestuurder van [gedaagde 4] . Ook indien [gedaagde 4] tot die tijd niet op de hoogte was van het feit dat Holiday Sport (vertegenwoordigd door [gedaagde 1] ) financiering had aangevraagd op basis van vervalste betalingsbewijzen en/of van het feit dat Holiday Sport door haar handelswijze voertuigen aan het pandrecht van CAAF onttrok, kan deze kennis haar na het aantreden van [gedaagde 1] wel worden toegerekend. Uit wat [gedaagden] hebben aangevoerd, kan niet worden opgemaakt dat [gedaagde 4] enige actie heeft ondernomen om het hierdoor ontstaan van schade te voorkomen, terwijl [gedaagde 4] wist of behoorde te begrijpen dat het toelaten van deze handelswijze tot gevolg zou hebben dat Holiday Sport haar verplichtingen tegenover CAAF niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou kunnen bieden voor de schade die daardoor zou ontstaan. 5.28. [gedaagde 2] was tot 17 december 2024 enig bestuurder van [gedaagde 4] . Het feit dat [gedaagde 2] het bestuurderschap op 17 december 2024 aan [gedaagde 1] heeft overgedragen – enkele dagen nadat de incasso’s van CAAF storneerden – heeft er alle schijn van dat [gedaagde 2] op de hoogte was van het handelen van [gedaagde 1] en Holiday Sport. Dit enkele vermoeden is echter onvoldoende om aan te nemen dat [gedaagde 2] daadwerkelijk op de hoogte was van dit handelen, dan wel op andere wijze dit handelen heeft toegelaten, en hem daarmee persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Hierover heeft CAAF niet voldoende gesteld. 5.29. Dit betekent dat Holiday Sport bij de aanvraa Hiernaast komen ook de kosten die zijn gemaakt voor het bergen van de voertuigen en het in bewaring nemen van de tenaamstellingsbewijzen en eigendomsbewijzen voor vergoeding in aanmerking, tot een bedrag van € 29.592,46. Deze kosten houden immers direct verband met de beslagen die door CAAF gelegd zijn tot zekerheid van betaling van haar vordering op Holiday Sport. Anders dan [gedaagden] stellen, kunnen ook deze kosten op grond van artikel 706 Rv worden teruggevorderd. [gedaagden] hebben niet (voldoende) gesteld dat de beslagen nietig, onnodig of onrechtmatig waren. 5.36. De vordering van CAAF tot vergoeding van het griffierecht voor de beslagrekesten van 18 december 2024 en 23 december 2024 wordt toegewezen tot een bedrag van € 688 (1x griffierecht), omdat op het griffierecht van CAAF voor de onderhavige procedure al een bedrag van € 688,- in mindering is gebracht. De totale beslagkosten worden daarmee vastgesteld op € 7.385,70 + € 29.592,46 + € 688,- = € 37.666,16. 5.37. Blijkens de akte vermindering van eis van 21 oktober 2025 vordert CAAF ook vergoeding van wettelijke rente over de beslagkosten. Dat vorderde zij daarvoor niet. In die zin is de akte niet alleen een vermindering van eis, maar ook een vermeerdering van eis. Van die vermeerdering van eis heeft CAAF geen melding gemaakt en die vermeerdering is door [gedaagden] en door de rechtbank bij de mondelinge behandeling dan ook onopgemerkt gebleven. Het op die manier vermeerderen van de eis is in strijd met de goede procesorde en die vermeerdering van eis wordt daarom dan ook buiten beschouwing gelaten. Proceskosten en buitengerechtelijke incassokosten 5.38. CAAF vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten (het Besluit) is alleen van toepassing op de vordering tegen Holiday Sport en [gedaagde 4] op grond van de financierings- en hoofdelijkheidsovereenkomsten. Omdat de vordering op grond van onrechtmatige daad tegen Holiday Sport, [gedaagde 4] en [gedaagde 1] hier direct verband mee houdt, zal de rechtbank de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn desalniettemin voor de gehele vordering toetsen aan de vereisten die gelden op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit. 5.39. Blijkens de door CAAF overgelegde correspondentie, heeft CAAF Holiday Sport en [gedaagde 4] (eerst) op 16 december 2024 gesommeerd tot betaling van het bedrag dat op dat moment openstond onder de financiering. Vervolgens heeft CAAF op 19 december 2024 de financieringsovereenkomst ontbonden en Holiday Sport en [gedaagde 4] gesommeerd tot betaling van het volledige bedrag dat Holiday Sport onder de financieringsovereenkomst verschuldigd was. Anders dan [gedaagden] , is de rechtbank van oordeel dat CAAF hiermee voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Weliswaar hebben de beslagen de sommaties snel opgevolgd, maar dat maakt niet dat de vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaat. Het staat vast dat ondanks deze sommaties en de gelegde beslagen niet aan de betalingsverplichtingen is voldaan. CAAF heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Bij de hoogte van het bedrag houdt de rechtbank rekening met het feit dat de hoofdsom op het moment van dagvaarden in totaal € 705.326,50 bedroeg en dat de deelbetalingen die Holiday Sport vervolgens heeft gedaan, pas zijn gedaan nadat de buitengerechtelijke werkzaamheden waren verricht. Het toe te wijzen bedrag wordt dan ook gebaseerd op de hoofdsom van € 705.326,50. Conform het Besluit, zal een bedrag van € 5.301,63 aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. Anders dan [gedaagden] stellen, komt dit bedrag de rechtbank niet onredelijk voor. 5.40. Holiday Sport, [gedaagde 4] en [gedaagde 1] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van CAAF betalen. Tot deze proceskosten behoren zowel