Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2025-12-22
ECLI:NL:RBAMS:2025:10326
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/3638 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. H.L. Thiescheffer), en het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen, verweerder (gemachtigde: [gemachtigde] ). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de verlaging van de bijstandsuitkering van eiser op grond van artikel 23 van de Participatiewet (Pw). Verweerder heeft een korting toegepast op de uitkering van eiser omdat hij in een instelling verbleef. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de korting terecht is toegepast. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Met het besluit van 23 december 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser gewijzigd over de periode van 11 december 2024 tot en met 22 januari 2025 omdat hij in een kliniek in Schotland verbleef. Eiser ontving in voornoemde periode een bedrag van € 414,31 (inclusief vakantiegeld) per maand. 3. Met het bestreden besluit van 7 mei 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij het besluit om de bijstandsuitkering te verlagen gebleven. 3.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 3.2. De rechtbank heeft het beroep op 10 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de begeleider van eiser [persoon] , de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank De totstandkoming van het bestreden besluit 4. De begeleider van eiser heeft voorafgaand aan het primaire besluit contact gehad met verweerder. De begeleider van eiser heeft verweerder geïnformeerd dat eiser moet worden opgenomen in een kliniek in Schotland vanwege ernstige verslavingsproblematiek. 5. In een e-mail van 10 december 2024 heeft verweerder onder andere vermeld dat tijdens het verblijf in de instelling de bijstandsuitkering van eiser zal worden verlaagd. Met de brief van 16 december 2024 heeft eiser hiertegen pro-forma bezwaar gemaakt. 6. Verweerder heeft zijn bevindingen vastgelegd in een rapport van 20 december 2024. Met het primaire besluit heeft verweerder aan eiser over de periode van 11 december 2024 tot en met 22 januari 2025 een bijstandsuitkering verstrekt naar de inrichtingsnorm. 7. Met een besluit van eveneens 23 december 2024 heeft verweerder aan eiser bijzondere bijstand toegekend voor medische reiskosten in de vorm van vliegtickets. Het bedrag van € 291,42 is uitbetaald als gift. 8. Het bezwaar van 16 december 2024 is in behandeling genomen als zijnde gericht tegen het primaire besluit. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard met aanvulling van zijn motivering. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat sprake is van een verblijf in een inrichting als bedoeld in artikel 23 van de Pw. Omdat eiser tijdens het verblijf niet wordt geconfronteerd met een aantal belangrijke bestaanskosten, wordt de inrichtingsnorm toegepast. Artikel 23 van de Pw is een dwingendrechtelijke bepaling. Dit betekent dat verweerder verplicht is om te korting toe te passen. Er zijn geen dringende redenen om hierop een uitzondering te maken. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel is geen sprake. Alles overwegende heeft verweerder geconcludeerd dat de korting terecht is toegepast. Het standpunt van eiser 9. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom de verslavingskliniek in Schotland moet worden aangemerkt als een inrichting in de zin van artikel 1, aanhef onderdeel f, van de Pw. Verweerder heeft nagelaten aan te geven van welk type inrichting sprake is, sub 1 of sub 2 van voorn