Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-20
ECLI:NL:RBAMS:2025:1031
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,707 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/4915
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. J.L. Wittensleger),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Mulders).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de herziening, intrekking en terugvordering van zijn bijstandsuitkering.
Met het besluit van 21 april 2021 heeft verweerder de bijstandsuitkering over een aantal perioden ingetrokken en herzien en de over die perioden te veel betaalde bijstand van eiser teruggevorderd. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.
Met de beslissing op bezwaar van 17 december 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
Met de uitspraak van 15 maart 2024 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar vernietigd voor zover het de periode 1 januari 2018 tot en met31 maart 2018 betreft. Eiser heeft tegen de uitspraak hoger beroep ingesteld.
Met de herziene beslissing op bezwaar van 22 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 31 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Wat aan deze procedure voorafging
1. Eiser ontving een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande.
2. Met het besluit van 21 april 2021, gehandhaafd met de beslissing op bezwaar van17 december 2021, heeft verweerder over de volgende perioden het recht op bijstand van eiser ingetrokken:
1 augustus 2016 tot en met 30 september 2016;
1 december 2016 tot en met 31 december 2016;.
1 december 2017 tot en met 31 december 2017, en
1 april 2018 tot en met 17 mei 2018
en over de volgende perioden het recht op bijstand van eiser herzien:
1 oktober 2016 tot en met 31 oktober 2016;
1 september 2017 tot en met 30 november 2017, en
1 januari 2018 tot en met 31 maart 2018.
3. In de uitspraak van 15 maart 2024 heeft de rechtbank overwogen dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden, door geen melding te maken van bijschrijvingen die hij op zijn bankrekening heeft ontvangen. Als gevolg daarvan kan eisers recht op bijstand niet worden vastgesteld over de hierboven genoemde periodes in 2016, 2017 en 1 april 2018 tot en met 17 mei 2018 en was verweerder gehouden de bijstand over die periodes in te trekken. De rechtbank overweegt over de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 maart 2018 dat verweerder het recht op bijstand opnieuw moet vaststellen. Als gevolg hiervan dient verweerder ook over de terugvordering een nieuw besluit te nemen.
4. Met het bestreden besluit heeft verweerder de periode 1 januari 2018 tot en met31 maart 2018 voor de vordering buiten beschouwing gelaten en de terugvordering verlaagd.
Beoordeling
5. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank komt dus niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Dit motiveert zij als volgt.
6. De herziening, intrekking en terugvordering van de bijstand zijn reeds beoordeeld door deze rechtbank, in de uitspraak van 15 maart 2024. In het dictum bij die uitspraak staat dat de beslissing op bezwaar van 17 december 2021 vernietigd wordt voor zover het betreft de herziening over de periode 1 januari 2018 tot en met 31 maart 2018. De rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor het overige wat betreft de intrekking en de herziening in stand blijven. Verweerder heeft met het bestreden besluit voldaan aan de uitspraak, door de periode 1 januari 2018 tot en met 31 maart 2018 voor de vordering buiten beschouwing te laten. Eiser heeft hier in het onderhavige beroep geen gronden tegen aangevoerd. Voor zover eiser het niet eens is met de overige onderdelen van het bestreden besluit, waarover de rechtbank reeds uitspraak heeft gedaan in het kader van het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 17 december 2021, kan eiser hiertegen hoger beroep instellen. Dit heeft eiser ook gedaan. Deze onderdelen van het bestreden besluit, die in het bestreden besluit ongewijzigd zijn gebleven, kunnen niet nogmaals aan de orde komen in beroep. Feitelijk zou dan immers sprake zijn van een dubbel beroep.
Conclusie
7. Het beroep is niet-ontvankelijk, omdat verweerder voldaan heeft aan de uitspraak van de rechtbank van 15 maart 2024 en eiser dit ook niet betwist. Tegen de onderdelen van de besluitvorming die de rechtbank in stand heeft gelaten en waar eiser het niet mee eens is, staat hoger beroep open.
8. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Sullivan, rechter, in aanwezigheid vanmr.C.J. van ‘t Hoff, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van de Participatiewet (Pw).
AMS 22/408.