Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-02-08
ECLI:NL:RBAMS:2024:926
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
5,077 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/300391-23
Datum uitspraak: 8 februari 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 15 november 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 april 2021 door the Circuit Court in Lublin, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 4 januari 2024
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 januari 2024, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N. Wijkman, advocaat te Almere en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd en de behandeling van het EAB geschorst om de door het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) aan de Poolse autoriteiten gestelde vragen met betrekking tot de vraag of de opgeëiste persoon in de onderliggende procedures zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen, af te wachten.
Zitting 25 januari 2024
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling van de rechtbank – hervat op de zitting van 25 januari 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N. Wijkman, advocaat te Almere en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt:
een vonnis van the District Court in Chelm (Polen) van 21 mei 2012, met referentie: II K 363/11 (vonnis I);
een vonnis van the District Court in Chelm (Polen) van 2 december 2014, met referentie: II K 820/13 (vonnis II);
een vonnis van the District Court in Chelm (Polen) van 24 mei 2016, met referentie: VII K 649/15 (vonnis III).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van drie vrijheidsstraffen respectievelijk voor de duur van 2 jaar, 1 jaar en 1 jaar en 4 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering voor alle drie de vonnissen moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW en er geen omstandigheden zijn om van die bevoegdheid tot weigeren af te zien.
Ten aanzien van vonnis I (II K 363/11) heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de reden van de tenuitvoerlegging van de bij dat vonnis opgelegde voorwaardelijke straf, is gelegen in een veroordeling voor een nieuw strafbaar feit en dat niet kan worden vastgesteld dat de verstrekte adresinstructie zich uitstrekte tot deze nieuwe procedure.
Ten aanzien van vonnis II (II K 820/13) heeft de raadsvrouw primair naar voren gebracht dat de bij dit vonnis opgelegde voorwaardelijke straf ten uitvoer is gelegd naar aanleiding van veroordelingen voor vier nieuwe strafbare feiten en dat deze veroordelingen niet kunnen worden getoetst aan artikel 12 OLW. De Poolse autoriteiten hebben daarover namelijk geen informatie willen geven, ondanks dat het IRC daar meermalen om heeft verzocht.
Ten aanzien van vonnis III (VII K 649/15) is betoogd dat niet duidelijk is tot wanneer de opgeëiste persoon de verplichting had om adreswijzigingen door te geven en dus ook niet kan worden vastgesteld dat hij niet aan die verplichting heeft voldaan.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is ten aanzien van vonnis I (II K 363/11) en vonnis III (VII K 649/15), maar dat de rechtbank moet afzien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren, omdat overlevering voor deze vonnissen geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zou opleveren.
Ten aanzien van vonnis II (II K 820/13) heeft de officier van justitie tot weigering van de overlevering geconcludeerd. De reden voor de tenuitvoerlegging van de bij dit vonnis opgelegde voorwaardelijke straf is gelegen in (onder meer) vier nieuwe veroordelingen, terwijl niet kan worden beoordeeld of de opgeëiste persoon in deze vier procedures zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen.
Beoordeling
Vonnis I (II K 363/11)
Op basis van het EAB en de aanvullende informatie stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon bij vonnis van the District Court in Chelm van 21 mei 2012 is veroordeeld tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf van twee jaar. De opgeëiste persoon is in persoon verschenen op het proces dat tot deze beslissing heeft geleid. Daarmee is de weigeringsgrond van artikel 12 OLW voor deze procedure niet aan de orde.
Vervolgens is bij de beslissing van 9 februari 2016 bepaald dat de voorwaardelijke straf ten uitvoer moet worden gelegd, (mede) vanwege een veroordeling voor een nieuw strafbaar feit door the District Court in Chelm op 11 juni 2015 (VII K 1/15).
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit en die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf, ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. De rechtbank dient daarom te beoordelen of de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen in de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor het triggerende feit (VII K 1/15).
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon in die procedure (VII K 1/15) niet in persoon is verschenen, en dat - kort gezegd – vonnis is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren en overweegt daartoe als volgt.
Uit de aanvullende informatie van 22 december 2023 blijkt dat de oproep voor de zitting van 11 juni 2015 is verzonden naar het adres dat de opgeëiste persoon bij het verhoor in die strafzaak heeft opgegeven. Bij dit verhoor heeft hij ook de instructie gekregen om de justitiële autoriteiten gedurende de procedure van adreswijzigingen op de hoogte te stellen en is hij ervoor gewaarschuwd dat als hij niet op het door hem opgegeven adres zou verblijven en om die reden oproepen niet kan ontvangen, de zaak in zijn afwezigheid kan worden afgedaan.
Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de feiten waarvan hij werd verdacht, van de omstandigheid dat een strafrechtelijke procedure tegen hem liep en kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie en dat hij stilzwijgend afstand heeft gedaan van het recht om bij zijn proces aanwezig te zijn.
Vonnis II (II K 820/13)
Op basis van het EAB, de aanvullende informatie en de verklaring van de opgeëiste persoon op de zitting, stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon bij vonnis van the District Court in Chelm van 2 december 2014 is veroordeeld tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf van één jaar. De opgeëiste persoon is niet in persoon verschenen bij het proces dat tot deze beslissing heeft geleid, maar is wel in persoon gedagvaard zoals bedoeld in artikel 12 onder a OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW doet zich ten aanzien van deze procedure dus niet voor.
Vervolgens is bij de beslissing van 27 april 2016 bepaald dat de voorwaardelijke straf ten uitvoer moet worden gelegd, (mede) vanwege vier nieuwe veroordelingen (VII W 377/15, IIW 1059/15, II W 2578/15 en II W 3774/15).
Zoals hiervoor opgemerkt, moeten de procedures die hebben geleid tot de vier nieuwe veroordelingen ook onderworpen worden aan de toets van artikel 12 OLW. Aan de Poolse autoriteiten is meermalen verzocht informatie te verstrekken over deze procedures ten behoeve van de beoordeling van deze weigeringsgrond. Nu deze informatie niet is verstrekt, kan de rechtbank niet beoordelen of de opgeëiste persoon in de procedures omtrent deze triggerende feiten zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen en zal de overlevering voor vonnis II (II K 820/13) daarom worden geweigerd.
Vonnis III (VII K 649/15)
Op basis van het EAB en de aanvullende informatie stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op 24 mei 2016 door the District Court in Chelm is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van één jaar en vier maanden, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren en overweegt daartoe als volgt.
Uit de aanvullende informatie van 13 december 2023 blijkt dat de oproep voor de zitting is verzonden naar het adres dat de opgeëiste persoon bij het verhoor in die strafzaak heeft opgegeven en dat hij de instructie heeft gekregen om de justitiële autoriteiten gedurende de procedure van adreswijzigingen op de hoogte te stellen en is gewaarschuwd voor het mogelijke gevolg als hij dit niet zou doen, namelijk dat de zaak in zijn afwezigheid wordt behandeld. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon op de zitting verklaard dat de oproepen zijn verzonden naar het door hem opgegeven adres van zijn moeder in Polen, dat hij kort daarna naar Nederland is vertrokken en zijn moeder in de tussentijd is verhuisd.
Hieruit leidt de rechtbank af dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de feiten waarvan hij werd verdacht, van de omstandigheid dat een strafrechtelijke procedure tegen hem liep en kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie en dat hij stilzwijgend afstand heeft gedaan van het recht om bij zijn proces aanwezig te zijn.
4Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
Ten aanzien van vonnis I:
Feit 1 en 2:
telkens: diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.
Feit 3:
medeplegen aan opzetheling.
Ten aanzien van vonnis III
diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.
5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander en heeft om die reden verzocht de overlevering te weigeren en de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen over te nemen.
De officier van justitie heeft zich bij dit standpunt aangesloten.
Gelijkstelling
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft. Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 2 januari 2024 volgt dat deze strafbare feiten er niet toe zullen leiden dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest.
Ook aan deze voorwaarde is voldaan.
Strafovername
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraffen kunnen worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen.
Uit de hiervoor onder 4 weergegeven Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraffen niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgen.
De opgelegde sancties zijn naar hun aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraffen overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen.
Verder is gebleken dat de opgeëiste persoon voldoende economische banden met Nederland heeft, zodat sprake is van een rechtmatig belang dat de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland rechtvaardigt.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen bevelen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW.
De rechtbank stelt ten aanzien van vonnis II (II K 820/13) vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
De rechtbank stelt ten aanzien van vonnis I (II K 363/11) en vonnis III (VII K 649/15) vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd met overname van de vrijheidsstraffen voor deze twee vonnissen.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 47, 311 en 416 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a, 7 en 12 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voor zover het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van het gedeelte van de vrijheidsstraf dat is opgelegd wegens vonnis II.
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Lublin (Polen).
BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraffen voor zover opgelegd bij vonnis I en vonnis III in Nederland.
HEFT OP de overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] .
BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.G.M.M. van Gessel, voorzitter,
mrs. W.M.C. van den Berg en A.W.T. Klappe, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 8 februari 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)).