Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-02-08
ECLI:NL:RBAMS:2024:921
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,489 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/324434-23
Datum uitspraak: 8 februari 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 8 december 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 juni 2020 door the Regional Court in [geboorteplaats] , III Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1973 in [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres opgeëiste persoon] ,
nu gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 januari 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. Nieuwburg, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court Szczecin-Centrum in Szczecin (Polen) van 9 juni 2016, referentie: IV K 571/14. Dit vonnis is bevestigd door the Regional Court in Szczecin (Polen) bij arrest van 13 december 2016, referentie: IV KA 1423/16.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak met die beslissing ten gronde definitief is afgedaan.
De rechtbank zal voor de beslissing van the Regional Court in Szczecin (Polen) van 13 december 2016 (IV KA 1423/16) moeten beoordelen of de opgeëiste persoon in die procedure zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen, nu met die beslissing de zaak ten gronde definitief is afgedaan.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren en overweegt daartoe als volgt.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van 15 januari 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon in de procedure in eerste aanleg is vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat en dat deze advocaat hoger beroep heeft ingesteld. De oproep voor de zitting in hoger beroep is verzonden naar het correspondentieadres dat de opgeëiste persoon bij zijn politieverhoor in de strafzaak heeft opgegeven. Daarbij is de opgeëiste persoon uitdrukkelijk geïnstrueerd over de verplichting om de justitiële autoriteiten van adreswijzigingen op de hoogte te stellen en is hij geïnformeerd over de gevolgen indien hij niet aan deze verplichting zou voldoen. Deze adresinstructie heeft de opgeëiste persoon schriftelijk ontvangen. Hierin stond ook vermeld dat de instructie gold voor de gehele procedure, inclusief het hoger beroep. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de opgeëiste persoon kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie en daarmee kan worden gezegd dat hij stilzwijgend afstand heeft gedaan van het recht om bij zijn proces aanwezig te zijn.
4Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
poging tot afpersing, meermalen gepleegd.
5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Gelijkstelling
De opgeëiste persoon heeft de Poolse nationaliteit. Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
De rechtbank stelt vast dat bij uitspraak van 2 november 2023 (niet gepubliceerd, parketnummer: 13/028999-23) reeds is geoordeeld dat ten aanzien van de opgeëiste persoon aan deze vereisten is voldaan en dat hij kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. Niet is gebleken dat de opgeëiste persoon zijn duurzaam verblijfsrecht nadien heeft verloren.
Ten aanzien van het tweede vereiste heeft de Immigratie- en Naturalisatie Dienst op 18 januari 2024 bevestigd dat niet de verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon als gevolg van de feiten genoemd in dit EAB zijn verblijfsrecht zal verliezen.
Strafovername
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 45 en 317 Wetboek van Strafrecht, en 2, 5, 6a en 7 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Szczecin, III Criminal Division (Polen).
BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
HEFT OP de overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] .
BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.G.M.M. van Gessel, voorzitter,
mrs. W.M.C. van den Berg en A.W.T. Klappe, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 8 februari 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.