Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-10-09
ECLI:NL:RBAMS:2024:9016
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bodemzaak
9,422 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2024:9016 text/xml public 2026-04-07T15:32:17 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2024-10-09 C/13/729612 / HA ZA 23-145 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig Op tegenspraak NL Amsterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:9016 text/html public 2026-04-07T15:30:30 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2024:9016 Rechtbank Amsterdam , 09-10-2024 / C/13/729612 / HA ZA 23-145 Erfrecht; eindvonnis in zaak over vermeende onttrekking door erfgenaam. RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/729612 / HA ZA 23-145 Vonnis van 9 oktober 2024 in de zaak van [eiser] , mede in de hoedanigheid van vereffenaar, erfgenaam en deelgenoot van de nalatenschap van [erflater] en [erflaatster] , wonende te [woonplaats 1] , eisende partij, gedaagde in de tegenvordering (reconventie), advocaat: mr. P.M. Boiten te Hendrik-Ido-Ambacht, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats 2] , gedaagde partij, eiseres in de tegenvordering (reconventie), advocaat: mr. J.C. van den End te Amsterdam. De rechtbank noemt partijen hierna [eiser] en [gedaagde] . 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 24 januari 2024, - de akte na tussenvonnis met wijziging van eis van [eiser] van 6 maart 2024, met producties, - de antwoordakte van [gedaagde] van 16 april 2024, met producties, - akte uitlaten producties van [eiser] van 15 mei 2024. 1.2. De rechtbank heeft ten slotte bepaald dat zij vandaag vonnis wijst. 2 Het tussenvonnis en de aktes 2.1. Het conflict tussen [eiser] en [gedaagde] spitst zich op de eerste plaats toe op de beschuldigingen van [eiser] aan het adres van [gedaagde] dat zij geld onrechtmatig heeft onttrokken van ouders. Dat geld moet zij daarom volgens [eiser] terugbetalen aan de nalatenschap. Verder was in deze procedure de vraag aan de orde of [gedaagde] nog geld moet terugbetalen aan de nalatenschap in verband met geld dat zij van ouders heeft geleend. Daarnaast maakt [gedaagde] op haar beurt aanspraak op vergoeding uit de nalatenschap van kosten die zij ten behoeve van ouders heeft betaald. 2.2. In het tussenvonnis heeft de rechtbank over de geldleningen geoordeeld dat de nalatenschap een vordering heeft op [gedaagde] van € 8.600. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat [gedaagde] haar aanspraak op haar aandeel in deze vordering van de nalatenschap niet heeft verbeurd. 2.3. Ook heeft de rechtbank in het tussenvonnis over de vermeend door [gedaagde] onrechtmatig onttrokken gelden overwogen dat de rechtbank moet beoordelen of sprake is van financiële handelingen van [gedaagde] die wat aard en/of omvang betreft niet gerekend kunnen worden tot het normale uitgavenpatroon van ouders en of het gaat om handelingen die [gedaagde] met hun vermogen zonder hun toestemming ten behoeve van zichzelf heeft verricht. 2.4. In dat kader heeft de rechtbank [eiser] de opdracht gegeven een gespecificeerd overzicht te geven van de financiële handelingen die [gedaagde] heeft verricht met geld van ouders per categorie van handeling en met precieze verwijzing naar onderliggende stukken. [eiser] heeft aan deze opdracht voldaan en daarbij toegelicht waaruit volgens hem blijkt dat de financiële handelingen zonder toestemming van ouders door en ten behoeve van [gedaagde] zelf zijn verricht. [gedaagde] heeft hierop uitvoerig gereageerd. Ten slotte heeft [eiser] gereageerd op producties die [gedaagde] bij haar reactie in het geding heeft gebracht. 2.5. [eiser] heeft zich in zijn akte kritisch uitgelaten over de beoordeling van de rechtbank van de geldleningen en enkele andere geschilpunten. De rechtbank leest in de opmerkingen van [eiser] niet een verzoek om terug te komen van een in het tussenvonnis gegeven bindende eindbeslissing. [gedaagde] heeft deze opmerkingen van [eiser] ook niet zo opgevat. Uit hetgeen [eiser] naar voren brengt blijkt ook niet van feitelijke of juridische misslagen. [eiser] is het niet met het vonnis eens, maar de vastgestelde feiten en de juridische beoordeling daarvan door de rechtbank in het tussenvonnis dienen desondanks het uitgangspunt voor de verdere beoordeling van de zaak te zijn. De wijziging van eis van [eiser] 2.6. [eiser] heeft zijn vordering gewijzigd en aangevuld met een (voorwaardelijke) vordering tot het overleggen van bescheiden en bevel deskundigenbericht. [gedaagde] maakt bezwaar tegen deze wijziging en vermeerdering van eis. Dat bezwaar wordt verworpen. Het gaat om wijzigingen die de oorspronkelijke vordering van [eiser] inhoudelijk niet anders maken. [gedaagde] is daardoor niet in haar procespositie geschaad en er is geen sprake van onredelijke vertraging van de procedure, omdat [gedaagde] in haar antwoordakte reeds inhoudelijk heeft gereageerd op de gewijzigde vordering. Deze wijziging is dan ook niet in strijd met de goede procesorde. 2.7. [eiser] vordert na eiswijziging samengevat: 1. [gedaagde] te bevelen afschriften over te leggen van de bescheiden genoemd op bladzijde 42 en 43 van de akte na tussenvonnis met wijziging van eis, en/of een deskundigenbericht te bevelen, dan wel de bescheiden aan [eiser] te geven; primair 2. [gedaagde] te veroordelen om te betalen aan de nalatenschappen van ouders: a) € 47.625 uit hoofde van de geldlening b) € 56.767,91 (periode 1) uit hoofde van onrechtmatige onttrekkingen/ onverschuldigde betaling/ ongerechtvaardigde verrijking; 3. [gedaagde] te veroordelen om te betalen aan de nalatenschap van erflater: a) € 43.522,28 (periode 2) b) € 1.817,58 (periode 3) beiden uit hoofde van onrechtmatige onttrekkingen/ onverschuldigde betaling/ ongerechtvaardigde verrijking; te verminderen met het door [gedaagde] betaalde bedrag van € 16.351,03 aan het vermogen van ouders; 4. te verklaren voor recht dat [gedaagde] haar aandeel in de vorderingen van ouders op [gedaagde] heeft verbeurd; subsidiair 5. [gedaagde] te veroordelen rekening en verantwoording af te leggen over het door haar gevoerde beheer over het vermogen van ouders in de periode van 1 januari 2011 tot en met 5 september 2018; 6. voor zover [gedaagde] dat niet kan doen, haar te veroordelen tot terugbetaling van de geldbedragen aan de nalatenschap van ouders; 7. voor recht te verklaren dat [gedaagde] haar aandeel van de vordering van de nalatenschap tot terugbetaling van deze geldbedragen heeft verbeurd; meer subsidiair 8. de schenkingen van ouders aan [gedaagde] te vernietigen en haar te veroordelen de bedragen aan de nalatenschap te betalen; in alle gevallen 9. de wijze van de verdeling van de nalatenschappen vast te stellen; meest subsidiair 10. de legitieme portie van eiser vast te stellen. [eiser] vordert daarbij [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3 De verdere beoordeling 3.1. De rechtbank behandelt de primaire vordering van [eiser] tegelijk met de tegenvordering van [gedaagde] omdat zij met elkaar verband houden. De tegenvordering is namelijk een voorwaardelijke vordering tot verrekening van de vordering van [gedaagde] op de nalatenschap met de vordering van de nalatenschap op [gedaagde] . 3.2. De rechtbank stelt voorop dat het in familierelaties als de onderhavige, waarbij de ouders aan [gedaagde] het vertrouwen hebben gegeven om te beschikken over hun bankrekeningen, past om enige terughoudendheid aan te nemen in het vaststellen van een verplichting tot het rechtvaardigen van iedere uitgave door de gevolmachtigde, zeker als, zoals hier het geval is, verantwoording van de gevolmachtigde wordt gevraagd over een lange periode die deels in een ver verleden is gelegen. Deze terughoudendheid vindt echter een grens bij financiële handelingen van de gevolmachtigde ( [gedaagde] ) die wat aard en/of omvang betreft niet gerekend kunnen worden tot het normale uitgavenpatroon van ouders. Dit betekent dat van [gedaagde] uitsluitend kan worden verlangd dat zij voor de periode januari 2011- mei 2023, voor zover [gedaagde] toen kon beschikken over het vermogen van ouders, een afdoende uitleg geeft voor uitgaven die door haar zijn gedaan maar die niet passen in het normale uitgavenpatroon van ouders.
Volledig
Periode 1: 1 januari 2011 tot 23 mei 2015 3.3. [eiser] stelt dat in deze periode [gedaagde] vermogen is toegenomen ten koste van het vermogen van ouders door: overboekingen van ouders rekening naar [gedaagde] rekening € 42.642,50 webshopaankopen voor [gedaagde] (in totaal) € 3.958,94 cash- en pinopnames (in totaal) € 6.810 vliegtickets USA € 1.349,07 Apple store uitgave € 1.299 Collegegeld [naam] € 708,40 3.4. [eiser] stelt over post 1 dat er geen rechtsgrond voor deze overboekingen bestaat. Het bedrag is volgens hem onverschuldigd aan [gedaagde] betaald en/of [gedaagde] is daardoor ongerechtvaardigd verrijkt. Hij vindt de uitleg van [gedaagde] dat het de terugbetaling betreft van geld dat zij aan ouders heeft voorgeschoten voor de inrichting van hun nieuwe appartement ongeloofwaardig onder meer omdat ouders zelf € 15.026,47 aan woonwinkels hebben betaald. Dat is ruim voldoende voor de inrichting van het appartement, aldus [eiser] . Ten aanzien van post 2 stelt [eiser] dat ouders geen webshopaccounts hebben bij de betreffende webwinkels en dat alle aankopen zijn gedaan via de accounts van [gedaagde] . De aankopen die zijn gedaan, zijn volgens [eiser] dus gedaan door en ten behoeve van [gedaagde] . Over post 3 stelt [eiser] dat [gedaagde] een creditcard van ouders tot haar beschikking had waarmee zij pinopnames deed. Verder stelt hij dat ouders alle uitgaven deden met pinbetalingen en dat het buiten hun gebruikelijke uitgavenpatroon was om contant geld te pinnen. Ten slotte stelt [eiser] ten aanzien van de overige posten dat ouders deze uitgaven niet hebben verricht. Zij zijn zelf nooit in de Verenigde Staten geweest en hebben geen Apple apparatuur, maar [gedaagde] wel. Ook hebben zij geen giften gedaan ten behoeve van kleinkinderen voor collegegeld. Het moet dus [gedaagde] zijn geweest die deze uitgaven heeft gedaan, aldus steeds [eiser] . 3.5. [gedaagde] betwist dat het gaat om onverschuldigd aan haar betaalde of onrechtmatig onttrokken bedragen en dat zij een terugbetalingsverplichting heeft. Zij voert in de eerste plaats aan dat zij geen toegang had tot de bankrekeningen van ouders. Ouders hebben de overboekingen, (webshop-) aankopen, pinopnames en de betaling van het collegegeld zelf verricht waarbij in ieder geval moeder, die de financiën van ouders beheerde, volledig wilsbekwaam was en uitstekend wist wat zij deed. [gedaagde] betwist dat zij beschikte over een creditcard van ouders. Verder licht [gedaagde] ten aanzien van de overboekingen vanaf de bankrekening van ouders naar haar eigen bankrekening toe dat ouders al waren verhuisd naar hun nieuwe appartement voordat hun oude woning geleverd was. Dit betekende dat ouders forse investeringen moesten doen voor de inrichting van hun nieuwe appartement nog voordat zij konden beschikken over de verkoopopbrengst van hun oude woning. Het appartement in [woonplaats 2] betrof nieuwbouw en werd casco opgeleverd. Het ging dus om méér dan alleen maar kosten van de inrichting/stoffering. Ouders beschikten over onvoldoende geld en daarom heeft [gedaagde] geld voorgeschoten dat ouders aan haar hebben terugbetaald middels deze overboekingen, aldus [gedaagde] . 3.6. De rechtbank is met [gedaagde] van oordeel dat er geen terugbetalingsverplichting voor haar bestaat ten aanzien van periode 1. Ten aanzien van deze periode geldt dat de ouders beiden nog in leven waren en dat moeder de financiën beheerde. Pas vanaf 23 januari 2015 beschikte [gedaagde] over een volmacht voor de bankrekening van ouders, maar ook toen was het moeder die de financiën regelde en daar zicht op had. Bovendien blijkt uit het overzicht van [eiser] overgelegd als productie 62, dat de desbetreffende overboekingen en uitgaven zijn gedaan vóór 23 januari 2015. [gedaagde] is geen uitleg verschuldigd aan [eiser] waarom ouders zelf geld hebben overgeboekt naar haar rekening of waarom ouders zaken voor haar en haar kinderen hebben betaald. Er bestaan verder geen aanwijzingen dat [gedaagde] , hoewel zij niet over een volmacht beschikte, desondanks zonder medeweten van ouders geld heeft opgenomen van de bankrekening van ouders of geld heeft overgeboekt van hun bankrekening naar haar eigen rekening. De stelling van [eiser] dat [gedaagde] beschikte over de creditcard van ouders is gelet op de betwisting van [gedaagde] onvoldoende onderbouwd, zodat dit niet is komen vast te staan. De rechtbank laat daarom de door [eiser] opgevoerde posten tijdens deze periode buiten beschouwing. Periode 2: van 23 mei 2015 tot 5 september 2018 Periode 3: van 5 september 2018 tot mei 2023 3.7. [eiser] stelt dat in deze perioden [gedaagde] vermogen is toegenomen ten koste van het vermogen van ouders met de volgende bedragen: in periode 2 overboekingen van ouders rekening naar [gedaagde] rekening € 19.655 webshopaankopen voor [gedaagde] (in totaal) € 19.168,97 cash- en pinopnames (in totaal) € 3.923,16 premie reisverzekering [gedaagde] € 118,15 abonnement Marie Claire € 57 Overboeking [naam] € 600 Totaal € 43.522,28 in periode 3: 7. overboekingen van ouders rekening naar [gedaagde] rekening € 1.000 8. webshopaankopen € 822,58 9. [gedaagde] terugbetaald/ afgelost € 5 Totaal € 1.817,58 3.8. Volgens [eiser] is het onverklaarbaar dat vader, na het overlijden van moeder, gezien zijn hoge leeftijd en slechte gezondheidssituatie naast zijn vaste lasten zo’n omvangrijk bedrag heeft uitgegeven. De uitgaven zijn bovendien veel hoger dan in de periode daarvoor. Voor de overboekingen naar de bankrekening van [gedaagde] bestond (ook) in deze periode geen rechtsgrond. De bedragen zijn onverschuldigd betaald en/of [gedaagde] is daarmee ongerechtvaardigd verrijkt, aldus [eiser] . 3.9. In de eerste plaats betwist [gedaagde] dat vader het geld tot zijn beschikking had om deze uitgaven te doen. Zijn inkomen bedroeg slechts € 2.200 per maand. Na aftrek van de vaste lasten resteerde daarvan € 345 per maand. [gedaagde] betwist verder dat de overboekingen onverschuldigd zijn gedaan. Er is ook geen sprake van dat [gedaagde] is verrijkt door de overboekingen. De financiële huishoudens van [gedaagde] en haar ouders zijn simpelweg door elkaar gaan lopen. Zij heeft vele uitgaven ten laste van haar eigen bankrekening ten behoeve van vader gedaan. Daar staat tegenover dat vader op zijn beurt uitgaven heeft gedaan voor [gedaagde] . Zij voert aan dat zij voor vader het volgende heeft betaald: in periode 2: 08-07-2015 [eenmanszaak in bloemen] € 120 03-09-2015 De nieuwe Ooster € 469,10 10-09-2015 Brakenhoff verhuizing € 2.082,50 01-08-2015 t/m 30-09-2018 Brakenhoff opslagruimte € 4.750 26-10-2015 Stadsdeel Centrum € 110 02-02-2016 ICS/Bijenkorf € 2.534,51 26-10-2015 tot 24-08-2017 CAK € 941,39 17-11-2015 tot 23-08-2017 Amsta € 401,33 18-04-2016 tot 18-08-2018 Telegraaf € 1.054,75 15-06-2016 Stadsloket € 64,40 19-08-2016 Belastingaanslag 2015 € 631,00 08-09-2016 Reisverzekering vader € 22,85 23-10-2017 Grafsteen moeder € 465,00 28-02-2016 tot 02-02-2018 Artis € 479,38 15-07-2015 tot 06-05-2017 Kleding vader Bijenkorf, e.a.
Volledig
€ 1.100,57 Kleding vader Bijenkorf, e.a € 1.166,49 kosten restaurant Bijenkorf € 119,50 kosten restaurant Bijenkorf € 257,80 22-08-2016 [naam hotel] Barcelona € 1.540,16 Bagagetoeslag € 200 10-10-2016 overboeking [gedaagde] € 223 Totaal € 18.733,73 Verder voert [gedaagde] aan dat zij betalingen en overboekingen heeft verricht zoals die blijken uit de bankafschriften door haar overgelegd als productie 30 en 42: 08-07-2015 tot 23-08-2015 Oxxio € 469,35 12-07-2015 tot 23-08-2015 overboekingen naar € 800 bankrekening vader 23-10-2015 gemeentelijke belasting € 87 03-10-2015 Connock Chase € 41,20 23-10-2015 Waternet/AGV € 165,62 23-10-2015 tot 06-05-2017 kleding (Sissy-boy en CP113) € 873,85 26-03-2015 tot 04-10-2017 Artis € 181,45 24-08-2016 tot 29-08-2016 Barcelona € 2.229,50 Totaal € 4.847,97 in periode 3: 20-11-2018 Belastingaanslag 2017 € 2.524 Belastingaanslag 2018 € 247,89 08-01-2019 Maes Natuursteen € 366 08-01-2019 CAK naheffing eigen bijdrage € 67,10 07-02-2019 DELA kosten crematie € 415,11 01-03-2019 Nieuwe Ooster Bijzetting urn € 94 31-05-2019 tot 05-2023 Jaarlijks grafonderhoud € 406 15-06-2019 Belastingaanslag 2016 € 108 10-2018 tot 05-2023 Brakenhoff opslagruimte € 7.053,05 11-09-2022 saldotekort bankrekening vader € 55 Totaal € 11.336,15 3.10. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat de door [eiser] opgesomde bedragen genoemd in 3.7 zijn afgeboekt van de bankrekening van vader. De berekening van [gedaagde] van het vrij te besteden inkomen van vader (dat wil zeggen: na betaling van vaste lasten) komt de rechtbank dan ook niet juist voor omdat die lager is dan de uitgaven. Verder blijkt uit de afschriften van de bankrekening van [gedaagde] dat de door haar opgesomde bedragen genoemd in 3.9 van haar rekening zijn betaald. 3.11. Voor periode 2 en 3 geldt dat [gedaagde] kon beschikken over het vermogen van ouders. Zij beschikte over een bankpasje van de bankrekening van vader (ook in de periode van 23 mei 2015 tot 1 december 2015 toen zij geen volmacht had). De rechtbank is met [gedaagde] van oordeel dat de door haar opgesomde bedragen evenwel passen in het normale uitgavenpatroon van vader. Voor dit oordeel is het volgende van belang. De bedragen zijn passend voor de desbetreffende huishoudelijke uitgaven (zoals een krantenabonnement) en verder zijn de eenmalige kosten zoals de uitvaartkosten, de belastingaanslagen, de kosten van de vakantie in Spanje en de kosten van de verhuizingen van vader naar de woning van [gedaagde] , en daarna naar [locatie woonzorg] , niet onredelijk hoog. Daarnaast stelt [gedaagde] , onder andere onderbouwd met verklaringen van derden, dat zij regelmatig met vader uitstapjes maakte, zoals naar Artis. De kosten die daarvoor worden opgevoerd door [gedaagde] zijn evenmin exorbitant. Dat geldt ook voor de kosten van kleding. Voor wat betreft de kosten bij de Bijenkorf die [gedaagde] aanvankelijk heeft opgevoerd overweegt de rechtbank dat uit de informatie die [eiser] heeft overgelegd blijkt dat het deels ging om uitgaven voor dameskleding. [gedaagde] heeft nadien erkend dat die aankopen inderdaad voor haar zelf waren. Zij heeft een nieuw, gewijzigd overzicht van kosten bij de Bijenkorf opgesteld, voorzien van een toelichting en onderbouwd met creditcardafschriften. Hoewel hier, net zo min als uit de bankafschriften, ook niet uit af valt te leiden of het gaat om aankopen bestemd voor [gedaagde] of vader, houdt de rechtbank toch rekening met dit bedrag. Immers mag worden aangenomen dat vader kosten heeft gemaakt voor kleding en de daarvoor opgevoerde kosten zijn redelijk. Uit de overgelegde stukken blijkt ten slotte genoegzaam dat [gedaagde] enkele lasten van het appartement van ouders heeft betaald. [gedaagde] heeft voldoende aangetoond dat zij deze kosten heeft gemaakt ten behoeve van vader of de nalatenschap, gezien het uitgangspunt genoemd in 3.1. 3.12. Over de kosten van een opslagruimte overweegt de rechtbank als volgt. [eiser] betwist dat de opslagruimte is gehuurd ten behoeve van vader en voert aan dat de huurtermijnen daarom niet mogen worden opgevoerd. Ook staan er volgens [eiser] vooral spullen van [gedaagde] zelf in die opslagruimte. Als [gedaagde] de opslagruimte heeft gehuurd ten behoeve van de nalatenschap, dan was zij daartoe volgens [eiser] niet bevoegd. Dat hadden [gedaagde] en [eiser] als erfgenamen gezamenlijk moeten doen en [eiser] heeft [gedaagde] geen toestemming gegeven om de opslagruimte te huren. Volgens [gedaagde] heeft zij de opslagruimte gehuurd om inboedelgoederen van ouders na het overlijden van moeder op te slaan. Dat was nodig omdat vader bij haar introk en het appartement van ouders werd opgezegd. Uit de door [gedaagde] overgelegde inboedellijst blijkt dat de opslagruimte ten minste deels wordt gebruikt voor de inboedelgoederen van ouders en [eiser] erkent dat ook. Deze inboedelgoederen behoren tot de nalatenschap. Zolang de nalatenschap niet is verdeeld zijn de erfgenamen samen bevoegd beheersdaden te verrichten. De huur van de opslagruimte is echter een handeling die niet kon worden uitgesteld omdat de inboedelgoederen anders verloren zouden gaan. Het appartement van ouders moest namelijk worden ontruimd. [gedaagde] was daarom bevoegd om zelfstandig, zonder toestemming of medewerking van [eiser] , de opslagruimte te huren. Partijen beschuldigen elkaar ervan de verdeling van de inboedelgoederen te frustreren waardoor de opslagkosten daarvan onnodig oplopen. De rechtbank ziet daarin geen aanleiding de huurtermijnen ten laste te laten komen van de ene dan wel de andere partij. De huurtermijnen komen dus ten laste van de nalatenschap. [gedaagde] voert daarom de huurkosten van de opslagruimte terecht op. 3.13. De rechtbank houdt er rekening mee dat [gedaagde] in periode 2 en 3 een bedrag heeft besteed ten behoeve van respectievelijk vader en de nalatenschap van in totaal € 34.917,85. De overboekingen (€ 19.655) zijn een gedeeltelijke vergoeding van deze kosten. webshopaankopen 3.14. [eiser] stelt dat de webshopaankopen van in totaal € 19.168,97 zijn gedaan door [gedaagde] ten behoeve van haarzelf. [gedaagde] betwist dit. Zij erkent echter wel dat haar financiën en die van haar vader door elkaar zijn gaan lopen en dat sommige van de webshopaankopen inderdaad voor haarzelf waren. Met [eiser] is de rechtbank van oordeel dat een bedrag van € 19.168,97 plus € 3.140, 91 (de totale kledingkosten genoemd in r.o. 3.9) besteed aan kleding in een periode van 3,5 jaar uitzonderlijk hoog is in vergelijking met de uitgaven in periode 1 (ook een periode van ongeveer 3,5 jaar), toen de webshopaankopen € 3.958,94 bedroegen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [gedaagde] geen instemming van vader had om voor een totaalbedrag van € 19.168,97 aan webshopaankopen te doen. Dit betekent dat zij deze uitgaven moet kunnen verantwoorden. Daarin is [gedaagde] niet geslaagd. De rechtbank brengt alleen een bedrag van € 474,50 (Lloyd Hotel B.V.) in mindering, omdat [gedaagde] deze uitgave verantwoordt met haar toelichting dat het gaat om de receptie na de crematie van moeder. Het gaat dus in totaal om een bedrag van € 19.168,97- € 474,50 = € 18.694,47 cash- en pinopnames 3.15. [eiser] stelt dat [gedaagde] met de bankpas en creditcard van vader cash- en pinopnames heeft gedaan voor zichzelf van in totaal € 3.923,16. [gedaagde] voert aan dat het geld is gebruikt voor uitjes, hobby’s en andere activiteiten van vader. Zij onderbouwt dit met verklaringen van familieleden, vrienden van vader en medewerkers van het [locatie woonzorg] . Verder zijn enkele uitgaven gedaan bij bouwmarkten in verband met aanpassingen die nodig waren omdat vader na het overlijden van moeder bij haar introk, aldus [gedaagde] . De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] hiermee deze post voldoende heeft verantwoord. Deze post wordt dan ook buiten beschouwing gelaten. Overige posten 3.16. [eiser] stelt dat [gedaagde] een bedrag van in totaal € 600 heeft overgemaakt aan [naam] . Volgens [gedaagde] wilde vader [naam] hiermee een vergoeding betalen voor de mantelzorg die [naam] heeft verleend.
Volledig
De rechtbank overweegt dat dit geld is overgemaakt van de bankrekening van vader naar de bankrekening van [naam] . Het is dus een bedrag dat niet ten behoeve van [gedaagde] zelf is overgemaakt. Zij is hiervoor dus geen verantwoording verschuldigd aan [eiser] . De rechtbank laat deze overboeking daarom buiten beschouwing. Over de abonnementskosten van Marie Claire heeft [gedaagde] aangevoerd dat het ging om een abonnement van moeder die zij niet of te laat had opgezegd en daarom moest worden betaald. De rechtbank laat deze betaling daarom ook buiten beschouwing. Dit geldt ook voor de premie reiskostenverzekering. Onbetwist staat vast dat deze ten behoeve van [gedaagde] is betaald. Zij stelt echter dat vader de kosten van de vakantie naar Barcelona wilde betalen. [gedaagde] heeft voldoende onderbouwd dat alle uitgaven voor deze vakantie op uitdrukkelijke wens van vader hebben plaatsgevonden en de rechtbank acht ook aannemelijk dat vader deze uitgaven ten behoeve van [gedaagde] en haar kinderen heeft willen doen, gelet op de relatie die tussen hen bestond. Dat geldt dus ook voor de premie van de reiskostenverzekering. 3.17. In totaal gaat het om een bedrag van € 20.512,05 (18.694,47 in periode 2 + € 1.817,58 in periode 3) dat [gedaagde] niet kan verantwoorden. De rechtbank houdt het er daarom voor dat zij het vermogen van vader dan wel de nalatenschap heeft gebruikt om daarmee voor zichzelf aankopen te doen zonder instemming van vader. Dat bedrag heeft [gedaagde] dus onrechtmatig onttrokken. De nalatenschap heeft daarom in beginsel een vordering op [gedaagde] voor dit bedrag. [gedaagde] vordert echter van haar kant vast te stellen dat zij een vordering heeft op de nalatenschap en dat de vorderingen over en weer met elkaar verrekend dienen te worden. De rechtbank overweegt daarover het volgende. Kosten voldaan door [gedaagde] 3.18. De rechtbank heeft in 3.13. geoordeeld dat [gedaagde] voor vader en de nalatenschap € 34.917,85 aan kosten heeft voldaan en dat de overboekingen aan haar van € 19.655 een gedeeltelijke vergoeding van deze kosten zijn. Voor periode 2 en 3 heeft [gedaagde] dus nog een vordering op de nalatenschap van € 34.917,85 - € 19.655 = € 15.262,85. 3.19. [gedaagde] stelt verder dat zij in de eerste periode de volgende kosten heeft betaald voor ouders: 27-04-2013 vouwfiets € 180 23-03-2014 vliegtickets € 602 13-02-2015 elektrische piano € 229,95 08-02-2015 gebitsprothese € 560 Totaal € 1.571,95 3.20. [eiser] betwist dat deze uitgaven zijn gedaan voor ouders. De rechtbank is van oordeel dat gezien de onderbouwing van [gedaagde] door middel van de bankafschriften en facturen voldoende is komen vast te staan dat dit kosten zijn die [gedaagde] heeft gemaakt voor ouders. De totale vordering van [gedaagde] op de nalatenschap bedraagt dus € 15.262,85 + € 1.571,95 = € 16.834,80 . Na verrekening resteert € 20.512,05 - € 16.834,80 = € 3.677,25 . Dit bedrag moet [gedaagde] dus per saldo aan de nalatenschap betalen plus € 8.600 aan restant lening (zie 2.2). Tussenconclusie 3.21. Dit betekent dat de rechtbank vordering 2 en 3 van [eiser] in zoverre zal toewijzen dat [gedaagde] wordt veroordeeld € 29.112,05 (€ 8.600 + € 20.512,05) te voldoen aan de nalatenschap. Voor het overige worden deze vorderingen afgewezen. Ook zal de rechtbank de tegenvordering van [gedaagde] toewijzen, in zoverre dat zij een vordering heeft op de nalatenschap van € 16.834,80 en dat zij deze mag verrekenen met de vordering van de nalatenschap op haar. Per saldo moet zij € 12.277,25 aan de nalatenschap betalen, waarbij nog rekening moet worden gehouden met na te melden verdeling van de nalatenschap. Verbeurdverklaring 3.22. [eiser] stelt dat [gedaagde] de vordering van de nalatenschap op haar opzettelijk heeft verzwegen. [gedaagde] betwist dat. De rechtbank heeft in het tussenvonnis geoordeeld dat [gedaagde] haar aandeel in de vordering van de restant lening niet heeft verbeurd. Ook ten aanzien van de vordering uit hoofde van onrechtmatige onttrekkingen is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] haar aandeel daarin niet heeft verbeurd. Gezien de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] is niet komen vast te staan dat zij deze vordering opzettelijk heeft verzwegen. Zij heeft in periode 2 en 3 het vermogen van vader beheerd en daarna de nalatenschap. Daarbij zijn, zoals [gedaagde] aanvoert, de financiële huishoudens door elkaar gaan lopen. Dat blijkt ook uit de bankafschriften. Vast is komen te staan dat de nalatenschap een vordering heeft op [gedaagde] . Ook is komen vast te staan dat [gedaagde] een opeisbare tegenvordering op de nalatenschap heeft. De vorderingen ontlopen elkaar niet veel. Onder deze omstandigheden kan de rechtbank niet vaststellen dat [gedaagde] al eerder wist dat de nalatenschap per saldo een vordering op haar had en dus ook niet dat zij die opzettelijk heeft verzwegen. Omdat [gedaagde] het vermogen van haar vader en de nalatenschap beheerde had zij daarvan een betere administratie moeten bijhouden. Dat heeft zij niet gedaan. De rechtbank ziet echter in de onzakelijke manier waarop [gedaagde] het vermogen van vader/nalatenschap heeft beheerd geen aanleiding om de sanctie van verbeurdverklaring op te leggen. De vordering van [eiser] tot verbeurdverklaring (vordering 4) wordt dus afgewezen. Rekening en verantwoording 3.23. [eiser] vordert verder dat de rechtbank [gedaagde] veroordeelt rekening en verantwoording af te leggen over het door haar gevoerde beheer over het vermogen van ouders. 3.24. In deze procedure heeft [gedaagde] tegenover de door [eiser] namens de nalatenschap ingestelde vordering inzage gegeven in de wijze waarop zij heeft gehandeld met het vermogen van ouders tijdens hun leven en het vermogen van de nalatenschap na hun overlijden. Daarmee heeft zij de facto rekening en verantwoording afgelegd. Vervolgens is aan de hand daarvan hiervoor vastgesteld en beoordeeld tot welke vergoedingsplicht van [gedaagde] dat leidt. Gelet daarop is geen plaats meer voor een afzonderlijke veroordeling van [gedaagde] tot het afleggen van rekening en verantwoording zodat de daartoe strekkende vordering van [eiser] zal worden afgewezen. Op dezelfde grond is de vordering tot het overleggen van bescheiden en/of deskundigenbericht niet toewijsbaar. Vernietiging schenkingen 3.25. [eiser] stelt dat voor zover geen sprake is van onrechtmatige onttrekkingen door [gedaagde] , deze onttrekkingen beschouwd moeten worden als schenkingen. Hij vordert dat al deze schenkingen van ouders/de nalatenschap aan [gedaagde] worden vernietigd op grond van misbruik van omstandigheden dan wel het plegen van een misdrijf door [gedaagde] jegens ouders. [eiser] stelt daartoe dat de schenkingen tot stand zijn gekomen door misbruik van omstandigheden. Volgens hem is het aan [gedaagde] om te bewijzen dat er geen sprake is van misbruik van omstandigheden op grond van artikel 7:176 BW. [gedaagde] betwist deze vordering. 3.26. [eiser] heeft als rechtsopvolger onder algemene titel (erfgenaam) van ouders en daarmee dus als ‘schenker’ een beroep gedaan op vernietigbaarheid van schenkingen van ouders aan [gedaagde] . Dit betekent dat als hij feiten stelt waaruit volgt dat schenkingen aan [gedaagde] door misbruik van omstandigheden tot stand zijn gekomen, de bewijslast van het tegendeel in beginsel op [gedaagde] rust. 3.27. Uit de stellingen van [eiser] volgt echter niet dat schenkingen - voor zover sprake is van schenkingen, hetgeen [gedaagde] betwist - onder misbruik van omstandigheden zijn gedaan. De rechtbank wijst de vordering tot vernietiging daarom af. [eiser] ziet in diverse omstandigheden aanwijzingen voor misbruik van omstandigheden. Hij wijst erop dat ouders en [gedaagde] een hechte relatie hadden, vader aan Alzheimer leed, [gedaagde] de beschikking had over de pinpas van de bankrekening van ouders en toegang had tot het internetbankieren van ouders. De enkele aanwezigheid van deze omstandigheden, die op zichzelf niet worden betwist, maken nog niet dat [gedaagde] daarvan misbruik heeft gemaakt en schenkingen heeft weten te bewerkstelligen. Bovendien is het [eiser] te doen om een veelheid van schenkingen.
Volledig
De omstandigheden die hij noemt zijn algemeen en niet concreet toegespitst op specifieke schenkingen. De stelplicht en bewijslast ligt evenwel niet bij [gedaagde] , maar bij [eiser] . Hij moet dus concrete feiten en omstandigheden stellen, en zo nodig bewijzen, dat sprake is van misbruik van omstandigheden ten aanzien van alle schenkingen dan wel dat [gedaagde] een misdrijf jegens ouders heeft gepleegd. Dat heeft hij gezien haar betwisting onvoldoende gedaan. Vordering 8 van [eiser] wordt daarom afgewezen. Verdeling van de nalatenschap 3.28. [eiser] vordert tevens vaststelling van de verdeling van de nalatenschap, of de wijze van verdeling daarvan (vordering 9). Volgens [gedaagde] dient deze vordering te worden afgewezen omdat [eiser] geen concreet voorstel doet hoe volgens hem de nalatenschap verdeeld moet worden. Er valt bovendien niets te verdelen, omdat er niets in de nalatenschap zit. Er waren alleen schulden die inmiddels zijn voldaan, aldus [gedaagde] . 3.29. Gezien het oordeel van de rechtbank in 3.21 bestaat de nalatenschap uit een vordering op [gedaagde] van € 12.277,25. Verder blijkt uit de stukken dat er inboedelgoederen en sieraden zijn die tot de nalatenschap behoren. De huurtermijnen van de opslagruimte van de inboedelgoederen zijn aan te merken als een schuld van de nalatenschap. Deze schuld komt ieder voor de helft voor rekening van [eiser] en [gedaagde] . Omdat [gedaagde] deze altijd heeft voldaan, krijgt zij een vordering op de nalatenschap. Deze wordt als na te melden verrekend met de vordering van de nalatenschap op [gedaagde] . Partijen hebben niet gesteld en het is de rechtbank niet gebleken dat er nog andere bestanddelen zijn die moeten worden verdeeld. De rechtbank zal de wijze van verdeling van de nalatenschap aldus vaststellen: aan [eiser] en [gedaagde] wordt ieder voor de helft toebedeeld de vordering op [gedaagde] van € 12.277,25; aan [eiser] en [gedaagde] wordt ieder voor de helft toebedeeld de inboedelgoederen van ouders; de huurtermijnen van de opslagruimte van de inboedelgoederen (vanaf 12 mei 2023 tot de inboedelgoederen feitelijk zijn verdeeld) worden in mindering gebracht op de vordering op [gedaagde] , voor zover zij de huurtermijnen heeft betaald. Legitieme portie 3.30. [eiser] vordert vaststelling van zijn legitieme portie. Hij stelt daarbij dat de nalatenschap moet worden vermeerderd met de schenkingen die [gedaagde] heeft ontvangen van ouders. Volgens [gedaagde] moet deze vordering afgewezen worden omdat deze onvoldoende concreet is. 3.31. Aan de hand van de hiervoor gegeven beslissingen is vervolgens de wijze van verdeling van de nalatenschap tussen [eiser] en [gedaagde] vastgesteld. Voor zover [eiser] heeft beoogd om met die vordering te bewerkstelligen dat bij de verdeling van de nalatenschap wordt betrokken dat ouders schenkingen aan [gedaagde] hebben gedaan, althans dat zijn erfdeel, gelet op de omvang van de schenkingen van ouders aan [gedaagde] , moet worden aangevuld tot zijn legitieme portie overweegt de rechtbank desondanks als volgt. 3.32. [gedaagde] betwist gemotiveerd dat ouders schenkingen aan haar hebben gedaan. [eiser] stelt uitsluitend dat als de betalingen, overboekingen en dergelijke van ouders aan [gedaagde] niet zijn aan te merken als onrechtmatige onttrekking, het dus schenkingen moeten zijn. Dat is echter niet de enige mogelijke kwalificatie. Zo voert [gedaagde] aan dat sprake is van voldoening aan een natuurlijke verbintenis ten aanzien van betalingen ten tijde van haar medische behandeling. Verder oordeelt de rechtbank in r.o. 3.13 dat de overboekingen van ouders bankrekening naar [gedaagde] bankrekening van € 19.655 de terugbetaling betreft van bedragen die [gedaagde] eerder aan ouders heeft voorgeschoten. Ook voert [eiser] bedragen op die zijn bestemd voor de kinderen van [gedaagde] die sowieso dus geen schenkingen aan [gedaagde] betreffen. De rechtbank kan dus niet vaststellen dat de door [eiser] opgevoerde bedragen daadwerkelijk als schenkingen moeten worden aangemerkt. Proceskosten 3.33. Bij deze uitkomst van de procedure is er geen aanleiding [gedaagde] te veroordelen in de reële proceskosten zoals door [eiser] wordt gevorderd. De rechtbank zal de proceskosten compenseren vanwege de relatie tussen partijen, zo dat iedere partij de eigen kosten draagt. Uitvoerbaar bij voorraad 3.34. [eiser] vordert het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. [gedaagde] voert daartegen verweer. Volgens [gedaagde] zal een vonnis waarbij zij wordt veroordeeld een bedrag te betalen leiden tot betalingsproblemen. Zij heeft namelijk onvoldoende liquide middelen om [eiser] te betalen. Zij vreest dan ook dat [eiser] beslag zal laten leggen op haar woning omdat het haar enige vermogensbestanddeel is. Om te voorkomen dat zij haar huis kwijt raakt als zij hoger beroep instelt, verzoekt [gedaagde] het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.35. [eiser] heeft niet onderbouwd dat hij er belang bij heeft om het vonnis meteen uit te voeren ook als hoger beroep wordt ingesteld. De rechtbank zal de veroordeling daarom niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren. 4 De beslissing De vordering van [eiser] De rechtbank 4.1. veroordeelt [gedaagde] € 29.112,05 te voldoen aan de nalatenschap; 4.2. stelt de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande nalatenschap als volgt vast: deelt aan [eiser] en [gedaagde] ieder voor de helft toe de vordering op [gedaagde] van € 12.277,25; deelt aan [eiser] en [gedaagde] ieder voor de helft toe de inboedelgoederen van ouders; de huurtermijnen van de opslagruimte van de inboedelgoederen (vanaf 12 mei 2023 tot de inboedelgoederen feitelijk zijn verdeeld) worden in mindering gebracht op de vordering op [gedaagde] , voor zover zij de huurtermijnen heeft betaald. De tegenvordering van [gedaagde] De rechtbank 4.3. verklaart voor recht dat [gedaagde] een vordering heeft op de nalatenschap van € 16.834,80 en dat zij deze mag verrekenen met de vordering van de nalatenschap op haar. De vordering en de tegenvordering De rechtbank 4.4. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt. 4.5. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. van Harmelen, rechter, bijgestaan door mr. D.K.W. Collins, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2024.