Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-10-31
ECLI:NL:RBAMS:2024:9012
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
10,396 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2024:9012 text/xml public 2026-03-13T13:12:57 2026-03-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2024-10-31 13/087473-23 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:9012 text/html public 2026-03-13T09:30:26 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2024:9012 Rechtbank Amsterdam , 31-10-2024 / 13/087473-23 Verdachte heeft zich samen met anderen binnen een tijdsbestek van 48 uur schuldig gemaakt aan twee straatroven. De rechtbank legt aan verdachte op een gevangenisstraf van 8 maanden met aftrek. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/087473-23 Parketnummers vorderingen tenuitvoerlegging: 10/063956-21 en 10/220077-22 Datum uitspraak: 31 oktober 2024 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 2001, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres]. 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 12 maart 2024 en 17 oktober 2024. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.I.P. Hofstee, en van wat de raadsvrouw van verdachte, mr. M. Shaaban, naar voren heeft gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan: Feit 1: het medeplegen van een diefstal met (bedreiging met) geweld van een Apple iPhone 13 en een sigarettenpakje van [aangever 1] op 28 maart 2023 in Amsterdam; Feit 2: het medeplegen van een diefstal met (bedreiging met) geweld van een Apple iPhone XR van [aangever 2] op 27 maart 2023 in Rotterdam. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I , die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3 Waardering van het bewijs 3.1 Inleiding Op 28 maart 2023 wordt verdachte aangehouden op verdenking van een straatroof in vereniging die kort daarvoor zou hebben plaatsgevonden op de Oudezijds Achterburgwal in Amsterdam. Daarnaast wordt hij verdacht van een straatroof in vereniging die de dag ervoor zou hebben plaatsgevonden in een tram in Rotterdam. 3.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide feiten. Ten aanzien van feit 1, ziet de officier van justitie het bewijs in het proces-verbaal van bevindingen, dat bestaat uit de verklaring van aangever [aangever 1] en een beschrijving van de camerabeelden, en het aantreffen van de telefoon bij verdachte. Daarbij geldt dat partiële vrijspraak dient te volgen voor het sigarettenpakje. Ten aanzien van feit 2, baseert de officier van justitie de bewezenverklaring op de aangifte van [aangever 2], de camerabeelden en het aantreffen van de telefoon bij verdachte. 3.3 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1, omdat er geen sprake zou zijn van een nauwe en bewuste samenwerking bij de diefstal met geweld. Uit het dossier volgt dat verdachte geen leidende rol heeft gehad. Tijdens het verhoor van verdachte is hem voorgehouden dat hij op de uitkijk zou hebben gestaan, terwijl een van zijn vrienden aangever [aangever 1] aan het beroven zou zijn. Voor zover hiervan al sprake zou zijn geweest, is dit onvoldoende om te spreken van medeplegen. De rollen van verdachte en zijn medeverdachten zijn geenszins inwisselbaar geweest. Ook is er geen bewijs dat verdachte zich alleen zou hebben schuldig gemaakt aan de diefstal. Verdachte heeft geen telefoon bij aangever [aangever 1] weggenomen en hij heeft geen geweld tegen [aangever 1] gebruikt. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 3.4 Het oordeel van de rechtbank 3.4.1 Het oordeel over feit 1 Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de onder feit 1 ten laste gelegde diefstal met geweld in vereniging bewezen kan worden verklaard. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De rechtbank stelt op basis van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast. In de nacht van 28 maart 2023 nemen verbalisanten via cameratoezicht live waar dat een straatroof plaatsvindt op de Oudezijds Achterburgwal, waarbij één persoon ingesloten wordt door vier mannen. De verbalisant gaat direct ter plaatse, waar hij verdachte aantreft. Verbalisant herkent verdachte op grond van het signalement als één van de mannen op de camerabeelden, waarop hij wordt aangehouden. Verdachte verklaart dan dat hij een telefoon bij zich heeft. Bij verdachte worden twee telefoons aangetroffen, waarvan hij verklaart dat de witte telefoon van hemzelf is. De zwarte telefoon is niet van hem, maar moest hij bewaren voor iemand anders. Ook verklaart verdachte dat hij samen met drie andere mannen in het centrum was. Van de zwarte telefoon is later gebleken dat deze toebehoorde aan aangever [aangever 1]. Aangever [aangever 1] verklaart dat hij een groep van vier personen zag. Aan één van deze personen, een donkere man met een zwarte pet, vroeg hij om een sigaret. Deze man zei tegen hem dat hij daarvoor zou moeten betalen. Vervolgens kwamen alle vier de personen dicht tegen hem aan staan, wat erg opdringerig overkwam. Alle vier de personen grepen met hun handen richting de zakken van aangever. Meerdere jongens zeiden ‘’give us all your money’ , waardoor aangever zich angstig voelde. Eén van de jongens, die volledig in het zwart was gekleed, ging met zijn hand in de jas van aangever en trok aan zijn jas. Vervolgens rende deze persoon weg, gevolgd door de rest van de groep, en merkte aangever dat hij zijn telefoon miste. Toen aangever achter de groep aan ging, zei de donkere man ‘how much money do you have to get your phone back?’. Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 2] dicht tegen aangever aan stonden. Terwijl [medeverdachte 1] bezig was bij de zakken van aangever, stond verdachte op de uitkijk. Op enig moment hield [medeverdachte 1] de jaszak van aangever vast en stopte hij zijn hand daarin. Verdachte gaf aangever toen een duw met zijn schouder. [medeverdachte 1] haalde vervolgens een voorwerp uit de jaszak van aangever die hij nog steeds vasthad. Aangever trok zijn jaszak weg van [medeverdachte 1], die hem vervolgens een duw gaf tegen de borst. Aangever pakte [medeverdachte 1] vast bij de arm, die hem vervolgens weer duwde waardoor aangever uit balans raakte. [medeverdachte 1] nam een dreigende houding aan door zwaaiende bewegingen naar aangever te maken. Daarop duwde hij aangever weer en rende hij weg, gevolgd door de rest van de groep. Verdachte sloot zich later weer bij de groep aan. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit bovenstaande feiten en omstandigheden dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de vier mannen ten aanzien van het plegen van de diefstal met geweld, waaraan ook verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd door dicht tegen aangever [aangever 1] aan te gaan staan, op de uitkijk te staan en hem een duw te geven terwijl [medeverdachte 1] bezig was met het stelen van de telefoon uit de jaszak. Daar komt bij dat verdachte zich daarna bij de groep heeft aangesloten en dat zeer kort na het wegnemen van de telefoon bij verdachte de telefoon van aangever is aangetroffen, en die dus kennelijk door [medeverdachte 1] aan verdachte is overgedragen. Dat verdachte geen leidende rol bij de diefstal heeft gehad, zoals de raadsvrouw heeft betoogd, is niet vereist voor medeplegen en doet dus aan het voorgaande niet af. Ook het feit dat het niet verdachte maar [medeverdachte 1] is geweest die de telefoon heeft weggenomen, maakt niet dat verdachte niet heeft bijgedragen aan de diefstal nu hij een deel van de geweldshandelingen heeft gepleegd door aangever te duwen. De verweren van de raadsvrouw slagen niet.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2024:9012 text/xml public 2026-05-11T10:35:14 2026-03-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2024-10-31 13/087473-23 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:9012 text/html public 2026-03-13T09:30:26 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2024:9012 Rechtbank Amsterdam , 31-10-2024 / 13/087473-23 Verdachte heeft zich samen met anderen binnen een tijdsbestek van 48 uur schuldig gemaakt aan twee straatroven. De rechtbank legt aan verdachte op een gevangenisstraf van 8 maanden met aftrek. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/087473-23 Parketnummers vorderingen tenuitvoerlegging: 10/063956-21 en 10/220077-22 Datum uitspraak: 31 oktober 2024 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 2001, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres]. 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 12 maart 2024 en 17 oktober 2024. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.I.P. Hofstee, en van wat de raadsvrouw van verdachte, mr. M. Shaaban, naar voren heeft gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan: Feit 1: het medeplegen van een diefstal met (bedreiging met) geweld van een Apple iPhone 13 en een sigarettenpakje van [aangever 1] op 28 maart 2023 in Amsterdam; Feit 2: het medeplegen van een diefstal met (bedreiging met) geweld van een Apple iPhone XR van [aangever 2] op 27 maart 2023 in Rotterdam. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I , die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3 Waardering van het bewijs 3.1 Inleiding Op 28 maart 2023 wordt verdachte aangehouden op verdenking van een straatroof in vereniging die kort daarvoor zou hebben plaatsgevonden op de Oudezijds Achterburgwal in Amsterdam. Daarnaast wordt hij verdacht van een straatroof in vereniging die de dag ervoor zou hebben plaatsgevonden in een tram in Rotterdam. 3.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide feiten. Ten aanzien van feit 1, ziet de officier van justitie het bewijs in het proces-verbaal van bevindingen, dat bestaat uit de verklaring van aangever [aangever 1] en een beschrijving van de camerabeelden, en het aantreffen van de telefoon bij verdachte. Daarbij geldt dat partiële vrijspraak dient te volgen voor het sigarettenpakje. Ten aanzien van feit 2, baseert de officier van justitie de bewezenverklaring op de aangifte van [aangever 2], de camerabeelden en het aantreffen van de telefoon bij verdachte. 3.3 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1, omdat er geen sprake zou zijn van een nauwe en bewuste samenwerking bij de diefstal met geweld. Uit het dossier volgt dat verdachte geen leidende rol heeft gehad. Tijdens het verhoor van verdachte is hem voorgehouden dat hij op de uitkijk zou hebben gestaan, terwijl een van zijn vrienden aangever [aangever 1] aan het beroven zou zijn. Voor zover hiervan al sprake zou zijn geweest, is dit onvoldoende om te spreken van medeplegen. De rollen van verdachte en zijn medeverdachten zijn geenszins inwisselbaar geweest. Ook is er geen bewijs dat verdachte zich alleen zou hebben schuldig gemaakt aan de diefstal. Verdachte heeft geen telefoon bij aangever [aangever 1] weggenomen en hij heeft geen geweld tegen [aangever 1] gebruikt. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 3.4 Het oordeel van de rechtbank 3.4.1 Het oordeel over feit 1 Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de onder feit 1 ten laste gelegde diefstal met geweld in vereniging bewezen kan worden verklaard. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De rechtbank stelt op basis van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast. In de nacht van 28 maart 2023 nemen verbalisanten via cameratoezicht live waar dat een straatroof plaatsvindt op de Oudezijds Achterburgwal, waarbij één persoon ingesloten wordt door vier mannen. De verbalisant gaat direct ter plaatse, waar hij verdachte aantreft. Verbalisant herkent verdachte op grond van het signalement als één van de mannen op de camerabeelden, waarop hij wordt aangehouden. Verdachte verklaart dan dat hij een telefoon bij zich heeft. Bij verdachte worden twee telefoons aangetroffen, waarvan hij verklaart dat de witte telefoon van hemzelf is. De zwarte telefoon is niet van hem, maar moest hij bewaren voor iemand anders. Ook verklaart verdachte dat hij samen met drie andere mannen in het centrum was. Van de zwarte telefoon is later gebleken dat deze toebehoorde aan aangever [aangever 1]. Aangever [aangever 1] verklaart dat hij een groep van vier personen zag. Aan één van deze personen, een donkere man met een zwarte pet, vroeg hij om een sigaret. Deze man zei tegen hem dat hij daarvoor zou moeten betalen. Vervolgens kwamen alle vier de personen dicht tegen hem aan staan, wat erg opdringerig overkwam. Alle vier de personen grepen met hun handen richting de zakken van aangever. Meerdere jongens zeiden ‘’give us all your money’ , waardoor aangever zich angstig voelde. Eén van de jongens, die volledig in het zwart was gekleed, ging met zijn hand in de jas van aangever en trok aan zijn jas. Vervolgens rende deze persoon weg, gevolgd door de rest van de groep, en merkte aangever dat hij zijn telefoon miste. Toen aangever achter de groep aan ging, zei de donkere man ‘how much money do you have to get your phone back?’. Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 2] dicht tegen aangever aan stonden. Terwijl [medeverdachte 1] bezig was bij de zakken van aangever, stond verdachte op de uitkijk. Op enig moment hield [medeverdachte 1] de jaszak van aangever vast en stopte hij zijn hand daarin. Verdachte gaf aangever toen een duw met zijn schouder. [medeverdachte 1] haalde vervolgens een voorwerp uit de jaszak van aangever die hij nog steeds vasthad. Aangever trok zijn jaszak weg van [medeverdachte 1], die hem vervolgens een duw gaf tegen de borst. Aangever pakte [medeverdachte 1] vast bij de arm, die hem vervolgens weer duwde waardoor aangever uit balans raakte. [medeverdachte 1] nam een dreigende houding aan door zwaaiende bewegingen naar aangever te maken. Daarop duwde hij aangever weer en rende hij weg, gevolgd door de rest van de groep. Verdachte sloot zich later weer bij de groep aan. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit bovenstaande feiten en omstandigheden dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de vier mannen ten aanzien van het plegen van de diefstal met geweld, waaraan ook verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd door dicht tegen aangever [aangever 1] aan te gaan staan, op de uitkijk te staan en hem een duw te geven terwijl [medeverdachte 1] bezig was met het stelen van de telefoon uit de jaszak. Daar komt bij dat verdachte zich daarna bij de groep heeft aangesloten en dat zeer kort na het wegnemen van de telefoon bij verdachte de telefoon van aangever is aangetroffen, en die dus kennelijk door [medeverdachte 1] aan verdachte is overgedragen. Dat verdachte geen leidende rol bij de diefstal heeft gehad, zoals de raadsvrouw heeft betoogd, is niet vereist voor medeplegen en doet dus aan het voorgaande niet af. Ook het feit dat het niet verdachte maar [medeverdachte 1] is geweest die de telefoon heeft weggenomen, maakt niet dat verdachte niet heeft bijgedragen aan de diefstal nu hij een deel van de geweldshandelingen heeft gepleegd door aangever te duwen. De verweren van de raadsvrouw slagen niet.
Volledig
Dit alles leidt tot de conclusie dat verdachte zich op 28 maart 2023 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een diefstal met geweld van een telefoon. Verdachte zal worden vrijgesproken van het onderdeel dat van aangever [aangever 1] een sigarettenpakje zou zijn gestolen, nu bewijs daarvoor ontbreekt. 3.4.2 Het oordeel over feit 2 De rechtbank komt ook tot een bewezenverklaring van de diefstal met geweld onder feit 2. Uit het dossier blijkt dat verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 2] rondom aangever [aangever 2] in de tram zijn gaan zitten. [medeverdachte 2] is op de plek naast aangever gaan zitten, en heeft aangever toen van zijn plek af geduwd tegen het raam aan. [medeverdachte 2] heeft belemmerd dat aangever deze plek kon verlaten, waardoor hij ingesloten was. Verdachte heeft vervolgens samen met [medeverdachte 2] gevoeld aan de kleding van aangever, waarna verdachte een witte telefoon uit de kleding van aangever wegneemt en deze direct tussen zijn benen stopt. De mannen laten aangever vervolgens gaan, die dan uit de tram stapt. Direct nadat aangever de tram heeft verlaten, haalt verdachte een witte iPhone tussen zijn benen vandaan die hij lachend aan de rest van de mannen laat zien. Bij de aanhouding van verdachte op 28 maart 2023 wegens verdenking van de diefstal ten laste gelegd onder feit 1, wordt een witte iPhone XR aangetroffen die van aangever [aangever 2] blijkt te zijn. Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank ook ten aanzien van feit 2 tot het oordeel dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen in ieder geval verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] ten aanzien van de diefstal met geweld en bedreiging met geweld, welke bestond uit het duwen van aangever van zijn zitplaats en het insluiten van aangever waardoor hij niet weg kon komen. 4 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte: Feit 1: op 28 maart 2023 te Amsterdam op de openbare weg, te weten aan de Oudezijds Achterburgwal, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon, (merk Apple, type iPhone 13) toebehorende aan [aangever 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [aangever 1] gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededaders - zich als groep dreigend aan die [aangever 1] hebben opgedrongen en dicht tegen die [aangever 1] aan zijn gaan staan, en - meermalen tegen het lichaam van die [aangever 1] hebben geduwd en - die [aangever 1] hebben vastgepakt en - aan de jas van die [aangever 1] hebben getrokken en in de jaszakken van die [aangever 1] hebben gevoeld en die mobiele telefoon uit de jaszak hebben gehaald en - meermalen dreigend een zwaaiende beweging heeft gemaakt in de richting van die [aangever 1] en - dreigend tegen die [aangever 1] te zeggen: “If you want sigarets, you have to pay” en “Give us all your money” en “How much money do you have to get your phone back”; Feit 2: op 27 maart 2023 te Rotterdam op de openbare weg, te weten in de tram zich bevindende op het traject tussen halte Lombardijen en halte Kerstendijk, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon, (merk Apple, type witte iPhone XR), toebehorende aan [aangever 2], welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [aangever 2] gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededader - zich als groep dreigend aan die [aangever 2] hebben opgedrongen, die [aangever 2] hebben benaderd en in de tram om die [aangever 2] heen is gaan zitten en - die [aangever 2] van zijn zitplaats hebben weggeduwd richting de raamkant van de tram zodat die [aangever 2] niet meer weg kon en - op het moment dat die [aangever 2] wilde weglopen de doorgang van die [aangever 2] hebben belemmerd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 5 De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6 De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7 Motivering van de straf 7.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf maanden. Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 10/063956-21 heeft de officier van justitie verzocht deze af te wijzen, omdat de tenuitvoerlegging geen toegevoerde waarde meer heeft gelet op het feit dat de proeftijd al lang verlopen is. Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 10/220077-22 heeft de officier van justitie verzocht deze toe te wijzen. 7.2 Het strafmaatverweer van de verdediging De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht in de strafmaat rekening te houden met de volgende omstandigheden. Verdachte is een 22-jarige jongen aan wie eerder in het kader van een voorwaardelijke straf hulpverlening in de vorm van bijzondere voorwaarden is opgelegd. Deze hulp is tot nu toe nog niet van de grond gekomen waardoor hij daar geen gebruik van heeft kunnen maken. Dat de hulpverlening nog niet is gestart, is niet volledig aan verdachte te wijten. Een eventuele onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou deze hulp en een nog openstaande taakstraf doorkruisen. Ook heeft de raadsvrouw laten weten dat het inmiddels stukken beter gaat met verdachte. Hij heeft een klinische opname voor zijn verslaving gehad en deze succesvol afgerond. Ook heeft hij een dagbesteding in de vorm van een baan in de bediening en keuken van een restaurant in Rotterdam. Ten aanzien van de vorderingen tenuitvoerlegging heeft de raadsvrouw verzocht deze af te wijzen dan wel de proeftijd te verlengen. Recent heeft bij een gerechtshof een zitting plaatsgevonden waarbij deze vorderingen tenuitvoerlegging ook zijn aangebracht. Daar heeft de AG gevorderd de proeftijd te verlengen respectievelijk de vordering TUL af te wijzen, en het bewuste hof zal daar op 21 oktober 2024 op beslissen. 7.3 Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich samen met anderen binnen een tijdsbestek van 48 uur schuldig gemaakt aan twee straatroven. Straatroof is een ernstig en brutaal delict. In dit geval zijn twee nietsvermoedende personen, een toerist in Amsterdam en een verstandelijk beperkte man in Rotterdam, benaderd en geïntimideerd. Verdachte en zijn mededaders hebben door hun handelingen een bedreigende en angstaanjagende situatie gecreëerd. Een straatroof is voor slachtoffers een traumatische ervaring. Verdachte heeft zich niet bekommerd om de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers en heeft enkel gehandeld uit financieel gewin. De rechtbank wijst er in dit verband nog op dat op de camerabeelden uit de tram ten aanzien van feit 2 is te zien dat verdachte direct na de straatroof de telefoon aan zijn mededader laat zien en daarbij lacht. De rechtbank neemt verdachte dit kwalijk. Naast de impact op de slachtoffers zorgen deze feiten voor maatschappelijke onrust en doen deze afbreuk aan het gevoel van veiligheid op straat en in het openbaar vervoer.
Volledig
Dit alles leidt tot de conclusie dat verdachte zich op 28 maart 2023 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een diefstal met geweld van een telefoon. Verdachte zal worden vrijgesproken van het onderdeel dat van aangever [aangever 1] een sigarettenpakje zou zijn gestolen, nu bewijs daarvoor ontbreekt. 3.4.2 Het oordeel over feit 2 De rechtbank komt ook tot een bewezenverklaring van de diefstal met geweld onder feit 2. Uit het dossier blijkt dat verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 2] rondom aangever [aangever 2] in de tram zijn gaan zitten. [medeverdachte 2] is op de plek naast aangever gaan zitten, en heeft aangever toen van zijn plek af geduwd tegen het raam aan. [medeverdachte 2] heeft belemmerd dat aangever deze plek kon verlaten, waardoor hij ingesloten was. Verdachte heeft vervolgens samen met [medeverdachte 2] gevoeld aan de kleding van aangever, waarna verdachte een witte telefoon uit de kleding van aangever wegneemt en deze direct tussen zijn benen stopt. De mannen laten aangever vervolgens gaan, die dan uit de tram stapt. Direct nadat aangever de tram heeft verlaten, haalt verdachte een witte iPhone tussen zijn benen vandaan die hij lachend aan de rest van de mannen laat zien. Bij de aanhouding van verdachte op 28 maart 2023 wegens verdenking van de diefstal ten laste gelegd onder feit 1, wordt een witte iPhone XR aangetroffen die van aangever [aangever 2] blijkt te zijn. Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank ook ten aanzien van feit 2 tot het oordeel dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen in ieder geval verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] ten aanzien van de diefstal met geweld en bedreiging met geweld, welke bestond uit het duwen van aangever van zijn zitplaats en het insluiten van aangever waardoor hij niet weg kon komen. 4 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte: Feit 1: op 28 maart 2023 te Amsterdam op de openbare weg, te weten aan de Oudezijds Achterburgwal, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon, (merk Apple, type iPhone 13) toebehorende aan [aangever 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [aangever 1] gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededaders - zich als groep dreigend aan die [aangever 1] hebben opgedrongen en dicht tegen die [aangever 1] aan zijn gaan staan, en - meermalen tegen het lichaam van die [aangever 1] hebben geduwd en - die [aangever 1] hebben vastgepakt en - aan de jas van die [aangever 1] hebben getrokken en in de jaszakken van die [aangever 1] hebben gevoeld en die mobiele telefoon uit de jaszak hebben gehaald en - meermalen dreigend een zwaaiende beweging heeft gemaakt in de richting van die [aangever 1] en - dreigend tegen die [aangever 1] te zeggen: “If you want sigarets, you have to pay” en “Give us all your money” en “How much money do you have to get your phone back”; Feit 2: op 27 maart 2023 te Rotterdam op de openbare weg, te weten in de tram zich bevindende op het traject tussen halte Lombardijen en halte Kerstendijk, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon, (merk Apple, type witte iPhone XR), toebehorende aan [aangever 2], welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [aangever 2] gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededader - zich als groep dreigend aan die [aangever 2] hebben opgedrongen, die [aangever 2] hebben benaderd en in de tram om die [aangever 2] heen is gaan zitten en - die [aangever 2] van zijn zitplaats hebben weggeduwd richting de raamkant van de tram zodat die [aangever 2] niet meer weg kon en - op het moment dat die [aangever 2] wilde weglopen de doorgang van die [aangever 2] hebben belemmerd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 5 De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6 De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7 Motivering van de straf 7.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf maanden. Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 10/063956-21 heeft de officier van justitie verzocht deze af te wijzen, omdat de tenuitvoerlegging geen toegevoerde waarde meer heeft gelet op het feit dat de proeftijd al lang verlopen is. Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 10/220077-22 heeft de officier van justitie verzocht deze toe te wijzen. 7.2 Het strafmaatverweer van de verdediging De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht in de strafmaat rekening te houden met de volgende omstandigheden. Verdachte is een 22-jarige jongen aan wie eerder in het kader van een voorwaardelijke straf hulpverlening in de vorm van bijzondere voorwaarden is opgelegd. Deze hulp is tot nu toe nog niet van de grond gekomen waardoor hij daar geen gebruik van heeft kunnen maken. Dat de hulpverlening nog niet is gestart, is niet volledig aan verdachte te wijten. Een eventuele onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou deze hulp en een nog openstaande taakstraf doorkruisen. Ook heeft de raadsvrouw laten weten dat het inmiddels stukken beter gaat met verdachte. Hij heeft een klinische opname voor zijn verslaving gehad en deze succesvol afgerond. Ook heeft hij een dagbesteding in de vorm van een baan in de bediening en keuken van een restaurant in Rotterdam. Ten aanzien van de vorderingen tenuitvoerlegging heeft de raadsvrouw verzocht deze af te wijzen dan wel de proeftijd te verlengen. Recent heeft bij een gerechtshof een zitting plaatsgevonden waarbij deze vorderingen tenuitvoerlegging ook zijn aangebracht. Daar heeft de AG gevorderd de proeftijd te verlengen respectievelijk de vordering TUL af te wijzen, en het bewuste hof zal daar op 21 oktober 2024 op beslissen. 7.3 Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich samen met anderen binnen een tijdsbestek van 48 uur schuldig gemaakt aan twee straatroven. Straatroof is een ernstig en brutaal delict. In dit geval zijn twee nietsvermoedende personen, een toerist in Amsterdam en een verstandelijk beperkte man in Rotterdam, benaderd en geïntimideerd. Verdachte en zijn mededaders hebben door hun handelingen een bedreigende en angstaanjagende situatie gecreëerd. Een straatroof is voor slachtoffers een traumatische ervaring. Verdachte heeft zich niet bekommerd om de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers en heeft enkel gehandeld uit financieel gewin. De rechtbank wijst er in dit verband nog op dat op de camerabeelden uit de tram ten aanzien van feit 2 is te zien dat verdachte direct na de straatroof de telefoon aan zijn mededader laat zien en daarbij lacht. De rechtbank neemt verdachte dit kwalijk. Naast de impact op de slachtoffers zorgen deze feiten voor maatschappelijke onrust en doen deze afbreuk aan het gevoel van veiligheid op straat en in het openbaar vervoer.
Volledig
Uitgangspunten voor de strafoplegging De rechtbank heeft gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting die rechtbanken hebben vastgesteld (LOVS-oriëntatiepunten). Bij een straatroof met licht geweld of verbale bedreiging geldt een gevangenisstraf van zes maanden als uitgangspunt. Persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 26 september 2024. Hieruit blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaren is veroordeeld voor meerdere vermogensdelicten. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 3 oktober 2024, opgesteld door dhr. [reclasseringsmedewerker]. Hieruit blijkt, kort samengevat, dat verdachte al enige tijd in beeld is bij de reclassering en ook in het verleden herhaaldelijk is gerecidiveerd tijdens reclasseringstrajecten. De reclassering heeft gedurende de reclasseringstrajecten diverse interventies ingezet om de leefomstandigheden van verdachte te verbeteren en in te zetten op een delictvrij bestaan. Desondanks heeft dit niet geleid tot het gewenste resultaat. Er zijn op dit moment geen beschermende factoren aanwezig, terwijl er op alle leefgebieden risicofactoren worden waargenomen.. De reclassering is van mening dat verdachte ondersteuning nodig heeft om zijn leven op te bouwen, maar denkt dat het opleggen van een voorwaardelijke straf met een proeftijd en bijzondere voorwaarden geen meerwaarde heeft. Recent zijn de lopende reclasseringstrajecten geretourneerd, aangezien verdachte zich niet aan de bijzondere voorwaarden heeft gehouden. De reclassering adviseert daarom om hem geen voorwaardelijke straf met een proeftijd en bijzondere voorwaarden op te leggen. Strafoplegging Gelet op voorgaande omstandigheden alsmede gelet op de hoogte van de straf die aan medeverdachte [medeverdachte 2] bij uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 maart 2024 is opgelegd en op toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden passend. De rechtbank ziet geen aanleiding om ook een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppelde bijzondere voorwaarden op te leggen, gelet op het reclasseringsadvies van 3 oktober 2024. 8 Vorderingen tenuitvoerlegging De rechtbank zal de vorderingen tot tenuitvoerlegging met parketnummers 10/063956-21 en 10/220077-22 afwijzen. Gelet op het feit dat deze vorderingen zeer recent bij de zitting bij het gerechtshof op 7 oktober 2024 ook zijn behandeld, acht de rechtbank toewijzing van deze vorderingen thans niet opportuun. 9 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht. 10 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: Ten aanzien van feit 1: diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; Ten aanzien van feit 2: diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 (acht) maanden . Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 10/063956-21 af. Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 10/220077-22 af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter, mr. A.R.P.J. Davids en mr. J.E. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 oktober 2024. [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...]
Volledig
Uitgangspunten voor de strafoplegging De rechtbank heeft gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting die rechtbanken hebben vastgesteld (LOVS-oriëntatiepunten). Bij een straatroof met licht geweld of verbale bedreiging geldt een gevangenisstraf van zes maanden als uitgangspunt. Persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 26 september 2024. Hieruit blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaren is veroordeeld voor meerdere vermogensdelicten. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 3 oktober 2024, opgesteld door dhr. [reclasseringsmedewerker]. Hieruit blijkt, kort samengevat, dat verdachte al enige tijd in beeld is bij de reclassering en ook in het verleden herhaaldelijk is gerecidiveerd tijdens reclasseringstrajecten. De reclassering heeft gedurende de reclasseringstrajecten diverse interventies ingezet om de leefomstandigheden van verdachte te verbeteren en in te zetten op een delictvrij bestaan. Desondanks heeft dit niet geleid tot het gewenste resultaat. Er zijn op dit moment geen beschermende factoren aanwezig, terwijl er op alle leefgebieden risicofactoren worden waargenomen.. De reclassering is van mening dat verdachte ondersteuning nodig heeft om zijn leven op te bouwen, maar denkt dat het opleggen van een voorwaardelijke straf met een proeftijd en bijzondere voorwaarden geen meerwaarde heeft. Recent zijn de lopende reclasseringstrajecten geretourneerd, aangezien verdachte zich niet aan de bijzondere voorwaarden heeft gehouden. De reclassering adviseert daarom om hem geen voorwaardelijke straf met een proeftijd en bijzondere voorwaarden op te leggen. Strafoplegging Gelet op voorgaande omstandigheden alsmede gelet op de hoogte van de straf die aan medeverdachte [medeverdachte 2] bij uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 maart 2024 is opgelegd en op toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden passend. De rechtbank ziet geen aanleiding om ook een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppelde bijzondere voorwaarden op te leggen, gelet op het reclasseringsadvies van 3 oktober 2024. 8 Vorderingen tenuitvoerlegging De rechtbank zal de vorderingen tot tenuitvoerlegging met parketnummers 10/063956-21 en 10/220077-22 afwijzen. Gelet op het feit dat deze vorderingen zeer recent bij de zitting bij het gerechtshof op 7 oktober 2024 ook zijn behandeld, acht de rechtbank toewijzing van deze vorderingen thans niet opportuun. 9 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht. 10 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: Ten aanzien van feit 1: diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; Ten aanzien van feit 2: diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 (acht) maanden . Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 10/063956-21 af. Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 10/220077-22 af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter, mr. A.R.P.J. Davids en mr. J.E. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 oktober 2024. [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...]