Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2024-10-11
ECLI:NL:RBAMS:2024:9004
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/2763 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 oktober 2024 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en de raad van bestuur van de sociale verzekeringsbank, verweerder (gemachtigde: mr. O.F.M. Vonk). Inleiding 1.1 Eiser is de houder van een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015 en betaalt zijn zorgverlener uit het pgb. Verweerder heeft als wettelijke taak het ondersteunen van de budgethouder bij de werkgeverstaken op grond van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015. 1.2. Eiser heeft zijn zorgverlener bij verweerder ziekgemeld per 10 november 2023. Met het eerste primaire besluit van 4 januari 2024 heeft verweerder aan eiser ziekengeldvergoeding toegekend voor de maanden november en december 2023. Daarmee kan eiser een vervangende zorgverlener betalen. 1.3. Op 11 januari 2024 heeft eiser zijn zorgverlener beter gemeld per 27 december 2023. Met het tweede primaire besluit van 15 januari 2024 heeft verweerder de herstelmelding bevestigd. Tevens heeft verweerder vermeld dat tijdens het telefoongesprek op 12 januari 2024 met eiser is gesproken over het recht van loondoorbetaling van maximaal 6 weken bij ziekte van de zorgverlener. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het tweede primaire besluit, omdat eiser wil dat zijn zorgverlener langer dan zes weken wordt doorbetaald. Verweerder heeft het bezwaar opgevat als ook gericht tegen het eerste primaire besluit van 4 januari 2024. 1.4. Bij het besluit van 9 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. 1.5. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.6. De rechtbank heeft het beroep van eiser op 26 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: Eiser en gemachtigde van verweerder en tevens namens verweerder mr. C. van der Vlist. Beoordeling door de rechtbank 2.1. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 2.2. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 2.3. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat verweerder de zieke zorgverlener van eiser voor maximaal 6 weken kan doorbetalen. Dat volgt uit artikel 7:629, tweede lid, aanhef en onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW). Gezien de arbeidsovereenkomst tussen eiser en de zorgverlener, is verweerder niet bevoegd om eisers zorgverlener langer dan zes weken uit het pgb door te betalen. 2.4. Eiser voert in beroep aan dat vanwege het feit dat verweerder slechts zes weken loon mocht doorbetalen aan zijn zorgverlener, ongeacht of er sprake is van volledig herstel, zijn zorgverlener in financiële problemen is gekomen. Mede ook omdat haar andere werkgever gebruik gemaakt heeft van de mogelijkheid om haar te ontslaan omdat zij nog in haar proefperiode zat. De Regeling dienstverlening aan huis is discriminerend, ditzelfde geldt voor artikel 7:629, tweede lid, aanhef en onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het maakt mantelzorgers tot minder- of onwaardige werknemers. Dit is in strijd met artikel 1 van de Grondwet, artikel 14 van het EVRM en artikel 1 van protocol 12. Het is vooral voor vrouwen discriminerend omdat zij hoofdzakelijk dit soort werkzaamheden verrichten. Verder is het discriminerend omdat het gaat om gevallen van lage uren contracten. Eiser wil dat zijn zorgverlener een Ziektewetuitkering krijgt, in ieder geval tot datum betermelding. Eiser vraagt ook om vergoeding van de kosten die hij moest maken voor het voeren van deze procedure. 2.5. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank duidelijk geworden dat verweerder over de maanden november en december 2023 extra heeft betaald aan eiser, zodat eiser zijn zieke zorgverlener kon doorbetalen en nieuwe zorg kon inkopen. Eis