Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-02-16
ECLI:NL:RBAMS:2024:8933
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
12,066 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/181219-23
Datum uitspraak: 16 februari 2024
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,
wonende op het adres [adres] , [woonplaats] .
1Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 februari 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.M. van der Veen en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M.L. van Gaalen naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Verdachte wordt er – na wijziging van de tenlastelegging op de zitting – van beschuldigd dat:
1. hij op of omstreeks 20 juli 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, 1 doos met 10 wegwerp Vapes (merk Crystal) en/of 1 doos met doosjes vloeistof voor vapes (merk Sansie) en/of 40 doosjes met vloeistof voor vapes en/of 94 doosjes, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam winkel] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van
het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer] op hoge snelheid met een (personen) auto (merk Renault Clio, kenteken [kenteken] ) aan te rijden op diens fiets op de Kinkerstraat, terwijl hij, verdachte, samen met zijn mededader (s) op de vlucht was voor de politie;
(art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 juli 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, 1 doos met 10 wegwerp Vapes (merk Crystal) en/of 1 doos met doosjes vloeistof voor vapes (merk Sansie) en/of 40 doosjes met vloeistof voor vapes en/of 94 doosjes, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam winkel] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak;
(art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art
311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht)
2. hij op of omstreeks 20 juli 2023 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Kwakerstraat en/of Kinkerstraat, zich zodanig, te weten roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,
waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere breuken in/van het aangezicht en/of sleutelbeen en/of ribben en/of een geperforeerde long, werd toegebracht, in elk geval zodanig lichamelijk letsel,
dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,
bestaande dat gedrag hieruit:
verdachte heeft gereden over de Tweede Kostverlorenkade en/of Kinkerstraat, komende uit de richting van de Kwakerstraat, en gaande in de richting van de Jacob van Lennepkade,
terwijl verdachte op de vlucht was voor de politie en deze in achtervolging waren en/of
terwijl verdachte reed met een snelheid van minimaal 70 kilometer per uur, in elk geval een snelheid die (veel) hoger was dan de ter plaatse toegestane snelheid van 30 kilometer per uur en/of met een snelheid die (veel) te hoog was om over de daar aanwezige drempels te rijden en/of voor een veilig verkeer ter plaatse,
verdachte is de kruising van de Tweede Kostverlorenkade en de Kinkerstraat genaderd,
verdachte heeft, niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of niet, althans niet tijdig en/of voldoende, af kunnen remmen,
verdachte heeft zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende, vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende, blijven vergewissen dat voornoemde kruising en/of weg vrij was van enig (kruisend) verkeer,
verdachte is niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uitgeweken en/of heeft niet, althans niet tijdig en/of voldoende uit kunnen wijken,
verdachte is (vervolgens) tegen een fiets, waarop voornoemde [slachtoffer] zich bevond, aangereden en/of aangebotst, althans met voornoemde [slachtoffer] in botsing gekomen,
ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
(art 6 Wegenverkeerswet 1994)
3. dat hij, als degene door wiens gedraging (al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig) een of meerdere verkeersongeval(len) had veroorzaakt, welk(e) verkeersongeval(len) had(den) plaatsgevonden in Amsterdam op/aan de Tweede Kostverlorenkade en/of de Kinkerstraat en/of de [adres] , op of omstreeks 20 juli 2023;
- de plaats van vorenbedoeld ongeval aan de Kinkerstraat heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander [slachtoffer] , aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten en/of
- de plaats van vorenbedoeld ongeval aan de [adres] heeft verlaten, alwaar verdachte met het bij de hiervoor genoemde ongeval motorrijtuig tegen een gevel van het perceel aan de [adres] is aangereden;
(art 7 lid 1 ahf/ond c Wegenverkeerswet 1994)
4.
Motivering
7.1
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 primair, 2, 3 en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
7.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de volgende omstandigheden. Verdachte heeft ruim drie maanden in voorlopige hechtenis doorgebracht. Bovendien is hij niet eerder met justitie in aanraking geweest wegens soortgelijke feiten. Daar komt bij dat uit de brief van de opleidingscoördinator volgt dat verdachte zich goed inzet voor zijn opleiding en het voor hem cruciaal is de gemiste uren (als gevolg van zijn detentie) in te halen door het afronden van een stage, het maken van schoolopdrachten en het uitvoeren van praktijkexamens; in dat geval kan hij dit jaar nog zijn opleiding afronden. Gelet op het voorgaande wordt verzocht een gedeeltelijk voorwaardelijke straf op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest, met oplegging van de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd. Daarnaast kan een taakstraf worden opgelegd.
7.3
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen straf is in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan op zitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een gevangenisstraf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de diefstal van vapes en vloeistof voor vapes. De mededaders hebben ingebroken bij tabakszaak [naam winkel] en hebben daar de gestolen waar weggenomen. Verdachte was al voorafgaand aan de inbraak aanwezig bij de tabakszaak en stond klaar met de vluchtauto zodat hijzelf en de mededaders met de buit konden ontkomen en uit handen van de politie konden blijven. Hij heeft er met zijn handelen blijk van gegeven geen respect te hebben voor andermans goederen. Hij heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn daad en heeft zich op geen enkel moment bekommerd om de financiële schade en overlast die hij heeft toegebracht.
Tijdens de vlucht van de politie reed de vluchtauto, bestuurd door verdachte, met hoge snelheid weg door een woonwijk in een drukke buurt, waar op dat moment nog mensen op straat aanwezig waren. Daarmee heeft hij gevaarzettend gehandeld in het verkeer.
Tijdens de vlucht is de vluchtauto in botsing gekomen met een fietser, [slachtoffer] . Verdachte heeft zich niet bekommerd om [slachtoffer] . Sterker nog, na het ongeval heeft hij de plaats ongeval verlaten en [slachtoffer] in hulpeloze toestand achtergelaten. Hiermee heeft hij zich onttrokken aan de verantwoordelijkheid die rust op een verkeersdeelnemer die bij een ongeluk is betrokken of deze heeft veroorzaakt, namelijk het zich bekommeren om het slachtoffer die als gevolg van het handelen van verdachte, hulp behoefde. Ook uit tapgesprekken die verdachte in detentie heeft gevoerd, volgt dat hij zich het lot van [slachtoffer] allesbehalve heeft aangetrokken. Dit getuigt van een schrijnend gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef.
Na de aanrijding met [slachtoffer] heeft verdachte zoals gezegd de vlucht vervolgd, waarna hij uiteindelijk tegen een gevel van een van de woning aan de [adres] is ingereden. Gelet op onder meer de schade aan zijn auto wist hij dat hij daarmee ook schade had aangebracht aan de woning waarop hij is ingereden. Ook in dit geval heeft hij de plaats ongeval verlaten en zich daarmee onttrokken aan de verantwoordelijkheid die rust op een verkeersdeelnemer die een ongeluk veroorzaakt.
Gelet op de ernst van deze feiten acht de rechtbank slechts de oplegging van een gevangenisstraf passend.
Voor het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten. Die oriëntatiepunten geven aan welke straffen in soortgelijke zaken worden opgelegd. Voor een diefstal in vereniging zoals in deze zaak worden doorgaans onvoorwaardelijke gevangenisstraffen van enkele maanden opgelegd. Voor het verlaten van de plaats van een ongeval bestaan geen oriëntatiepunten. Gelet op de aard van de gedragingen en de ernst van dit feit acht de rechtbank hiervoor een gevangenisstraf van zes maanden gepast.
De rechtbank heeft kennis genomen van het uittreksel van 17 januari 2024 uit het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.
Alles in overweging nemend acht de rechtbank een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk een passende straf. De rechtbank zal daaraan een proeftijd van twee jaar verbinden, met oplegging van de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd en hieronder opgenomen.
De rechtbank acht daarnaast oplegging van een bijkomende straf in de vorm van een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (hierna: OBM) passend en zal deze voor de duur van een jaar opleggen.
Voor feit 4, de overtreding van het veroorzaken van gevaar op de weg, wordt in de regel een geldboete opgelegd. Gelet op de samenhang met feit 3 en de mede hiervoor opgelegde straffen, zal de rechtbank voor feit 4 afzien van een afzonderlijke strafoplegging voor dit feit.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7, 176, en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1 primair:
diefstal door twee of meer verenigde personen;
ten aanzien van feit 3:
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet
en
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel c van de Wegenverkeerswet;
ten aanzien van feit 4:
overtreding van de artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Ten aanzien van de feiten 1 primair, 3 en 4:
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Ten aanzien van de feiten 1 primair en 3:
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
- Meldplicht bij reclassering (na afspraak)
Veroordeelde meldt zich op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met betrokkene opnemen voor de eerste afspraak.
- Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden
Veroordeelde neemt actief deel aan de gedragsinterventie CoVa of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider.
- Volgen van opleiding
Veroordeelde rond zijn opleiding af.
- Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding, indien de opleiding is afgerond, met een vaste structuur.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Ten aanzien van feit 3:
Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 1 (een) jaar.
Ten aanzien van feit 4:
Bepaalt ten aanzien van feit 4 bewezen verklaarde feit dat geen straf wordt opgelegd.
Ten aanzien van de voorlopige hechtenis:
Schorst het bevel tot voorlopige hechtenis voor onbepaalde tijd.
Dit vonnis is gewezen door
mr. D. van den Brink, voorzitter,
mrs. D. Bode en P.L.C.M. Ficq, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K.P. Jit, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 februari 2024.
Inleiding
hij op of omstreeks 20 juli 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmee rijdende over de Kwakerstraat en/of Kinkerstraat, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, bestaande dat gedrag hieruit:
verdachte heeft gereden over de Tweede Kostverlorenkade en/of Kinkerstraat, komende uit de richting van de Kwakerstraat, en gaande in de richting van de Jacob van Lennepkade,
terwijl verdachte op de vlucht was voor de politie en deze in achtervolging waren en/of
terwijl verdachte reed met een snelheid van minimaal 70 kilometer per uur, in elk geval een snelheid die (veel) hoger was dan de ter plaatse toegestane snelheid van 30 kilometer per uur en/of met een snelheid die (veel) te hoog was om over de daar aanwezige drempels te rijden en/of voor een veilig verkeer ter plaatse,
verdachte is de kruising van de Tweede Kostverlorenkade en de Kinkerstraat genaderd,
verdachte heeft, niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of niet, althans niet tijdig en/of voldoende, af kunnen remmen,
verdachte heeft zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende, vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende, blijven vergewissen dat voornoemde kruising en/of weg vrij was van enig (kruisend) verkeer,
verdachte is niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uitgeweken en/of heeft niet, althans niet tijdig en/of voldoende uit kunnen wijken,
verdachte is (vervolgens) tegen een fiets, waarop voornoemde [slachtoffer] zich bevond, aangereden en/of aangebotst, althans met voornoemde [slachtoffer] in botsing gekomen.
(art 5 Wegenverkeerswet 1994)
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3Waardering van het bewijs
3.1
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 1 primair, 2, 3 en 4.
Over feit 1 primair is aangevoerd dat verdachte de vluchtauto heeft bestuurd en met hoge snelheid is weggereden van de plaats delict aan de Kinkerstraat. Vervolgens is met de auto met hoge snelheid ingereden op [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). Dit levert geweld op, gepleegd met het oogmerk om de vlucht mogelijk te maken. Daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan diefstal in vereniging met geweld.
Over feit 2 heeft zij aangevoerd dat verdachte, tijdens de vlucht na de inbraak, de Renault Clio heeft bestuurd waarmee [slachtoffer] is aangereden. In de OVC-gesprekken zegt hij te hebben gereden met een snelheid die ligt tussen de 130 en 140 kilometer per uur. Dit is een zeer forse overschrijding van de maximumsnelheid die ter plaatse geldt, namelijk 30 kilometer per uur. Dit is roekeloos rijgedrag. Als gevolg van de aanrijding heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel bekomen.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Verdachte wordt op de camerabeelden niet herkend als een van de NN-personen die tijdens de inbraak in de winkel [naam winkel] aanwezig is geweest. Bewijs voor medeplegerschap van verdachte is er niet. Daarnaast stelt de raadsman dat diefstal met geweld niet kan worden bewezen, omdat geen sprake is van het toepassen van geweld met het oogmerk om de vlucht mogelijk te maken. Volgens het scenario van de officier van justitie heeft verdachte de vluchtauto bestuurd. Verdachte ontkent dit. De raadsman merkt op dat dit bovendien hoogstens medeplichtigheid aan de inbraak kan opleveren, hetgeen niet is ten laste gelegd onder feit 1. Dat van een significante materiële of intellectuele bijdrage sprake is geweest kan niet worden vastgesteld, zodat medeplegen niet kan worden bewezen.
In het geval verdachte als bestuurder van de Renault Clio wordt aangemerkt, is de enkele omstandigheid dat tijdens de vlucht een aanrijding heeft plaatsgevonden met [slachtoffer] , onvoldoende om te spreken van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (feit 2). Met welke snelheid verdachte heeft gereden volgt niet uit het dossier. Dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van de aanrijding kan op basis van het dossier evenmin worden vastgesteld. Voor het vaststellen van gevaarzettend rijgedrag (feit 4) is gelet op deze omstandigheden ook onvoldoende wettig bewijs.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Vrijspraak van feit 2
De rechtbank acht niet bewezen wat onder feit 2 is ten laste gelegd.
Om tot een bewezenverklaring van artikel 6 van de Wegenverkeerswet (WVW) 1994 te komen, moet een bepaalde mate van schuld worden vastgesteld. Alleen wanneer er sprake is van aanmerkelijke schuld - een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid -, kan een verdachte strafrechtelijk worden veroordeeld voor overtreding van artikel 6 WVW 1994.
Bij de beoordeling van de vraag of de verdachte schuld had aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994 komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (Hoge Raad 1 juni 2004, LJN AO5822, NJ 2005, 252).
Het verwijtbare gedrag van verdachte wordt in de tenlastelegging – kort gezegd - omschreven als het rijden met een snelheid van minimaal 70 kilometer per uur, een hogere snelheid dan ter plaatse is toegestaan, alsmede onvoldoende opletten en niet tijdig en onvoldoende remmen, waardoor verdachte met [slachtoffer] in botsing is gekomen.
De rechtbank stelt vast dat de politie tijdens de achtervolging van de Renault Clio heeft vastgesteld, dat de politieauto in de Jan Hanzestraat heeft gereden met een snelheid van 70 kilometer per uur en dat de Renault Clio op dat moment op de politieauto uitliep. Op basis daarvan stelt de politie dat de Renault Clio heeft gereden met een snelheid van meer dan 70 kilometer per uur. In de opgenomen gesprekken die verdachte in detentie heeft gevoerd, zegt hij dat hij heeft gereden met een snelheid van tussen de 130 en 140 kilometer per uur. Met welke snelheid verdachte heeft gereden kort voor de botsing met [slachtoffer] volgt hieruit echter niet. Daarbij is van belang dat de aanrijding niet in de Jan Hanzestraat heeft plaatsgevonden, maar op de kruising van de Kinkerstraat met de Tweede Kostverlorenkade.
De rechtbank overweegt dat deze zaak zich bij uitstek had geleend voor het verrichten van een VerkeersOngevallenAnalyse (VOA). Dat is echter niet gebeurd. Informatie over de omstandigheden waaronder het verkeersongeval heeft plaatsgevonden, zoals de verkeerssituatie ter plaatse, de gedragingen van verdachte en die van [slachtoffer] , zijn door de politie niet nader onderzocht en zijn onbekend gebleven. Op basis van dit dossier, en de beperkte omstandigheden die over dit feit bekend zijn, kan de rechtbank niet anders dan verdachte voor dit feit vrij te spreken.
Inleiding
3.3.2
Oordeel feiten 1, 3 en 4
De rechtbank stelt op basis van het dossier het volgende vast.
Op 20 juli 2023 om ca. 1.10 uur wordt ingebroken in het pand van de winkel [naam winkel] , gelegen op het adres [adres] . Diverse goederen worden weggenomen.
Op camerabeelden van [naam winkel] is te zien dat twee personen bij de toegangsdeur staan. Een van deze personen draagt een helm met een opdruk aan de achterzijde. De personen verrichten handelingen aan de deur in de richting van het slot. Binnen 34 seconden is de deur geopend en gaan de personen naar binnen. Kort daarna loopt ook een derde persoon de winkel in. Deze derde persoon draagt een bivakmuts. Vervolgens is te zien dat in de winkel lades worden opengetrokken en goederen worden gepakt en in witte tassen worden gedaan. De persoon met de helm pakt een kartonnen doos op. Samen met de andere personen, die witte zakken dragen, lopen zij na twee minuten de winkel uit.
Een anonieme getuige die op dat moment ter plaatse is, ziet drie jongens uit de richting van de Kinkerstraat komen aanrennen. De jongens zijn in het donker gekleed; een van hen draagt een muts of capuchon voor zijn gezicht en een ander draagt een helm. Ze hebben witte zakken bij zich met daarin kartonnen dozen. Als de jongens zijn gepasseerd ziet de getuige dat er een politieauto vanuit de Kinkerstraat komt aangereden en de Bilderdijkkade oprijdt.
De politie krijgt een melding in verband met de inbraak. Als zij in Kinkerstraat zijn, zien zij twee personen, volledig in het donker gekleed met zwarte hoofddeksels op. De personen stappen op de Bilderdijkkade in een donkergekleurd voertuig. De achterlichten van het voertuig zijn op dat moment al ingeschakeld. Vervolgens rijdt het voertuig weg en maakt een scherpe bocht linksaf, naar de Kwakersstraat. De politie rijdt achter het voertuig aan en ziet dat het voertuig met een behoorlijke snelheid rijdt over verkeersdrempels, waarbij het voertuig telkens een springende beweging maakt bij het passeren van die verkeersdrempels. Een voorbijganger wijst de politie vervolgens op een man die op de grond ligt. Dit blijkt later te zijn [slachtoffer] . De politie ziet dat [slachtoffer] in een plas bloed ligt en nergens op reageert.
Diezelfde avond begeeft de politie zich naar een plaats delict waar een auto is gecrasht. Een getuige verklaart dat hij een auto met piepende banden hoort komen aanrijden. De motor van de auto maakt hoge toeren. De auto rijdt met hoge snelheid door de [adres] . Bij het passeren van de verkeerdrempels hoort de getuige dat de auto diep in zijn vering klapt en dat de bodemplaat van de auto daarna over de straatstenen schuurt bij de drempels. Vervolgens klapt de auto hard tegen de gevel van de woningen aan.
Diezelfde avond meldt verdachte zich bij de politie en verklaart dat zijn auto is gestolen. Hij wordt aangehouden en verklaart dat hij een aanvaring heeft gehad met een groep jongens die hij verdenkt van de diefstal.
Onderzoek camerabeelden
Door de politie is onderzoek gedaan naar camerabeelden uit de omgeving.
Op de beelden van Lucky Hall, een nabij gelegen casino, is te zien dat omstreeks 22.54 uur een persoon is te zien die op een scooter komt aanrijden. Hij parkeert de scooter naast het pand van Lucky Hal en loopt naar binnen.
Op de camerabeelden van Lucky Hall komt even later een voertuig in beeld, voorzien van het kenteken [kenteken] . Later is te zien dat het voertuig over de Jan Hanzenstraat rijdt. Een inzittende van het voertuig loopt naar de scooter die voor het casino geparkeerd is. Deze persoon wordt NN1 genoemd. NN1 draagt een helm met op de achterkant een wit logo. Het voertuig rijdt vervolgens weg. Daarna is NN1 in gesprek met twee andere personen, NN2 en NN2. Vervolgens neemt NN1 plaats op de scooter; NN2 neemt achterop plaats. Zij rijden in de richting van de Jan Hanzenstraat.
Op de beelden van Lucky Hall is vervolgens te zien dat er een kleine zwarte personenauto parkeert ter hoogte van de [adres] . Uit het voertuig stappen drie personen, waarna de personenauto wegrijdt. NN1 stapt als bestuurder op de grijskleurig Vespa, NN2 stapt als bijrijder op de Vespa en NN3 gaat te voet verder.
Op beveiligingsbeelden die door de aangever zijn verstrekt is te zien dat van 0.54.45 uur tot en met 0.54.49 uur een zwarte personenauto voorbij rijdt. Deze auto wordt herkend als een Renault Clio. Om 0.59.30 uur tot en met 0.59.58 uur is te zien dat twee mannen de Bilderdijkstraat oplopen, vanaf de Kwakerstraat in de richting van de Kinkerstraat lopen. De mannen, NN1 en NN2, dragen donkerkleurige handschoenen.
De politie herkent dit voertuig als een Renault Clio met kenteken [kenteken] .
Onderzoek Renault Clio
Het voertuig dat in de [adres] is gecrasht wordt onderzocht. Dit betreft een Renault Clio met kenteken [kenteken] op naam van [verdachte] . Aan de voorzijde in de voorruit zit een grote barst en de linkerzijspiegel ontbreekt. In de kofferbak wordt een grote partij rookwaar aangetroffen en achter de bestuurdersstoel ligt een kartonnen doos met daarop een adressticker, geadresseerd aan: [naam winkel] gelegen aan de [adres] . Tussen de achterbank en de bestuurdersstoel wordt een rugzak met onder meer schoenen en kleding aangetroffen.
De politie keert naar het kruispunt op de Kinkerstraat met de Tweede Kostverlorenkade, de plek waar [slachtoffer] is aangereden. In die omgeving wordt bij een nabij gelegen container een linkerbuitenspiegel van een personenauto gevonden. De gevonden linkerbuitenspiegel is voorzien van een merkteken van Renault. Daarnaast komt de kleur van de linkerbuitenspiegel overeen met de kleur van de Renault Clio; de kleur van de elektriciteitsdraden die uit de spiegelkap steken komt overeen met die van de elektriciteitsdraden die uit de Renault Clio steken, ter hoogte van de linkerbuitenspiegel. De gevonden linkerbuitenspiegel komt voor wat betreft de vorm, kleur en grootte bovendien overeen met de rechterbuitenspiegel van de Renault Clio.
Ook treft de politie op het wegdek op de kruising van de Kinkerstraat met de Tweede Kostverlorenkade een glassplinterveld, bestaand uit (deels) zwart glas. De kleur van het glas op het wegdek komt overeen met de kleur van het glas van het dakraam dat zich in de Renault Clio bevindt. Daarbij hebben zowel het glas op het wegdek als het glas van het dakraam in de Renault Clio dezelfde breekbare structuur, wat de politie herkend als veiligheidsglas dat vaak in autoruiten wordt gebruikt.
Bij onderzoek aan de Renault Clio ziet de politie dat de voorruit is beschadigd, waarbij deze naar binnen is gedeukt. Op de buitenzijde van het gebroken glas zijn vegen te zien die passen bij een schuivende beweging. Daarnaast is te zien dat tussen het gebroken glas haren zijn geklemd; ook is een mogelijk rode vlek zichtbaar. De voorruit wordt op deze locatie bemonsterd. Uit de test volgt dat er een indicatie voor aanwezigheid van bloed is.
Het DNA van de bemonstering van de vegen op de gebroken voorruit is door The Maastricht Forensic Institute onderzocht. Daaruit volgt dat sprake is van een match met het DNA-profiel van [slachtoffer] .
Inleiding
De frequentie van dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.
Tussenconclusie
Gelet op de voornoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het zwarte voertuig dat kort na de inbraak is weggereden en door de politie is achtervolgd de Renault Clio betreft die in de [adres] is gecrasht.
Uit het haar van verdachte zijn kort na zijn aanhouding in totaal 72 op glas gelijkende sporen veiliggesteld. De veiliggestelde glasdeeltjes uit het haar van verdachte zijn door het Nederlands Forensisch Instituut onderworpen aan glasvergelijkend onderzoek. Tijdens dit onderzoek zijn de glasdeeltjes uit het haar van verdachte vergeleken met de glasdeeltjes die na onderzoek aan de Renault Clio in beslag zijn genomen. Die glasdeeltjes bevonden zich aan de binnenzijde van de voorruit aan de bestuurderszijde en in de sponning van het dakraam; dit wordt ook wel referentieglas genoemd. Bij dit glasvergelijkend onderzoek wordt gewerkt met twee hypotheses die tegen elkaar worden afgezet. Hypothese 1 is ‘Eén of meer van de onderzochte vlakglassporen zijn afkomstig van de gebroken ruit(en)’ en hypothese 2 is ‘Alle onderzochte vlakglassporen zijn afkomstig van (een) willekeurig andere ruit(en)’.
Uit het glasvergelijkend onderzoek volgt dat negentien van de glassporen uit het haar van verdachte overeenkomen met het referentieglas. De resultaten van het glasvergelijkend onderzoek zijn veel waarschijnlijk wanneer hypothese 1 ‘Eén of meer van de onderzochte vlakglassporen zijn afkomstig van de gebroken ruit(en)’ waar is dan wanneer hypothese 2 ‘Alle onderzochte vlakglassporen zijn afkomstig van (een) willekeurig andere ruit(en)’ waar is.
Tussenconclusie
Gelet op de voornoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat kan worden vastgesteld dat de veiliggestelde glasdeeltjes uit het haar van verdachte afkomstig zijn van het gebarsten dakraam van de Renault Clio en dat hij in de auto heeft gezeten op het moment dat het dakraam verbrijzeld raakte.
Tijdens zijn detentie in de gevangenis in Zaanstad zijn gesprekken afgeluisterd die verdachte met zijn bezoek heeft gevoerd. Hieruit volgt dat verdachte in een gesprek met de medeverdachte [medeverdachte] onder meer zegt “Weet je hoe hard we reden? Hey 130, 140 met die Clio en het was nat weet je hoe ik hem door die bocht gooide bij de Millennium weet je hoe ik die bocht deed”. Als [medeverdachte] vraagt naar ‘die spullen’ antwoordt verdachte “Zat niet veel in man. Waarde zo een 10 kop wat ze zeggen”. Over de tegen hem gerezen verdenking zegt hij “Waardoor ik vast zit, het is inbraak met geweld. Dat is die kanker probleem het moet gewoon inbraak zijn en aanrijding”. Vervolgens zegt [verdachte] het volgende: “Weetje hoe afraid hij was die dag he? Is bizar. Hij zegt hij is dood sehbeh. Haha. Ik zeg hou je bek broer man. Jawel man”. Daarop lachen verdachte en zijn gesprekspartners en zegt hij: “Die chappie. […] Hij ligt he broer. Ah, Zulu he neef. Eerst kwam Zulu en traumaheli”, waarop [medeverdachte] reageert: “Ik zeg je zelf, ik zeg eerlijk hij is dede G hahaha!”.
Op de vluchtroute van de Renault Clio, vóór de plaats van de aanrijding met [slachtoffer] , bevindt zich in de Jan Hanzestraat een coffeeshop genaamd Millennium.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van deze gesprekken kan worden vast gesteld dat verdachte niet alleen inzittende was van de Renault Clio vanaf het moment na de inbraak, maar dat hij deze vluchtauto ook heeft bestuurd.
Kan de rol van verdachte worden aangemerkt als die van medepleger?
Door de raadsman is aangevoerd dat het besturen van een vluchtauto volgens de jurisprudentie een rol van ondergeschikte aard betreft die daarom niet als medeplegen van een strafbaar feit kan worden aangemerkt, maar als medeplichtigheid daaraan.
De rechtbank overweegt dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking, waaraan de medeplegers ieder een min of meer gelijkwaardige, substantiële bijdrage hebben geleverd.
Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan wel van voldoende gewicht moeten zijn.
Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
De bijdrage van de medepleger kan in uitzonderlijke gevallen in hoofdzaak vóór of ná het strafbare feit zijn geleverd. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke gevallen moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.
Uit het dossier en het onderzoek op zitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij feit 1 het volgende af.
Op de camerabeelden van [naam winkel] zijn de daders van de inbraak te zien. Op beelden van casino Lucky Hall is te zien dat personen met dezelfde signalementen al voorafgaand aan die inbraak te zien zijn. Door de politie is vastgesteld dat de personen op de camerabeelden van Lucky Hall en de daders die op de camerabeelden van [naam winkel] zijn afgebeeld dezelfde personen betreffen. Ook is te zien dat een donkerkleurig voertuig voorzien van kenteken [kenteken] zich op dit moment in de buurt van casino Lucky Hall begeeft en dat een inzittende (NN1) van dit voertuig uitstapt en naar een scooter loopt die voor het casino geparkeerd is en in gesprek is met twee andere personen (NN2 en NN3). NN1 en NN2 rijden weg op de scooter. Op beelden van Lucky Hall van later op dezelfde avond is te zien dat een kleine zwarte personenauto parkeert ter hoogte van de [adres] en dat drie personen uitstappen, waarna het voertuig wegrijdt. Op camerabeelden van kort voor de inbraak is te zien dat een zwarte auto, herkend als een Renault Clio, voorbij rijdt. De politie ziet – kort nadat de melding van de inbraak is binnengekomen – twee personen die in het donker zijn gekleed, en zwarte hoofddeksels dragen, instappen in een donker voertuig en met hoge snelheid wegrijden.
In de gevangenis in [plaats] zijn gesprekken afgeluisterd die verdachte heeft gevoerd met zijn bezoek, waaronder een gesprek dat hij heeft gevoerd met [medeverdachte] . Tijdens dit gesprek zegt verdachte onder meer: “Ik heb je opgeleid he. Ik heb je opgeleid jou he! Opgeleid. Wees mij dankbaar. Zie je deze man, die zou mij op handen en voeten moeten dragen. Weet je waarom? Je staat er niet in jongen. Die andere 2 wel. Je staat niet in het dossier”, “Weet je hoe hard we reden? Hey 130, 140 met die Clio en het was nat weet je hoe ik hem door die bocht gooide bij de Millennium weet je hoe ik die bocht deed” en “Zat niet veel in man.
Inleiding
Waarde zo een 10 kop wat ze zeggen”.
Uit de camerabeelden zoals hierboven omschreven volgt dat het donkere voertuig dat door de politie is herkend als een Renault Clio op meerdere momenten voorafgaand aan de inbraak in de omgeving van [naam winkel] is geweest. Uit de bevindingen van agenten die als eerste ter plaatse waren naar aanleiding van de melding van de inbraak volgt dat de daders een donker voertuig instappen waarvan de lampen al zijn ontstoken. De vluchtauto stond gereed om meteen na de inbraak te vertrekken en is met hoge snelheid weggereden. Het wegrijden na de inbraak leverde bovendien een bijdrage van groot gewicht in het wegkomen met de buit. De taak van de bestuurder van de vluchtauto was immers om snel van de plaats delict weg te komen, waarbij door een woonwijk moest worden gereden in een drukke buurt, waar zich op dat tijdstip nog veel omstanders op straat bevonden. Hierboven heeft de rechtbank al geoordeeld dat dit de zwarte Renault Clio betreft die door verdachte werd bestuurd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorgaande erop wijst dat verdachte als bestuurder van de vluchtauto in dit geval een materiële bijdrage van voldoende gewicht aan de inbraak heeft geleverd. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat het tapgesprek met medeverdachte [medeverdachte] dat verdachte tijdens zijn detentie heeft gevoerd volgt dat hij goed op de hoogte was van het verloop van de inbraak en de waarde van de buit. Ook blijkt uit de manier waarop hij tegen [medeverdachte] praat dat hij allerminst als ondergeschikt moet worden gezien, maar zichzelf juist een belangrijke rol toedicht.
Al het voorgaande in overweging nemend is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich als medepleger heeft schuldig gemaakt aan de diefstal.
Vrijspraak onderdeel ‘met geweld’
Door de officier van justitie is aangevoerd dat verdachte met hoge snelheid is weggereden en daarbij een fietser, te weten [slachtoffer] , heeft aangereden. Dit levert geweld op in de zin van artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht. Dit geweld is gepleegd met het oogmerk op de vlucht na de inbraak mogelijk te maken.
De rechtbank overweegt het volgende.
Voor bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging moet worden bewezen dat verdachte opzet had op het plegen van geweld en dat het geweld is uitgeoefend met de bedoeling (oogmerk) om de vlucht mogelijk te maken. Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de vluchtauto met hoge snelheid door de woonwijk is weggereden. Tijdens de vlucht is het voertuig in botsing gekomen met [slachtoffer] . De rechtbank is echter van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte opzet heeft gehad op het plegen van geweld jegens [slachtoffer] , laat staan dat hij de aanrijding zou hebben veroorzaakt met het oogmerk om de vlucht mogelijk te maken. Op basis van het voorgaande is de rechtbank – met de raadsman – van oordeel dat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.
Eindconclusie feit 1 primair
Bewezen kan worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal in vereniging.
Oordeel feit 3
De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte zich op 20 juli 2023 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan het verlaten van twee plaatsen ongeval terwijl hij wist dat hij [slachtoffer] letsel had toegebracht en in hulpeloze toestand had achtergelaten en terwijl hij wist dat hij schade had toegebracht aan de woning aan de [adres] .
Hierboven heeft de rechtbank geoordeeld dat verdachte de vluchtauto heeft bestuurd en dat deze vluchtauto met [slachtoffer] in botsing is gekomen en daarna tegen een woning aan de [adres] is gecrasht.
De politie heeft op 20 juli 2023 onderzoek ingesteld aan de gecrashte Renault Clio en heeft behoorlijke schade geconstateerd, waaronder een gebarsten voorruit die naar binnen is gedeukt, een gebarsten dakraam en een linkerbuitenspiegel die ontbrak.
Tijdens de gesprekken die verdachte in detentie heeft gevoerd, volgt dat hij onder meer het volgende heeft gezegd: “Weetje hoe afraid hij was die dag he? Is bizar. Hij zegt hij is dood sehbeh. Haha. Ik zeg hou je bek broer man. Jawel man” en “Die chappie. […] Hij ligt he broer. Ah, Zulu he neef. Eerst kwam Zulu en traumaheli”. Hieruit, alsmede uit de schade die de Renault bij de aanrijding mat [slachtoffer] heeft opgelopen (waaronder in ieder geval een gebarsten voorruit en een afgebroken buitenspiegel), volgt dat het niet anders kan dan dat verdachte wist dat hij [slachtoffer] had aangereden en dat hij daarna is weggereden in de veronderstelling dat die persoon dood of in ieder geval zwaargewond was.
Gelet op de aard en omvang van deze schade en het gegeven dat verdachte met de Renault Clio is gecrasht tegen de woning aan de [adres] is de rechtbank van oordeel dat hij wist dat hij aan die woning schade had veroorzaakt.
Op basis van het voorgaande kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan feit 3.
Oordeel feit 4
De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte zich op 20 juli 2023 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan gevaarzettend rijgedrag.
Zoals de rechtbank hierboven al heeft overwogen heeft verdachte met hoge snelheid gereden door een woonwijk in een drukke buurt, waar zich op dat tijdstip nog veel omstanders op straat bevonden. De politie heeft vervolgens de achtervolging ingezet en ziet het voertuig met een behoorlijke snelheid rijden over verkeersdrempels, waarbij het voertuig telkens een springende beweging maakt bij het passeren van die verkeersdrempels. Getuige [naam getuige] , die op dat moment op de Tweede Kostverlorenkade loopt, verklaart dat hij een auto met hoge snelheid hoort rijden en een licht doffe knal hoort.