Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-10-31
ECLI:NL:RBAMS:2024:8920
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,731 tokens
Inleiding
RECHTBANK
AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 11305780 \ EA VERZ 24-856
Beschikking van
3
1 oktober 2024
in de zaak van
[verzoekster]
,
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. A.J. Engelsma,
tegen
GVB EXPLOITATIE B.V.,
te Amsterdam,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: GVB,
gemachtigde: mr. A.M.J. Bouman.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt [verzoekster] om vernietiging van haar ontslag op staande voet.
De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat het ontslag niet (rechts)geldig is gegeven.
Door GVB is een tegenverzoek ingediend tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor het geval het ontslag op staande voet zal worden vernietigd. Dat verzoek wordt toegewezen en de arbeidsovereenkomst wordt per 1 december 2024 ontbonden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift, met een tegenverzoek
- de aantekeningen van de mondelinge behandeling van 8 oktober 2024, waarop ook een kort geding waarin [verzoekster] loondoorbetaling heeft gevorderd is behandeld.
Feiten
2.1.
[verzoekster] , geboren [geboortedatum], is sinds 29 augustus 2007 in dienst bij GVB. De functie van [verzoekster] is tramconducteur en haar maandloon € 3.074,00 exclusief emolumenten.
2.2.
Op 30 juli 2024 is [verzoekster] per brief op staande voet ontslagen. In de eerste alinea’s van de brief (nader te noemen de ontslagbrief) staat ondermeer dat [verzoekster] het aan haar toegekende zorgverlof niet heeft gebruik om haar moeder in Suriname te verzorgen. In de derde alinea staat:
“U heeft in mei zorgverlof gevraagd dat in eerste instantie door GVB is geweigerd. Wel was er begrip dat u graag uw moeder in Suriname wilde bezoeken. Om u ter wille te zijn heeft GVB gezien de situatie van uw moeder u bij wijze van uitzondering toegestaan extra vakantiedagen te kopen terwijl u al in de min stond. Daarmee zou u dan van 2 tot en met 18 juli 2024 op vakantie kunnen naar Suriname. Vervolgens heeft u verteld dat u een vliegticket had geboekt met een heenreis op 2 juli en de terugreis op 27 juli 2024. U heeft GVB daarmee voor een fait accompli gesteld. U heeft een waarschuwing gekregen voor de toon die u aansloeg naar uw leidinggevende. Desondanks heeft uw leidinggevende u vervolgens kort voor uw vakantie alsnog zorgverlof toegekend, omdat u had aangegeven dat het erg slecht ging met uw moeder, en u een ticket had geboekt voor een langere periode dan waarvoor u extra dagen had aangekocht.”
GVB voert in de ontslagbrief ook aan dat [verzoekster] in het gesprek op 28 juli 2024 niet heeft aangetoond dat zij naar Suriname is gereisd, dat zij heeft verteld teruggekeerd te zijn uit Suriname in de periode dat haar zorgverlof is toegekend om haar moeder in Suriname te verzorgen en dat zij dus het zorgverlof niet heeft gebruikt voor het verzorgen van haar moeder. Ook wordt in de ontslagbrief opgemerkt dat [verzoekster] in dat gesprek heeft verklaard dat het beter met haar moeder ging en zij uit het ziekenhuis was. GVB stelt in de ontslagbrief dat van [verzoekster] verwacht had mogen worden dat wanneer het zorgverlof niet nodig is, zij dit meldt zodat zij in plaats van onterecht zorgverlof op te nemen alsnog had kunnen worden ingeroosterd, maar zij heeft dat niet gemeld. [verzoekster] heeft het vertrouwen van GVB ernstig beschaamd en daarmee een dringende reden voor ontslag op staande voet gegeven, aldus GVB.
2.3.
Op de zitting van 8 oktober 2024 is mondeling uitspraak gedaan in het gelijktijdig behandelde kort geding tussen partijen waarbij de vordering van [verzoekster] tot doorbetaling van het salaris is toegewezen omdat aangenomen werd dat de(zelfde) rechter in de verzoekschriftenprocedure zal oordelen dat de reden voor het ontslag op staande voet niet zodanig dringend is dat redelijkerwijs niet van GVB had kunnen worden gevergd dat voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst machtiging van het UWV of de kantonrechter was gevraagd en een opzegtermijn in acht werd genomen.
3Het verzoek, het verweer en het voorwaardelijk tegenverzoek
3.1.
[verzoekster] verzoekt de kantonrechter het ontslag op staande voet te vernietigen en GVB te veroordelen tot toelating van haar tot de werkvloer en tot doorbetaling van het verschuldigde salaris vanaf 30 juli 2024, vermeerderd met alle emolumenten en 50% wettelijke verhoging, incassokosten, wettelijke rente en GVB ook te veroordelen tot het verstrekken van salarisspecificatie. Subsidiair verzoekt [verzoekster] ondermeer om een billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:681 BW van € 25.000,00, om het loon over de opzegtermijn en om betaling van de transitievergoeding van € 19.500,00 bruto.
3.2.
Volgens [verzoekster] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. [verzoekster] voert daartoe in kern aan dat geen sprake is van een dringende reden, zeker gelet op haar arbeidsverleden. Een ontslag op staande voet over wat hoogstens een misverstand is over opgenomen verlofdagen is na een dienstverband van zeventien jaar buiten proportioneel.
3.3.
GVB voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. GVB voert ‑ samengevat – primair aan dat hetgeen in de ontslagbrief is aangevoerd het ontslag op staande voet rechtvaardigt.
Voor het geval het ontslag op staande voet wordt vernietigd verzoekt GVB de arbeidsovereenkomst te ontbinden vanwege verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] (7:669, derde lid onder e. BW). Ter zitting is GVB, met instemming van [verzoekster] , gelegenheid gegeven om na de zitting nog kenbaar te maken of meer subsidiair ook ontbinding werd verzocht vanwege een verstoorde arbeidsverhouding (7:669, derde lid, onder g. BW). Bij brief van 10 oktober 2024 heeft GVB laten weten dat wanneer de kantonrechter van oordeel is dat van een redelijke grond als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder e geen sprake is, GVB verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens een verstoorde arbeidsrelatie (als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder g BW). Op de onderbouwing van de voorwaardelijke verzoeken door GVB wordt hierna ingegaan.
3.4.
[verzoekster] heeft bij e-mail van11 oktober 2024 laten weten dat het subsidiaire verzoek van GVB meer recht doet aan de situatie maar dat volgens [verzoekster] geen sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie.
Beoordeling
Vernietiging van het ontslag op staande voet en toewijzing loonvordering
4.1.
Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of GVB moet worden veroordeeld tot betaling van loon. Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen GVB als dringende reden in de ontslagbrief heeft aangegeven, en verder onder meer de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop [verzoekster] haar werk heeft gedaan en de persoonlijke omstandigheden van [verzoekster] , zoals haar leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor haar hebben.
4.2.
De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Gelet op alle feiten en omstandigheden die hierna bij de beoordeling van het ontbindingsverzoek aan de orde komen is wel sprake van een situatie dat van GVB niet langer gevergd kan worden dat zij [verzoekster] in dienst houdt. De door GVB in de ontslagbrief aangevoerde argumenten rechtvaardigen echter niet, ook gelet op de duur van het dienstverband, dat [verzoekster] zonder rechterlijke toets en zonder opzegtermijn op staande voet is ontslagen.
4.3.
Het verzoek van [verzoekster] tot vernietiging van het ontslag op staande voet wordt daarom toegewezen.
4.4.
[verzoekster] heeft recht op loon, omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd en de arbeidsovereenkomst dus ook na 30 juli 2024 voortduurt. De vordering van [verzoekster] tot loonbetaling zal daarom worden toegewezen. De gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente zullen ook worden toegewezen, omdat GVB te laat heeft betaald. De wettelijke verhoging zal worden beperkt tot 25 %.
4.5.
De subsidiaire vorderingen van [verzoekster] tot betaling van een billijke vergoeding ex 7:681 BW en het loon over de opzegtermijn worden, nu het ontslag op staande voet is vernietigd, niet meer behandeld.
Grond voor ontbinding arbeidsovereenkomst
4.5.
De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:671b lid 1 jo 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub c tot en met i BW, herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt en er geen opzegverbod geldt. Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door GVB naar voren gebrachte feiten en omstandigheden een redelijke grond voor ontbinding op, als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder g (verstoorde arbeidsrelatie). Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.6.
GVB verwijt [verzoekster] onder andere dat zij veel druk heeft gelegd op GVB in juni 2024 om (zorg)verlof te krijgen om naar Suriname af te reizen terwijl zij daar onvoldoende verlofdagen voor had. Partijen hebben over die verlofaanvraag op 31 mei 2024 en op 10 juni 2024 gesprekken gevoerd waarbij het in eerste instantie ging over het al dan niet toekennen van zorgverlof omdat [verzoekster] had aangegeven gedurende dat verlof de zorg voor haar moeder in Suriname op zich te willen nemen, die sinds het overlijden van de vader van [verzoekster] begin 2024 zorgbehoeftig zou zijn. De verlofaanvraag voldeed niet aan de criteria van GVB voor zorgverlof maar GVB heeft wel ingestemd met een periode van verlof van 2 tot met 18 juli 2024 door het kopen van verlofdagen en het verplaatsen van een voor november aangevraagd verlof. Vervolgens heeft [verzoekster] in een Whatsapp bericht aan haar leidinggevende van 22 juni 2024 laten weten zij dat een langere periode verlof wilde, namelijk ook van 22 juli tot en met 27 juli 2022, in welke periode zij voor 4 dagen ingeroosterd stond. Op die extra verlofaanvraag heeft de leidinggevende bij Whatsappbericht van 25 juni 2024 laten weten dat er alleen een afspraak was voor verlof tot en met 18 juli en niet tot en met 27 juli. In een daarop volgend Whatsapp bericht gaf [verzoekster] aan haar leidinggevende aan dat zij al een ticket had gekocht. [verzoekster] heeft over die afwijzende reactie op haar extra verlofaanvraag de voicemail van haar leidinggevende ingesproken op een volgens GVB niet respectvolle manier, waarvoor zij per brief van 27 juni 2024 een waarschuwing heeft gekregen van GVB. Vervolgens heeft [verzoekster] in een gesprek op 27 juni 2024 met GVB, waarin zij werd bijgestaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon, een verklaring van een arts in Suriname voorgelezen over de toestand van haar moeder waarin ondermeer stond dat “werd gevreesd voor het ergste”. GVB stelt onbetwist dat daardoor bij haar de indruk is gewekt dat de moeder van [verzoekster] op sterven lag. GVB heeft zich vervolgens, vanwege het geboekte ticket en omdat de toestand van de moeder van [verzoekster] inmiddels ernstig was volgens de voorgelezen doktersverklaring, genoodzaakt gezien [verzoekster] toch vier extra verlofdagen toe te kennen in de vorm van zorgverlof, waarover GVB het salaris grotendeels doorbetaald.
4.7.
In de laatste week van het verlof, gedurende de week waarover zorgverlof was toegekend, heeft GVB telefonisch contact opgenomen met [verzoekster] nadat GVB signalen bereikte dat [verzoekster] niet in Suriname maar in Nederland zou zijn. In dat gesprek vertelde [verzoekster] dat het beter ging met haar moeder en dat zij uit het ziekenhuis was ontslagen. Nadat GVB in dat telefoongesprek melding maakte van de signalen dat [verzoekster] in Nederland zou zijn heeft [verzoekster] GVB verklaard dat zij op dat moment nog in Suriname was. [verzoekster] is uitgenodigd voor een toelichtend gesprek op zondag 28 juli 2024, haar eerste werkdag. Haar is gevraagd haar ticket en instapkaart op 28 juli 2024 mee te nemen.
Bij het gesprek op 28 juli 2024 is [verzoekster] opnieuw bijgestaan door een onafhankelijk vertrouwenspersoon. Zij geeft geen bewijs van vliegtickets of instapkaart overgelegd, wel van een reservering - geen definitieve boeking dus - voor een ticket naar Suriname.
GVB verwijt [verzoekster] dat zij ook in dit gesprek geen openheid van zaken over haar verblijf in Suriname heeft gegeven, wat van haar verwacht mocht worden omdat zij (extra) zorgverlof toegekend had gekregen vanwege de gezondheidstoestand van haar moeder in Suriname. In het gesprek op 28 juli 2024 heeft zij in strijd met de waarheid verklaard dat zij op 22 of 23 juli is teruggekeerd uit Suriname. Pas uit de brief van haar gemachtigde aan GVB van 23 augustus 2024 is GVB gebleken dat [verzoekster] geen tickets heeft geboekt, niet naar Suriname is gereisd en dus geen zorg aan haar moeder heeft verleend.
4.8.
[verzoekster] heeft een aantal stellingen van GVB betwist, zoals het feit dat haar al voor haar vertrek naar Suriname bekend was gemaakt dat zij voor de laatste week van het door haar gewenste verlof, vanaf 20 juli, vijf dagen zorgverlof toegekend had gekregen naar aanleiding van hetgeen zij had verteld over de reeds geboekte tickets en de ernstige toestand van haar moeder. Of zij de brief daarover wel of niet heeft ontvangen voordat haar verlof in ging is, zoals GVB terecht heeft opgemerkt, niet relevant omdat zij voordat haar verlof in ging in het gesprek op 27 juni 2024 al te horen had gekregen dat zij zorgverlof toegekend zou krijgen voor de extra dagen verlof tussen 18 juli en 27 juli 2024. Dat het zorgverlof in het gesprek is toegekend blijkt ook uit de app aan haar leidinggevende waarin zij op 28 juni 2024 vraagt “Mag ik dagen die geregeld zijn zwart op wit krijgen en of ze zorg verlof zijn of van mijn vakantie”.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
vernietigt het ontslag op staande voet,
5.2.
veroordeelt GVB tot betaling aan [verzoekster] van € 3.074,00 bruto aan loon, vermeerderd met alle emolumenten, en te vermeerderen met de wettelijke verhoging met een maximum van 25%, vanaf 30 juli 2024 tot rechtsgeldig een einde aan de arbeidsovereenkomst is gekomen, en te vermeerderen met de wettelijke rente, onder verstrekking van de salarisspecificaties vanaf 30 juli 2024;
5.3.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 februari 2025;
5.4.
veroordeelt GVB om aan [verzoekster] de wettelijke transitievergoeding te betalen van € 19.284,85, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 maart 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;
5.5.
bepaalt dat hetgeen hiervoor onder 5.3. en 5.4. is beslist rechtskracht ontbeert als GVB haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor 20 oktober 2024 intrekt;
5.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
5.6.
verklaart deze beschikking (voorzover wettelijk mogelijk) uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Patijn en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2024.
717
Beoordeling
Op diezelfde dag is het zorgverlof haar door het per mail toesturen van het gespreksverslag van 27 juni 2024 bevestigd.
Ook heeft [verzoekster] aangevoerd dat zij weliswaar geen onherroepelijke boeking had maar wel een reservering voor tickets naar Suriname had en dat zij niet heeft gezegd dat haar moeder op sterven lag. Uit de uitdraai van de whatsapp gesprekken tussen [verzoekster] en haar leidinggevende bij GVB van 25 juni blijkt dat [verzoekster] om 09.27 uur appt “Ik heb me ticket al gekocht”. Pas na het ontslag op staande voet is gebleken dat [verzoekster] helemaal geen ticket voor Suriname had gekocht en door te appen dat ze het ticket al had gekocht GVB in strijd met de waarheid heeft misleid, kennelijk met het doel om extra druk te zetten op GVB haar verlofaanvraag voor de extra dagen in de periode van 19-27 juli 2024 toe te kennen. Over het feit dat zij helemaal geen ticket voor Suriname heeft geboekt en niet naar Suriname is gereisd tijdens haar verlof in juli 2024 heeft zij ook in het gesprek met GVB op 28 juli 2024 geen openheid van zaken gegeven. Integendeel, zij heeft daar nog verklaard eerder terug te zijn gekeerd uit Suriname en als bewijs van die reis haar reservering overgelegd. Pas op de zitting op 8 oktober 2024 heeft [verzoekster] erkend dat zij helemaal niet naar Suriname is gereid en ook geen tickets voor Suriname had geboekt. Op een vraag van de rechter aan [verzoekster] of zij vanwege de ticketprijzen of vanwege het gestelde ontslag van haar moeder uit het ziekenhuis afgezien heeft van haar reis naar Suriname heeft zij op de zitting verklaard dat het de ticketprijzen waren die maakte dat zij uiteindelijk niet naar Suriname is gereisd.
[verzoekster] heeft betwist dat zij aan GVB de indruk heeft gegeven dat haar moeder op sterven lag maar uit de verklaring van de arts die zij of de vertrouwenspersoon in het gesprek op 27 juni 2024 aan GVB heeft voorgelezen en die zij op de zitting van oktober aan de rechter heeft voorgelezen blijkt dat de arts heeft verklaard dat ‘werd gevreesd voor het ergste’. Daaraan kon GVB de indruk ontlenen dat de moeder van [verzoekster] op sterven lag.
4.9.
Bij de beoordeling van het (subsidiaire) ontbindingsverzoek zijn niet (alleen) de in de ontslagbrief genoemde redenen voor het ontslag op staande voet relevant zijn maar ook alle andere feiten en omstandigheden. Doordat [verzoekster] voor het ingaan van het verlof op 2 juli 2024 in strijd met de waarheid heeft verklaard dat zij tickets had geboekt en dat ten aanzien van de gezondheidstoestand van haar moeder ‘gevreesd moest worden voor het ergste’ heeft zij GVB voor een fait accompli heeft gesteld, waardoor GVB zich genoodzaakt zag haar toch een aantal dagen zorgverlof te geven op het haar al toegekende extra verlof, ondanks een eerdere afwijzing van een verzoek om zorgverlof. Pas na het ontslag op staande voet is gebleken dat [verzoekster] , anders dan zij heeft verklaard, geen tickets voor Suriname had geboekt, zij niet naar Suriname is gegaan en het toegekende zorgverlof niet heeft gebruikt voor het verzorgen van haar moeder in Suriname, waarvoor ze het had aangevraagd. Zij heeft tot twee keer toe in strijd met de waarheid aan GVB verklaard dat zij in Suriname is geweest, in het telefoongesprek op of omstreeks 23 juli en vervolgens in het gesprek op 28 juli 20924. Onder die omstandigheden valt te billijken dat GVB zich op het standpunt stelt dat de arbeidsverhouding is verstoord omdat zij geen vertrouwen meer heeft in [verzoekster] nu zij rondom de verlofaanvraag deze zomer GVB bij herhaling heeft misleid.
4.10.
Het hiervoor geschetste handelen van [verzoekster] rechtvaardigt de conclusie dat van GVB niet langer gevergd kan worden de arbeidsrelatie voor te laten duren. Herplaatsing is vanwege de verstoring van de arbeidsverhouding ook niet aan de orde. Er is geen sprake van een ontslagverbod. Anders dan GVB oordeelt de kantonrechter dat de gedragingen van [verzoekster] die de verstoring van de arbeidsverhouding hebben veroorzaakt niet zodanig ernstig zijn dat sprake is van verwijtbaar gedrag in de zin van 7:669 lid 3 onder e BW. Daarbij speelt een rol dat de verwijten die haar kunnen worden gemaakt alleen betrekking hebben op het voor een fait accompli stellen van GVB door te liegen over het al geboekt zijn van de tickets en over het wel of niet naar Suriname zijn geweest om zorgverlof te verlenen. De verwijten die haar kunnen worden gemaakt zien niet op de uitoefening van haar werkzaamheden. Ook is gesteld noch gebleken is dat het verwijtbaar handelen van [verzoekster] (reputatie) schade voor GVB tot gevolg heeft gehad. Wel is gerechtvaardigd dat GVB onbetwist stelt dat zij haar vertrouwen in [verzoekster] als werkneemster is verloren en dat maakt dat sprake is van een verstoring van de arbeidsverhouding. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal worden toegewezen. Gelet op het tijdstip van het voorwaardelijke verzoek tot ontbinding (2 oktober 2024) en de in acht te nemen opzegtermijn 3 maanden is wordt de ontbinding uitgesproken per 1 februari 2025.
Transitievergoeding
4.11.
[verzoekster] heeft verzocht een transitievergoeding ex artikel 7:673 BW toe te kennen. Nu het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt toegewezen maar geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekster] dient GVB aan [verzoekster] een transitievergoeding te betalen van € 19.284,85. Het verzoek van GVB bij toekenning van een transitievergoeding aan haar een termijn te geven waarbinnen zij het ontbindingsverzoek in te trekken wordt toegewezen nu [verzoekster] ook bepleit dat zij het liefst in dienst wil blijven
Kostencompensatie
4.12.
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat beide partijen op punten ongelijk krijgen. Er zal geen dwangsom worden gesteld op het verstrekken van de salarisspecificaties nu de kantonrechter daar geen aanleiding toe ziet. De gevorderde incassokosten worden afgewezen.