Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-10-22
ECLI:NL:RBAMS:2024:8863
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
17,878 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/080642-23
Datum uitspraak: 22 oktober 2024
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op de [geboorteland] op [geboortedag] 1978,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] ,
thans gedetineerd in [detentieadres]
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 5 maart 2024, 19 april 2024, 12 juli 2024, 24 september 2024 en 22 oktober 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. A.M. Ruijs en S.A. van Vliet, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. H. Koopman, naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
1. medeplegen van (gewoonte)witwassen van diverse geldbedragen (met een totaalbedrag van € 14.061.675,-) in de periode van 23 februari 2020 tot en met 20 november 2020 in (verschillende plaatsen in) Nederland;
2. medeplegen van handel in, althans het aanwezig hebben van, 2,25 kilogram cocaïne in de periode van 17 november 2020 tot en met 24 november 2020 in (verschillende plaatsen in) Nederland;
3. medeplegen van het voorbereiden en/of bevorderen van het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne in de periode van 31 maart 2023 tot en met 28 november 2023 in (verschillende plaatsen in) Nederland;
4. medeplegen van (gewoonte)witwassen van een geldbedrag van € 6.700,- en diverse (luxe-)goederen op 28 november 2023 in [plaats 4].
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Geldigheid van de dagvaarding en overige voorvragen
3.1.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de dagvaarding voor wat feit 3 betreft nietig moet worden verklaard omdat de daarin vervatte beschuldiging onvoldoende specifiek is omschreven. Gelet op de omvang van het dossier en de hoeveelheid (chat)gesprekken die daarin zijn opgenomen, in combinatie met de omstandigheid dat door het Openbaar Ministerie de vindplaats in het dossier van de verweten (chat)gesprekken/handelingen niet is gegeven, is voor verdachte onvoldoende duidelijk waartegen hij zich moet verdedigen.
3.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding geldig is. Ten aanzien van feit 3 is concreet weergegeven waaruit de voorbereidingshandelingen zouden hebben bestaan en op basis van het dossier is duidelijk waarop de verdenking ziet en waartegen verdachte zich moet verdedigen.
3.3.
Beoordeling
Verdachte wordt onder feit 3 verweten zich te hebben schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen met betrekking tot – kort gezegd – de invoer van cocaïne. De rechtbank stelt vast dat de tenlastelegging ziet op een relatief beperkte periode en dat ten aanzien van het verweten handelen in de tenlastelegging een aantal feitelijkheden nader zijn geconcretiseerd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het voor verdachte voldoende duidelijk is waartegen hij zich moet verdedigen. Of op grond van het dossier ten aanzien van de tenlastegelegde feitelijkheden tot een bewezenverklaring kan worden gekomen, zal aan de orde komen bij de inhoudelijke beoordeling van feit 3.
De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de dagvaarding geldig is. Verder is deze rechtbank bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en is het Openbaar Ministerie ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Inleiding
In het strafrechtelijke onderzoek Argus is onderzoek gedaan naar criminele samenwerkingsverbanden van de gebruikers van cryptocommunicatie via de aanbieder SkyECC (hierna: Sky). Daarbij zijn veel versleutelde berichten ontdekt en ontsleuteld. Uit de inhoud van die berichten zijn diverse verdenkingen ontstaan, waaronder de verdenking in onderhavig onderzoek Ajino. Berichten van de Sky-ID’s [sky-id 1] en [sky-id 2] zijn in beeld gekomen en volgens de politie behoren deze twee Sky-ID’s toe aan dezelfde gebruiker. De politie heeft verdachte geïdentificeerd als de gebruiker van deze Sky-ID’s, hetgeen verdachte ook heeft bevestigd.
Uit de chatberichten van voormelde Sky-ID’s zou blijken dat verdachte zich onder meer bezighield met overdrachten van zeer grote contante geldbedragen, hetgeen onder feit 1 is tenlastegelegd als het medeplegen van gewoontewitwassen. Ten aanzien van een deel van dit feit wordt ook de partner van verdachte, [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) verdacht van gewoontewitwassen. Tevens is de verdenking ontstaan dat verdachte zich bezighield met (de voorbereiding van) cocaïnehandel, tenlastegelegd onder de feiten 2 en 3. Ten aanzien van feit 3 is ook vertrouwelijke communicatie opgenomen in twee auto’s waarvan verdachte gebruikmaakte.
Op 28 november 2023 zijn verdachte en zijn partner [persoon 1] aangehouden in het onderzoek Ajino. Bij de doorzoeking in hun woning in [plaats 4] zijn diverse luxegoederen (zoals dure merkkleding, tassen en schoenen) en een contant geldbedrag van € 6.700,- aangetroffen. Onder feit 4 is aan verdachte het medeplegen van (gewoonte)witwassen met betrekking tot deze voorwerpen tenlastegelegd.
Met betrekking tot feit 3 is op 28 november 2023 tevens een medeverdachte genaamd [medeverdachte] aangehouden.
4.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officieren van justitie hebben – onder verwijzing naar het op schrift gestelde requisitoir - gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten. Daarbij is betoogd dat ten aanzien van feit 1 kan worden bewezen dat verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt. Ten aanzien van feit 4 dient verdachte te worden vrijgesproken van het maken van een gewoonte.
4.3.
Het standpunt van de verdediging
Volgens de raadsman kan, mede gelet op de ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte, wat feit 1 betreft tot een bewezenverklaring worden gekomen van het tenlastegelegde medeplegen van gewoontewitwassen.
Ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4 heeft de raadsman – onder verwijzing naar zijn pleitnota – vrijspraak bepleit wegens gebrek aan bewijs.
4.4.
Beoordeling
4.4.1.
Feit 1
De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde medeplegen van gewoontewitwassen van een bedrag van in totaal € 14.061.675,- kan worden bewezen op grond van de chatgesprekken van de Sky-ID’s [sky-id 1] en [sky-id 2] , de daarin aangetroffen administraties en de bekennende verklaring van verdachte.
4.4.2.
Feit 2
4.4.2.1. Verdachte de gebruiker van Sky-ID [sky-id 1] in de tenlastegelegde periode
De verdenking onder feit 2 ziet op de inhoud van ontsleutelde chatberichten van Sky-ID [sky-id 1] (hierna: [sky-id 1] ) in de periode van 14 oktober 2020 tot en met 24 november 2024. Het account [sky-id 1] was in gebruik van 15 mei 2020 tot en met 18 februari 2021. Verdachte is geïdentificeerd als de gebruiker van het account [sky-id 1] en verdachte erkent ook dat hij de gebruiker was van dat Sky-ID gedurende die periode.
Gelet daarop kunnen naar het oordeel van de rechtbank de zich ten aanzien van feit 2 in het dossier bevindende chats van [sky-id 1] tussen 14 oktober en 24 november 2020 worden toegeschreven aan verdachte.
De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 24 september 2024 dat hij weliswaar de gebruiker was van het account [sky-id 1] , maar dat hij zich deze specifieke chatgesprekken niet kan herinneren en dat ‘het niet is gebeurd’, maakt dit oordeel niet anders. De rechtbank neemt daarbij onder meer in aanmerking dat verdachte geen alternatief voor een andere gebruiker naar voren heeft gebracht, inhoudende bijvoorbeeld dat de Sky-telefoon door iemand anders zou of kan zijn gebruikt. Bovendien erkent verdachte dat hij de voor feit 1 relevante chatberichten van het account [sky-id 1] heeft gestuurd, die onder meer in dezelfde periode – oktober en november 2020 – zijn verzonden, nota bene op dezelfde dagen als waarop de voor feit 2 relevante gesprekken plaatsvonden.
De rechtbank zal gezien het voorgaande de gebruiker van het account [sky-id 1] hierna aanduiden als verdachte.
4.4.2.1. Medeplegen verkoop van 2.25 kilo cocaïne
Chatgesprekken [sky-id 1] 17 tot en met 24 november 2020
Op 17 november 2020 vindt een gesprek plaats tussen verdachte en Sky-ID [sky-id 3] (hierna: [sky-id 3] ). [sky-id 3] vraagt of er werk is om te verkopen. Verdachte antwoordt dat ze zeggen dat ‘ [alias] tabletten heeft om te verkopen. [sky-id 3] vraagt of verdachte daarvan wat kan nemen en vraagt voor hoeveel. Verdachte zegt dat hij heeft gehoord 26 of 27 en dat hij het zal navragen. [sky-id 3] vraagt vervolgens of hij er één heeft om te laten zien. Verdachte antwoordt dat hij gaat informeren en dat hij het zo laat weten. De verbalisant relateert hierover dat een tablet vermoedelijk een kwart van een kilo blok cocaïne, dus 250 gram cocaïne betreft.
Vlak hierna stuurt verdachte naar Sky-ID [sky-id 4] (hierna: [sky-id 4] ) dat er een jongen is die [sky-id 4] goed kan gebruiken omdat het een goede soldaat is. Vervolgens vraagt verdachte aan [sky-id 4] hoe ze ‘hem’ – volgens de verbalisant vermoedelijk [sky-id 3] – er 1 kunnen geven.
Kort hierna stuurt [sky-id 3] aan verdachte of hij een foto heeft gekregen. Verdachte geeft aan dat ze er beter een kunnen ophalen om ter plekke te bekijken en [sky-id 3] vindt dat goed.
Op 18 november 2020 omstreeks 11:25 uur stuurt [sky-id 4] aan verdachte dat ze hem (vermoedelijk [sky-id 3] ) wel een tablet gaan geven zodat hij het kan bekijken en hij vraagt wat verdacht daarvan denkt. Verdachte antwoordt ‘Ja laten we er een aan hem geven. Dan kan hij er een bekijken’.
Omstreeks 11:39 uur stuurt verdachte naar [sky-id 3] : ‘Er wordt er eentje naar mij toegebracht. Ik waarschuw je als ik het heb’. Omstreeks 11.45 uur stuurt verdachte aan [sky-id 3] dat hij het moet komen halen om het te checken en dat ze dan de prijs bespreken. [sky-id 3] moet naar het huis van verdachte komen en [sky-id 3] zegt ‘is goed’. Ongeveer anderhalf uur later stuurt [sky-id 3] dat ‘het’ niet droogt. De verbalisant relateert dat hem bekend is dat cocaïne vochtig kan zijn en dat het wel of niet goed opdrogen van de cocaïne iets zegt over de kwaliteit. [sky-id 3] zegt verder dat hij het aan een paar mensen wil laten zien, maar dat die mensen vragen naar de prijs.
Na deze berichten neemt verdachte contact op met [sky-id 4] en geeft door dat hij (vermoedelijk [sky-id 3] ) ‘het’ ergens naartoe heeft gebracht maar dat het niet is opgedroogd en zegt dat ze ‘hem’ (de rechtbank begrijpt [sky-id 3] ) de prijzen door moet geven. [sky-id 4] antwoordt: ‘Zeg maar voor 25’. De verbalisant relateert in het dossier dat (destijds) tussen de 25.000 en 35.000 euro per kilo een gangbare prijs was voor cocaïne.
Omstreeks 13.28 uur stuurt [sky-id 3] wederom naar verdachte dat ‘het’ niet wil opdrogen. Verdachte vraagt aan [sky-id 3] om ‘het’ te laten zien waarna [sky-id 3] een foto stuurt van een verpakt pakketje op een weegschaal. De weegschaal geeft het gewicht 272 gram aan. Als [sky-id 3] vraagt hoeveel het weegt ‘zonder zak en alleen het materiaal ‘stuurt verdachte een chatbericht door van een persoon met de Sky-ID [persoon 2] die stuurt ‘250 gram’.
Op 19 november omstreeks 18:31 uur stuurt [sky-id 3] aan verdachte dat hij er vier nodig heeft en hij vraagt: ‘kijk even of ze wat kunnen zakken zodat we 500 en 500 kunnen pakken’ en ‘Ze vragen mij naar 1 hele’. Verdachte vraagt of ze 4 kilo of 4 tabletten nodig hebben. [sky-id 3] antwoordt: ‘4 tabletten 1 kilo’. Verdachte stuurt: ‘wacht, even kijken of hij er 24,5 van maakt’.
Direct hierna neemt verdachte contact op met [sky-id 4] en zegt hij dat ‘ [persoon 3] vraagt of ze er ook 24 en een half van kunnen maken’.
Kort hierna stuurt verdachte aan [sky-id 3] ’Papa 24,5’.
Omstreeks 18:52 vraagt [sky-id 3] aan verdachte waar hij die andere 3 kan ophalen en vraagt hij tevens of dat verdachte aan ‘hem’ wil vragen dat hij er 4 geeft zodat hij deze kan houden om die aan wat mensen te laten zien.
Verdachte stuurt meteen hierna naar [sky-id 4] ‘zeg mij waar ik het moet ophalen maar vraag hem of hij mij er 4 kan geven zodat ik deze overhoudt om het aan mensen te laten zien’.
Vervolgens stuurt verdachte naar [sky-id 3] : ‘wacht op mij bij je moeder, ik ben er over 30 minuten’.
Op 20 november omstreeks 16:37 uur stuurt [sky-id 3] aan verdachte dat hij ‘de tickets heeft van de eerste 4’. [sky-id 3] zegt vervolgens: ‘24,5 van/voor die mensen en apart die 500 van jou’. Ze spreken af dat hij het bij verdachte langsbrengt.
Vrijwel direct hierna stuurt verdachte aan [sky-id 4] dat [persoon 3] zo wat komt brengen bij verdachte. Vervolgens vraagt verdachte aan [sky-id 4] of hij ‘die 24.500’ aan [persoon 4] zal geven of bij [sky-id 4] zal langsbrengen. [sky-id 4] wil dat verdachte het bij hem thuis langs brengt en verdachte is daarmee akkoord.
Op 23 november 2020 omstreeks 14.41 uur stuurt [sky-id 3] naar verdachte dat hij nog een tablet nodig heeft. Verdachte zegt dat hij ‘hem’ zal bellen.Omstreeks 14:45 uur stuurt verdachte naar [sky-id 4] : ‘ik heb een tablet nodig. [persoon 3] heeft het nodig’. [sky-id 4] antwoordt: ‘je kunt er naar toe’.
Omstreeks 15.00 uur zegt verdachte tegen [sky-id 3] : ‘neem er nu tenminste 4 mee’.
[sky-id 3] zegt hierop: ’geef mij er 5’.Om 15:01 uur stuurt verdachte aan [sky-id 4] : ‘geef mij 5. Hij zegt 5’.
Conclusie
De rechtbank leidt uit voornoemde chats, in combinatie met de bevindingen van de verbalisant, af dat verdachte [sky-id 3] en [sky-id 4] indirect met elkaar in contact heeft gebracht voor de koop van cocaïne. Dat het gaat om cocaïne, blijkt uit bewoordingen als ‘tablet’, het (niet) opdrogen en de prijs die wordt gevraagd waarbij 25 slaat op 25.000 per kilo, een op dat moment gangbare marktprijs voor cocaïne. Dat het in bovengenoemde chatgesprekken tussen verdachte en [sky-id 3] daadwerkelijk om cocaïne gaat vindt bovendien steun in chatgesprekken tussen verdachte en dezelfde [sky-id 3] tussen 14 en 31 oktober 2020. Zo stuurt [sky-id 3] in een chatgesprek op 14 oktober 2020 een foto naar verdachte met daaronder de tekst ‘Boli 32,25’. De verbalisant herkent het blok dat zichtbaar is op de foto aan de vorm, structuur, kleur, stempel en de wijze van verpakking als een (kilo)blok cocaïne.
Uit de inhoud van de berichten en de wijze van communiceren volgt verder dat verdachte met betrekking tot de verkoop van de cocaïne nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen, onder meer met [sky-id 4] . Verdachte heeft ten aanzien van de verkoop een bijdrage van voldoende gewicht geleverd nu hij immers een bemiddelende en coördinerende rol vervulde tussen de kopende partij [sky-id 3] en de verkopende partij/leverancier ( [sky-id 4] ). Verder volgt uit de chats dat [sky-id 3] in ieder geval op 18 november 2020 fysiek een tablet heeft opgehaald bij verdachte, waarover kort daarna tussen hen wordt gecommuniceerd met betrekking tot het al dan niet ‘drogen’ ervan, hetgeen verdachte vervolgens ook weer meldt aan [sky-id 4] . Ook het ophalen van de andere tabletten door [sky-id 3] wordt door verdachte gecoördineerd, en ten aanzien van een aantal daarvan lijkt hij bij de overdracht ook fysiek aanwezig te zijn geweest. Verder blijkt uit de chats dat [sky-id 3] het geld voor de cocaïne, te weten € 24.500,- voor 4 blokken en € 30.000,- voor 5 blokken, bij verdachte heeft gebracht en dat [sky-id 4] vervolgens weer aan verdachte vraagt de € 24.500,- bij [sky-id 4] te komen brengen. Ook ten aanzien van de € 30.000,- die [sky-id 3] bij verdachte heeft gebracht, rapporteert verdachte aan [sky-id 4] . Dat verdachte ook daadwerkelijk de coördinator was van deze verkopen volgt bovendien uit de chatberichten op 23 november 2020 waarin [sky-id 4] aan verdachte stuurt dat verdachte degene is die op de hoogte is en de rekening moet bijhouden.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat uit de inhoud van voornoemde chats en de bevindingen van de verbalisant, volgt dat verdachte zich in de periode van 17 november 2020 tot en met 24 november 2020 heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de verkoop van in ieder geval 4 tabletten cocaïne voor € 24.500,- alsmede 5 tabletten cocaïne voor € 30.000. Dit komt neer op in totaal 9 tabletten van 250 gram per stuk, zijnde 2,25 kilogram cocaïne.
Gelet hierop acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde bewezen, zoals hierna in rubriek 5 bewezenverklaard.
4.4.3.
Feit 3
Verdachte wordt onder feit 3 verweten dat hij in de periode van 31 maart 2023 tot en met 28 november 2023 samenwerkte met anderen bij voorbereidingen om cocaïne binnen het grondgebied van Nederland te brengen.
Op grond van de inhoud van het dossier stelt de rechtbank in dit verband het volgende vast.
4.4.3.1. Feiten en omstandigheden
Verklaring verdachte
Verdachte heeft ten aanzien van feit 3 het volgende verklaard.
In 2023 heeft [persoon 5] (hierna: [persoon 5] ) verdachte benaderd met de vraag of verdachte voor hem in Nederland fruit in ontvangst kon nemen. Verdachte en [persoon 5] hebben met elkaar afgesproken en hierover gesprekken gehad. [persoon 5] vroeg verdachte of hij – namens [persoon 5] – fruit kon bestellen voor levering in Europa. [persoon 5] legde daarbij aan verdachte uit dat als verdachte dit deed, hij een provisie zou krijgen. Het plan behelsde dat verdachte met zijn bedrijf [bedrijf 1] het fruit zou bestellen vanuit Ecuador. Eerst zou een aantal keer een schone vracht binnenkomen, waarover verdachte een percentage van de verkoopprijs van het fruit zou krijgen. Daarna zou de vracht worden “gecontamineerd”, en dan zou verdachte per vracht een bedrag van € 50.000,- ontvangen. [persoon 5] vertelde dat ze 600, 1000, 1200 gingen versturen en hij bedoelde hiermee cocaïne. Verdachte verklaarde hierover dat het hem niet uitmaakte want hij zou € 50.000,- krijgen. Verdachte is vervolgens op dit voorstel ingegaan en heeft daadwerkelijk bestellingen van fruit geplaatst. De verzonden containers met dit fruit waren nog schoon. Tevens heeft verdachte in dit verband in opdracht van [persoon 5] contact onderhouden met [bedrijf 2] . Dit bedrijf zou de containers gaan vervoeren en zou aan verdachte ook het percentage voor het fruit betalen. Verdachte is in opdracht van [persoon 5] ook af en toe naar [bedrijf 2] gegaan in verband met de organisatie van de drugstransporten. De eerste keer was dat tussen juni en juli 2023. Hij heeft daar toen ook gesprekken gevoerd met medewerkers van [bedrijf 2] over de fruitbestellingen. Verdachte verklaart dat [bedrijf 2] op dat moment wist dat het de bedoeling was om uiteindelijk cocaïne tussen het fruit in te voeren in Nederland. Verdachte is in dit verband ook weleens samen met [persoon 5] bij [bedrijf 2] geweest. Verder heeft verdachte verklaard dat hij met [persoon 5] heeft gesproken over de invoer van cocaïne met containers en de voorbereiding daartoe, zowel in rechtstreekse zin (face to face), maar ook via de telefoon en ook via applicaties als Signal en whatsapp.
Chatgesprekken via Signal op Samsung Core 01
Bij de aanhouding van verdachte op 28 november 2023 is een telefoon aangetroffen van het merk Samsung, model Core 01 (hierna: de Samsung), waarvan de politie relateert dat op grond van onderzoek in deze telefoon wordt vermoed dat verdachte daarvan de gebruiker is.
Op deze telefoon was de applicatie Signal aanwezig, waarmee versleuteld kan worden gecommuniceerd. De gebruiker van de Samsung nam, met de gebruikersnaam [gebruikersnaam 1] , via Signal deel aan een groepschat waarvan chatgesprekken tussen 8 mei 2023 en 1 augustus 2023 leesbaar waren.
Verdachte heeft verklaard dat dit zijn telefoon was en dat deze alleen door hem werd gebruikt. De rechtbank is daarom van oordeel dat de chats van de gebruiker van de Samsung in de voornoemde groepsapp kunnen worden toegeschreven aan verdachte.
Dat verdachte ter terechtzitting van 24 september 2024 heeft verklaard dat hij zich deze chatgesprekken niet kan herinneren en dat hij de (gebruikers)naam [gebruikersnaam 1] niet kent, maakt dit oordeel niet anders. De rechtbank neemt daarbij onder meer in aanmerking dat – zoals reeds genoemd – verdachte heeft verklaard dat hij de enige gebruiker was van de Samsung, en dat het aan de Samsung gekoppelde e-mailadres overeenkomt met de in de groepsapp gebruikte gebruikersnaam (namelijk [gebruikersnaam 2] ). Daarnaast herkent verdachte één van de andere gebruikersnamen in de betreffende groepsapp, te weten ‘ [persoon 5] ’ als zijnde [persoon 5] .
De rechtbank zal daarom de gebruiker van de Samsung in de groepschat hierna bij de bespreking van de chats aanduiden als verdachte en ‘ [persoon 5] ’ als [persoon 5] . Uit de zich in het dossier bevindende chatgesprekken binnen deze groepsapp in de voornoemde periode blijkt dat verdachte actief deelneemt in deze groep en in de chatgesprekken komt onder meer het volgende naar voren.
Op 10 juli 2023 stuurt een van de deelnemers (genaamd [persoon 6] ) in de groep: ‘Ik heb net met de man gepraat. […] Nu zegt hij dat hij eerst een lege container wil sturen.
Conclusie
Gezien al het voorgaande acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde medeplegen van witwassen bewezen, zoals hierna in rubriek 5 bewezenverklaard.
4.4.4.3. Vrijspraak van het maken van een gewoonte
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van dit feit geen sprake is van gewoontewitwassen, zodat verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken.
5Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen zoals die in de voetnoten in rubriek 4 van dit vonnis zijn weergegeven, bewezen dat verdachte
1.
in de periode van 23 februari 2020 tot en met 20 november 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen voorwerpen, te weten
- op 23 februari 2020 een geldbedrag van 55.000,- euro en
- op 9 maart 2020 een geldbedrag van 68.750,- euro en
- op 10 maart 2020 een geldbedrag van 67.000,- euro en
- op 24 maart 2020 een geldbedrag van 107.000,- euro en
- op 31 maart 2020 een geldbedrag van 549.850,- euro en
- op 2 april 2020 een geldbedrag van 400.000,- euro en
- op 3 april 2020 een geldbedrag van 379.000,- euro en
- op 5 april 2020 een geldbedrag van 318.315,- euro en
- op 8 april 2020 een geldbedrag van 383.550,- euro en
- op 10 april 2020 een geldbedrag van 290.000,- euro en
- op 18 april 2020 een geldbedrag van 216.500,- euro en
- op 21 april 2020 een geldbedrag van 1.000.000,- euro en
- op 28 april 2020 een geldbedrag van 530.000,- euro en
- op 20 juni 2020 een geldbedrag van 440.000,- euro en
- op 21 juni 2020 een geldbedrag van 500.000,- euro en
- op 28 juni 2020 een geldbedrag van 320.000,- euro en
- op 29 juni 2020 een geldbedrag van 172.000,- euro en
- op 29 juni 2020 een geldbedrag van 420.000,- euro en
- op 30 juni 2020 een geldbedrag van 508.000,- euro en
- op 9 juli 2020 een geldbedrag van 500.000,- euro en
- op 13 juli 2020 een geldbedrag van 300.000,- euro en
- op 28 juli 2020 een geldbedrag van 1.257.500,- euro en
- op 16 september 2020 een geldbedrag van 499.200,- euro en
- op 22 oktober 2020 een geldbedrag van 713.760,- euro en
--op 24 oktober 2020 een geldbedrag van 856.000,- euro en
- op 29 oktober 2020 een geldbedrag van 499.650,- euro en
- op 4 november 2020 een geldbedrag van 1.049.155,- euro en
- op 18 november 2020 een geldbedrag van 500.000,- euro en
- op 18 november 2020 een geldbedrag van 713.445,- euro en
- op 18 november 2020 een geldbedrag van 330.000,- euro en
- op 20 november 2020 een geldbedrag van 118.000,- euro,
heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig
waren uit enig misdrijf en hij, verdachte, en/ zijn mededaders van het plegen
van witwassen een gewoonte hebben gemaakt;
2.
in de periode van 17 november 2020 tot en met 24 november 2020 in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft verkocht ongeveer 2,25 kilogram cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3.
in de periode van 1 juli 2023 tot en met 27 november 2023 in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen, van een grote hoeveelheid cocaïne,
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit mede te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid te verschaffen en/of
- zich en/of anderen gelegenheid tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen
immers heeft/hebben hij, verdachte, en zijn mededaders opzettelijk
- aan een of meer (chat)gesprekken deelgenomen die betrekking hebben op de
(internationale) handel in verdovende middelen en/of
- een of meer (chat)gesprekken gevoerd met betrekking tot de prijs en/of de aanbetaling van
die verdovende middelen
- meermalen ontmoetingen gehad met (een eigenaar van) een (fruit)bedrijf met betrekking tot het vervoeren en/of invoeren van verdovende middelen;
4.
op 28 november 2023 te [plaats 4], tezamen en in vereniging met een ander, voorwerpen, te weten
- een geldbedrag van 6.700,- euro en
- 2 horloges (van het merk Rolex en Tag Heuer) en
- 49 paar schoenen (onder andere van het merk Louis Vuitton en Gucci en Louboutin) en
- 10 paar slippers en
- 24 tassen (onder andere van het merk Louis Vuitton en Gucci en Prada) en
- 14 riemen,
heeft voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten,
dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
Motivering
8.1.
De eis van het Openbaar Ministerie
De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte voor de door hen onder 1, 2, 3 en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar, met aftrek van voorarrest.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft met betrekking tot de strafmaat verzocht rekening te houden met de coöperatieve (proces)houding van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder de omstandigheid dat hij als ‘first offender’ dient te worden aangemerkt. Gezien al het voorgaande is verzocht te volstaan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden.
De raadsman heeft verzocht om – ondanks het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf – het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen c.q. te schorsen, zodat verdachte kan worden overgeleverd naar Spanje om daar bij de behandeling van een jegens verdachte aanhangig gemaakte strafzaak aanwezig te kunnen zijn. Nederland heeft de overlevering naar Spanje al toegestaan, maar de voorlopige hechtenis in deze zaak blokkeert de daadwerkelijke overlevering.
8.3.
Beoordeling
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan het medeplegen van de verkoop van cocaïne en voorbereidingshandelingen voor de invoer daarvan. Hierbij heeft verdachte op een georganiseerde wijze samengewerkt met de medeverdachten en zij zijn daarbij tevens professioneel te werk gegaan door onder meer het gebruik van versleutelde communicatie door middel van Sky-telefoons en de versleutelde berichtenservice ‘Signal’. De handel in harddrugs is zowel direct als indirect de oorzaak van vele vormen van criminaliteit en vormt daarmee een direct gevaar voor de maatschappij. Verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan het in stand houden van de drugscriminaliteit en het in gevaar brengen van de gezondheid van de gebruikers.
Voorts heeft verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen met betrekking tot zeer grote contante geldbedragen. In een periode van ongeveer acht maanden heeft verdachte het aanzienlijke bedrag van € 14.061.,675,- witgewassen. Hij heeft in deze maanden 31 keer steeds een grote hoeveelheid geld verplaatst en verdachte vormde daarmee een belangrijke schakel in het witwassen van dit geld. Daarbij werd – net als bij de bewezenverklaarde drugsfeiten – professioneel te werk gegaan door onder meer gebruik te maken van versleutelde communicatie (o.a. Sky-telefoons) en tokens. Tevens werd een administratie met betrekking tot (een aantal van) de geldbedragen bijgehouden. Deze mate van organisatie van het witwassen weegt de rechtbank als strafverzwarende omstandigheid mee.
Ten slotte heeft verdachte zich samen met zijn partner schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen van een geldbedrag van € 6.700,- alsmede een grote hoeveelheid aan luxegoederen met een totale (dag)waarde van ongeveer € 35.195,-. Hieruit blijkt dat verdachte met zijn partner een luxe leven leidden, (in ieder geval deels) gefinancierd met crimineel (verkregen) geld.
Witwassen, en zeker op de grote schaal waarmee dat hier (met name met betrekking tot feit 1) plaatsvond, vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten heeft een ontwrichtende werking op de samenleving. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit niet alleen gefaciliteerd, maar ook bevorderd. Het maatschappelijk belang om dergelijk handelen tegen te gaan is dan ook groot en daarom is een forse strafrechtelijke reactie passend.
De persoon van de verdachte
Voor wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank onder meer rekening gehouden met het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 15 februari 2024. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het verdachte betreffend reclasseringsrapport van 9 september 2024. Hieruit blijkt onder meer – kort samengevat – het volgende. Er zijn bij verdachte geen psychische problemen en/of problemen in middelengebruik geconstateerd. De delicten lijkten te zijn gepleegd vanuit financieel motief. De reclassering schat het risico op recidive in als laag. Verdachte verklaart spijt te hebben en zegt niet meer de fout in te zullen gaan. De gevolgen voor hem en zijn gezin zijn (te) groot, zo lichtte hij toe. Verdachte woonde voorafgaand aan het tenlastegelegde deels in Spanje en deels in Nederland. In Nederland woonde hij samen met medeverdachte [persoon 1] en de kinderen die hij met haar heeft. Zij draagt sinds zijn detentie de zorg voor hen, ook in financiële zin.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft rekening gehouden straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en de oriëntatiepunten voor strafoplegging van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze oriëntatiepunten hebben geen afzonderlijk oriëntatiepunt voor witwassen, maar de rechtbank heeft voor de witwasfeiten aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor fraudezaken. Het oriëntatiepunt voor fraudezaken met een benadelingsbedrag vanaf € 1.000.000,- is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden tot de volgens de wet maximaal op te leggen gevangenisstraf voor het fraudedelict.
Ten aanzien van de verkoop van harddrugs met een hoeveelheid van 2 tot 3 kilogram geldt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden. Ten aanzien van de voorbereidingshandelingen zijn er geen oriëntatiepunten, maar gezien de ernst van dit feit en in combinatie met de geldende oriëntatiepunten voor de overige feiten, is de rechtbank van oordeel dat in de onderhavige zaak niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.
Alles overwegend acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Afwijzing verzoek opheffing c.q. schorsing bevel tot voorlopige hechtenis
De rechtbank wijst het verzoek tot opheffing c.q. schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis af. De feitelijke overlevering van verdachte naar Spanje vormt geen reden dit verzoek toe te wijzen. De wet kent immers geëigende juridische procedures die het voor verdachte mogelijk maken om ondanks zijn detentie in Nederland – tijdelijk – te worden overgebracht naar Spanje om daar de verdediging te kunnen voeren in, en aanwezig te zijn bij, de daar jegens hem aanhangig gemaakte strafzaak
9Beslag
Onder verdachte zijn de voorwerpen in beslag genomen zoals vermeld op de beslaglijst die als bijlage II is gevoegd bij dit vonnis.
9.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officieren van justitie hebben de verbeurdverklaring verzocht van de op de beslaglijst vermelde voorwerpen met de nummers 1 t/m 102, 105, 107 t/m 126, 128 t/m 163, 165 t/m 172, 176 t/m 181, 186.
Zij hebben verzocht om teruggave aan verdachte, dan wel medeverdachte [persoon 1] van de op de beslaglijst vermelde voorwerpen met de nummers: 103, 104, 106, 127, 164, 173, 182, 183, 184, 185, 187.
9.2.
Het standpunt van verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van het beslag geen standpunt ingenomen.
9.3.
Beoordeling
Verbeurdverklaring
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de voorwerpen met de nummers 1 t/m 102, 105, 107 t/m 126, 128 t/m 163, 165 t/m 172, 176 t/m 181, 186 worden verbeurdverklaard nu met betrekking tot die voorwerpen het bewezen geachte is begaan.
Teruggave aan verdachte, dan wel medeverdachte [persoon 1]
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de voorwerpen met de nummers 103, 104, 106, 127, 164, 173, 182, 183, 184, 185 en 187 kunnen worden teruggegeven aan verdachte, dan wel aan medeverdachte [persoon 1] .
10Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 57, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1
medeplegen van gewoontewitwassen
ten aanzien van feit 2
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod
ten aanzien van feit 3
medeplegen van een feit bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet , voorbereiden en bevorderen door
- een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid te verschaffen, en/of
- zich of een ander gelegenheid tot het plegen van het feit trachten te verschaffen
ten aanzien van feit 4
medeplegen van witwassen
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaren.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Verklaart verbeurd de voorwerpen vermeld op de beslaglijst onder de volgende nummers:
1 . t/m 102, 105, 107 t/m 126, 128 t/m 163, 165 t/m 172, 176 t/m 181, 186.
Gelast de teruggave aan verdachte [verdachte] , dan wel aan medeverdachte [persoon 1] van de op de beslaglijst genoemde voorwerpen met de volgende nummers: 103, 104, 106, 127, 164, 173, 182, 183, 184, 185, 187.
Wijst af het verzoek tot opheffing c.q. schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.H.E. van der Pol, voorzitter,
mrs. M. Wiewel en H.H.J. Zevenhuijzen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.A. Baaijens, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 oktober 2024.
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
Proces-verbaal Sky-ID [sky-id 1] en [sky-id 2] in gebruik bij [verdachte] (AD 5.1, p. [nummer 1] ).
Verklaring verdachte ter terechtzitting 24 september 2024, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die zitting en politieverhoor verdachte d.d. 7 mei 2024, PD01, p. 35-51.
.
Proces-verbaal bevindingen chats witwassen, ZD01 p. 23-69 en proces-verbaal bevindingen chats witwassen 2, ZD01, p. 70-135.
Verklaring verdachte ter terechtzitting 24 september 2024, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die zitting en politieverhoor verdachte d.d. 7 mei 2024, PD01, p. 35-51.
Proces-verbaal Sky-ID [sky-id 1] en [sky-id 2] in gebruik bij [verdachte] (AD 5.1, p. [nummer 1] ).
Verklaring verdachte ter terechtzitting 24 september 2024, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die zitting en politieverhoor verdachte d.d. 7 mei 2024, PD01, p. 35-51.
Verklaring verdachte ter terechtzitting 24 september 2024, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die zitting en politieverhoor verdachte d.d. 7 mei 2024, PD01, p. 35-51.
Proces-verbaal bevindingen chats witwassen, ZD01, p. 23-69 en proces-verbaal bevindingen chats witwassen 2, ZD01, p. 70-135.
ZD03, p. 27-28.
ZD03, p. 27.
ZD03, p. 28.
ZD03, p. 28-29.
ZD03, p. 29.
ZD03, p. 29.
ZD03, p. 29-30.
ZD03, p. 29-30.
ZD03 p. 29-30
ZD03, p. 23.
ZD03, p. 31-32.
ZD03, p. 32.
ZD03, p. 33.
ZD03, p. 33.
ZD03, p. 33.
ZD03, p. 35-36.
ZD03, p. 36.
ZD03, p. 37 onderaan en p. 38.
ZD03, p. 39.
ZD03, p. 37 onderaan.
ZD03, p. 38.
ZD03, p. 39 onderaan en 40 bovenaan.
ZD03, p. 38 bovenaan.
ZD03, p. 38 midden van de pagina.
ZD03, p. 40.
ZD03, p. 41.
ZD03, p. 41.
ZD03, p. 24-26.
ZD03, p. 40.
Politieverhoor verdachte d.d. 7 mei 2020, p. 5 en verklaring verdachte ter terechtzitting 24 september 2024, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die zitting.
Politieverhoor verdachte d.d. 7 mei 2020, p. 5 en 6.
Politieverhoor verdachte d.d. 7 mei 2020, p. 5.
Politieverhoor verdachte d.d. 7 mei 2020, p. 6-7 en verklaring verdachte ter terechtzitting 24 september 2024, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die zitting.
Politieverhoor verdachte d.d. 7 mei 2020, p. 7 onderaan.
Politieverhoor verdachte d.d. 7 mei 2020, p. 5-6.
Politieverhoor verdachte d.d. 7 mei 2020, p. 7.
Verklaring verdachte ter terechtzitting 24 september 2024, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die zitting en politieverhoor verdachte d.d. 7 mei 2020, p. 7.
Verklaring verdachte ter terechtzitting 24 september 2024, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die zitting en politieverhoor verdachte d.d. 7 mei 2020, p. 7.
Verklaring verdachte ter terechtzitting 24 september 2024, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die zitting en politieverhoor verdachte d.d. 7 mei 2020, p. 7.
Verklaring verdachte ter terechtzitting 24 september 2024, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die zitting.
ZD03, p. 475-476
Verklaring verdachte ter terechtzitting 24 september 2024, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die zitting.
ZD03, p. 483-485.
ZD03, p. 485.
ZD03, p. 491-493.
Zie ook ZD03, p. 124.
ZD03, p. 491-493.
ZD03, p. 492-493.
ZD03, p. 494.
ZD03, p. 496.
ZD03, p. 499.
ZD03, p.
Conclusie
Als alles goed gaat, dan doen we 600 stukken. 300 en 300’. [persoon 5] zegt in dit gesprek uiteindelijk: ‘dan spreken we het zo af 300 van je kant en 300 van mijn kant. Voor 5300 ieder. Ik ga dat hier bespreken’. Verdachte antwoordt: ‘laat [persoon 7] het bevestigen broer, zodat noch het aantal en al helemaal niet het onderwerp van de logistiek wordt veranderd’.
Op 23 juli 2023 stuurt verdachte dat het tijd is om geld te sturen om ‘dat materiaal’ te kopen’ en ‘we gaan eerst de zwangerschap deze week afmaken om zijn mensen te laten zien dat we dat kunnen doen en dat ze vertrouwen hebben in elk ander werk dat we in gedachten hebben zonder problemen’.
Op 24 juli 2023 zegt verdachte dat hij alles hier gaat opzetten en dat ze geld moeten sturen om ‘het materiaal’ te kopen en dan ‘als ze gaan werken moeten ze 50 % sturen om het eten te kopen’. Ook spreekt hij over de ‘zwangerschap’ en over het ‘eruit halen van het project’ en dat er voor ‘project geld moet worden geïnvesteerd’. Door [persoon 5] wordt vervolgens over containers gesproken en worden prijzen genoemd om ‘het eten te gaan voorbereiden’. [persoon 5] zegt hierover op 25 juli 2023: ‘om het eten te gaan voorbereiden 50 % is 900 duizend als jullie gaan met 400’.
De politie relateert hierover in het proces-verbaal dat bekend is dat de term zwanger en zwangerschap in relatie tot zendingen met containers wordt gebruikt om een specifieke methode van drugssmokkel aan te duiden. Ook de term (er)uithalen wordt veelvuldig gebruikt in de handel in verdovende middelen. Verder wordt gerelateerd dat het de verbalisant bekend is dat grote partijen verdovende middelen worden aangeduid met “eten”. Het is de politie verder bekend dat de kostprijs voor een kilo cocaïne in Zuid-Amerika rond de € 5.000,- ligt.
Op 25 juli 2023 laat verdachte weten dat hij al met de broeder heeft gesproken, en dat als de mensen er klaar voor zijn, het kan. De broer organiseert dat allemaal zodra het voedselgeld wordt gestuurd, aldus verdachte.
Verdachte stuurt op 26 juli 2023 onder andere: ‘Ik heb [persoon 7] al uitgelegd dat we hoe dan ook het moeten sturen om het materiaal te kopen om het verzending te doen, want dat is daar niet gratis’. Later die dag stuurt hij dat hij met [persoon 7] zelfs heeft gesproken over het veranderen van de route en de rederij ‘voor wat we willen doen’.
Op 1 augustus 2023 stuurt verdachte onder meer dat hij zojuist is gebeld door ‘de [persoon 7] ’ en dat deze [persoon 7] de volgende dag aan verdachte zal laten weten of ‘we’ het benodigde bedrag kunnen bereiken.
[persoon 5] heeft op 17 juli 2023 in een een-op-een chat met verdachte een filmpje gestuurd. Op dit filmpje is een grote hoeveelheid kiloblokken cocaïne te zien. De politie herkent de blokken als kiloblokken cocaïne aan de witte, geperste substantie voorzien van een stempel die te zien is door de geopende verpakking van een van de blokken. Verder zijn de blokken in rechthoekige vorm verpakt, in een rubberverpakking (ballen) met daaromheen folie gewikkeld.
OVC-gesprekken in Mercedes en Daewoo
In de periode van 26 juni 2023 tot en met 2 oktober 2023 is vertrouwelijke communicatie opgenomen in de Mercedes waarvan verdachte gebruikmaakte en in de periode van 6 oktober tot en met 27 november 2023 in de Daewoo waarvan verdachte gebruikmaakte. In dit verband hebben ook observaties plaatsgevonden. Hieruit blijkt onder meer het volgende.
Verdachte heeft in voornoemde periode meerdere gesprekken – in de auto zelf of via de telefoon – met onder meer [persoon 5] en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). Deze gesprekken vonden plaats met één van hen en soms met zijn drieën tezamen. Ook in deze gesprekken worden termen gebruikt die volgens de politie veelvuldig worden gebruikt in onderlinge berichten over internationale handel in verdovende middelen, zoals onder meer: ‘(be)zwanger(en)/zwangerschap’, ‘uithalen’, ‘eten’, ‘apparaat’ en ‘tabletten’. De rechtbank acht ter zake het tenlastegelegde de volgende gesprekken in het bijzonder relevant.
Op 24 augustus 2023 is verdachte met [medeverdachte] in de Mercedes rond 10.58 uur op weg naar [bedrijf 2] in [plaats 1] . In dit gesprek zegt verdachte onder meer dat hij telkens aan [persoon 5] vraagt hoe ze ervoor staan. Verdachte wil dat weten want ze hebben de hoeveelheden nog niet specifiek doorgenomen en verdachte vraagt zich af wat [bedrijf 2] gaat betalen om de dingen eruit te halen.
Als verdachte en [medeverdachte] omstreeks 11:49 uur weer in de auto stappen en wegrijden vanaf [bedrijf 2] zegt verdachte: ‘als God het wil dan gaat het met deze van [persoon 5] lukken. Ik zal dan op zijn minst 5 voor jou eruit halen’ en ‘Ja bent 5000 euro ben je helemaal schuldvrij’.
Op 30 augustus 2023 heeft verdachte een gesprek via de telefoon met een onbekend gebleven man. Verdachte zegt: ‘ik ben afgelopen maandag met ‘ [alias] ’ [rechtbank: bijnaam [medeverdachte]] bij mijn mensen hier in [plaats 2] is geweest’. Uit het dossier volgt dat verdachte op 28 augustus 2023 met [medeverdachte] bij [bedrijf 2] in [plaats 1] is geweest. Verdachte zegt vervolgens dat één van de werknemers tegen hem heeft gezegd dat zij zich een maand lang rustig moeten houden omdat er 1000 pesos zijn ‘gevallen’. De verbalisant relateert dat er op 17 augustus 2023 in [plaats 3] in een container met bananen bestemd voor [bedrijf 2] ruim 978 kilo cocaïne is inbeslaggenomen.
Op 15 september 2023 zegt verdachte tegen [medeverdachte] dat hij hem iets wil vragen. Verdachte had de dag ervoor een afspraak met iemand en die kwam met de zekerheid dat in Jamaica wordt geladen. Verdachte zegt: ‘ze kwamen met een man. Om mensen te zoeken, of het ‘zwanger’ gedaan kon worden of ‘vloer’, want hij is ready, begrijp je?’ Verdachte vraagt [medeverdachte] vervolgens of [persoon 8] (fonetisch) het beheer/de controle over een bedrijf heeft dat snel komt. [medeverdachte] antwoordt dat als hij aan [persoon 8] vraagt of die verdachte te woord wil staan, hij dat wel doet. Hierover relateert de verbalisant dat ‘vloer’ net als ‘zwanger’ staat voor een manier waarop verdovende middelen kunnen worden gesmokkeld via zeecontainers.
Op 29 september 2023 rijden verdachte, [persoon 5] en [medeverdachte] samen in de Mercedes naar [bedrijf 2] te [plaats 1] . Uit het opgenomen gesprek kan worden opgemaakt dat verdachte en [persoon 5] met [medeverdachte] overleggen wat bij [bedrijf 2] moet worden besproken. In dit gesprek wordt onder meer door verdachte gezegd: ‘zeg tegen hem dat we een verzending in de planning hebben met deze broer’. [persoon 5] zegt daarop: ‘en hij moet nog iets weten: dat we er nog één gezond gaan versturen en die daarna ..... die gaat!’ [medeverdachte] wordt nogmaals uitgelegd dat hij tegen de man (de rechtbank begrijpt van [bedrijf 2]) moet zeggen dat er binnenkort “gewerkt gaat worden” en dat zij hem zullen waarschuwen wanneer.
Na de bespreking bij [bedrijf 2] stappen verdachte, [persoon 5] en [medeverdachte] weer in de Mercedes en [persoon 5] zegt: ‘verdomme man, ze hebben alle drie containers gecontroleerd’. Even later zegt [persoon 5] dat alles wat uit Ecuador komt wordt gecontroleerd. Verdachte antwoordt dat er al 170 ton in beslag is genomen en dat er zoveel drugs voorhanden is. Weer even later vraagt [persoon 5] : ‘die drie containers zijn één voor een hierheen gekomen toch?’. Verdachte antwoordt dat ze inderdaad gescheiden zijn gekomen en zegt dan: ‘we zijn hem dat vergeten te vragen broer, of het gescheiden moet als we het feestje gaan bouwen’. [medeverdachte] antwoordt hierop: ‘je weet toch dat je het altijd gescheiden moet doen want als ze er één pakken, pakken ze de andere niet.
Conclusie
Terwijl als ze allemaal samen deze kant op komen met eentje waar het feestje in zit, dan worden ze allemaal gepakt als ze allemaal in dezelfde zitten’. Ongeveer drie kwartier later wordt gesproken over de prijs van een ‘apparaat’ en verdachte zegt dat er hier 28/29 voor wordt gevraagd. [persoon 5] zegt: ‘Tegenwoordig is het hierheen verzenden geen deal ’. Verdachte zegt vervolgens: ‘maar als het alleen om ons drieën gaat’. Vervolgens zegt verdachte dat het al een hele tijd geen 25 meer kost. Volgens [medeverdachte] is dit vanaf het moment dat ‘tabletten’ begonnen binnen te komen en mensen daarmee begonnen te werken. Verdachte zegt daarop dat ‘tabletten’ hier goedkoper zijn en dat hij heeft gehoord dat ze zelfs door de scanner heen komen’.
Op 7 oktober 2023 zit verdachte met [medeverdachte] en [persoon 5] in de auto (Daewoo). In dit gesprek leggen verdachte en [medeverdachte] aan [persoon 5] uit dat ‘bezwangeren’ hier niet betekent dat ‘de uithaal’ door middel van ‘Kamikaze’ gaat, maar dat wie hier ‘bezwangert’, dat doet omdat hij ‘de logistiek’ in handen heeft. Zij leggen uit aan [persoon 5] dat ‘de logistiek’ degenen zijn die de containers verplaatsen en dat dit een groep werknemers is die in de haven werkt. Volgens verdachte en [medeverdachte] wijzen zij specifiek een container aan die kan worden ‘bezwangerd’. Zij zeggen verder tegen [persoon 5] dat kamikazes groepen zijn die binnendringen en een container openbreken, ‘zij halen het spul eruit’ en ‘ze maken het slot kapot enzo’. In dit gesprek geeft [persoon 5] aan dat ‘deze man’ beide dingen heeft, en [persoon 5] zegt: ‘ik wil dat je mij instrueert’ en vervolgens: ‘vraag het goed aan hem zodat ik niet weer een fout maak’ en: ‘vraag het zo letterlijk’. [medeverdachte] antwoordt hierop: ‘hij heeft het de vorige keer meteen tegen je gezegd ‘wij hebben de logistiek van de planning'.
Op 8 oktober 2023 wordt door verdachte, [persoon 5] en [medeverdachte] gesproken over onder meer percentages die moeten worden ingelegd. Verdachte zegt onder andere: ‘ze vroegen 20, maar hij zei dat we over het percentage zouden onderhandelen afhankelijk van de hoeveelheid’ en ‘het is beter om het duidelijk te bespreken met die mensen’. Vervolgens zegt verdachte tegen [persoon 5] : ‘je moet tegen jouw vriend zeggen dat er 20 voor gevraagd wordt, maar dat erover wordt onderhandeld. Snap je?’ en ‘Jij bent degene die het menu samenstelt. Als ze hier niet willen zakken dan moeten ze daar zakken, snap je? Ik houd wel van wat die mensen doen broer want bezwangerd betekent niet veel investering, niet veel kosten.’ En daarna: ‘zo van: “we vertrekken deze week”’, en dan investeer je in fruit, in een bestelling etc. En als die groep goed zit, dan doen zij het werk. Snap je? En wij betalen hun percentage [ntv] Als het kamikaze is dan zeggen ze het. Wij hebben vrienden die kamikazes zijn en die doen dat. Wat ik ambieer, broer, is dat ze ons nu minimaal 19 per hoeveelheid betalen’.
Op 11 oktober 2023 hebben verdachte en [medeverdachte] een gesprek waarin verdachte onder meer zegt: ‘daarom heb ik tegen hem gezegd: luister broer we doen plan B, oké? En dat betaal ik wel. Geef mij geld en dan koop ik al het fruit voor je. Dat waren we aan het bespreken’. [medeverdachte] antwoordt: ‘Als je je spul erin doet, dan maalt niemand om het fruit’.
Op 25 oktober 2023 zit verdachte met [medeverdachte] in de auto. [medeverdachte] vraagt of verdachte het wil zoals in ‘tabletten’, waarop verdachte zegt: ‘natuurlijk’. [medeverdachte] antwoordt daarop: ‘Tussen de dozen/kisten’.
Op 23 november 2023 wordt verdachte gebeld door [persoon 5] . Verdachte vraagt hem hoe het er allemaal voor staat. [persoon 5] antwoordt dat hij in actie moet komen. Verdachte vraagt: ‘zorgen zij voor de betaling van het uithalen hier? De douane?’. Verdachte vervolgt: ‘Een commissie. Maar jij en ik hoeven er geen miljoenen voor te krijgen, maar wel iets. Snap je?’. Even later in dit gesprek zegt verdachte: ‘reken maar uit. Ik denk dat de douane op z’n minst zo’n 3000 euro of wat minder kost. Snap je?’.
4.4.3.2. Conclusie
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte in de periode van 1 juli 2023 tot en met 23 november 2023 strafbare voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen heeft medegepleegd ten aanzien van het binnen het Nederlands grondgebied brengen van een grote hoeveelheid cocaïne.
Uit de verklaring van verdachte volgt dat hij met [persoon 5] bezig is geweest met (voorbereidingen voor) de invoer van cocaïne uit Zuid-Amerika en dat hij daarover (chat)gesprekken heeft gehad met [persoon 5] en anderen, en dat hij daartoe ook bij [bedrijf 2] is geweest. Deze verklaring wordt ondersteund door de inhoud van de hierboven weergegeven chatgesprekken via Signal en de OVC-gesprekken in de Mercedes en Daewoo.
De hiervoor weergegeven (chat)gesprekken kunnen – mede gelet op de verklaring van verdachte en de bevindingen hierover van de politie – niet anders worden geduid dan dat het hier om (invoer van) cocaïne gaat. De gebruikte woorden in de conversaties, zoals ‘bezwangeren, ‘uithalen’ en ‘tabletten’, zijn niet gebruikelijk in de legale fruithandel, maar worden veelvuldig gebruikt in onderlinge communicatie in de (internationale) handel in verdovende middelen. Dat deze termen in de voormelde (chat)gesprekken ook daadwerkelijk zo dienen te worden geïnterpreteerd, baseert de rechtbank mede op de context waarin zij in voornoemde gesprekken worden gebruikt. Daarnaast neemt verdachte in een van de bovenstaande gesprekken expliciet het woord ‘drugs’ in de mond en heeft [persoon 5] in de tenlastegelegde periode aan verdachte een foto van een grote hoeveelheid kiloblokken cocaïne gestuurd.
Uit al het voorgaande volgt dan ook dat verdachte (chat)gesprekken heeft gevoerd over de internationale handel in verdovende middelen en over de prijs c.q. aanbetaling daarvan en ontmoetingen heeft gehad met (de eigenaar van) een fruitbedrijf met betrekking tot het vervoeren en/of invoeren van verdovende middelen’, alsmede dat deze zijn aan te merken als voorbereidingshandelingen ter zake de invoer van grote hoeveelheden cocaïne.
Uit de verklaring van verdachte en de hiervoor weergegeven (chat)gesprekken volgt tevens een nauwe en bewuste samenwerking in die voorbereidingshandelingen tussen verdachte en in ieder geval [persoon 5] , waarbij verdachte in de voorbereidingen ook een significante rol heeft als bemiddelaar. In dat verband heeft verdachte niet alleen met meerdere mensen gesproken – waaronder (een) medewerker(s) van [bedrijf 2] – maar tevens instructies gegeven aan onder meer [persoon 5] en [medeverdachte] .
Dat verdachte ter terechtzitting van 24 september 2024 heeft verklaard dat het hem eigenlijk niet zo uitmaakte of het daadwerkelijk zou lukken de cocaïne in te voeren, maar dat hij [persoon 5] te vriend dan wel als zakenpartner wilde (be)houden in verband met de fruithandel, doet er niet aan af dat verdachte niettemin betrokken was bij de strafbare voorbereiding van de invoer van cocaïne. Dat het initiatief volgens verdachte vanuit [persoon 5] kwam, doet hier evenmin aan af.
Verder is de rechtbank van oordeel dat – anders dan door de raadsman gesteld – de omstandigheid dat er geen gecontamineerde containers zijn aangetroffen, en er dus mogelijk niet daadwerkelijk cocaïne is ingevoerd en verdachte naar eigen zeggen de aan hem beloofde € 50.000,- niet heeft ontvangen, voor een bewezenverklaring van dit feit niet relevant is.
4.4.4.
Feit 4
4.4.4.1.
Conclusie
Voorhanden hebben € 6.700,- aan contant geld en luxegoederen
Op grond van het proces-verbaal van doorzoeking en de kennisgevingen van inbeslagneming, kan worden vastgesteld dat in de woning van verdachte in [plaats 4] op 28 november 2023 – onder meer – zijn in beslag genomen een contant geldbedrag van € 6.700,-, en de volgende luxegoederen van duurdere merken:
- een horloge van het merk Rolex ter waarde van € 12.000,-;
- een horloge van het merk Tag Heuer, ter waarde van € 1.000,-;
- 49 paar schoenen van onder meer de merken Louis Vuitton, Gucci en Louboutin;
- 10 paar slippers van dure merken zoals Louis Vuitton en Dolce & Gabbana;
- 24 tassen van luxe merken, zoals Louis Vuitton, Gucci en Prada;
- 14 riemen van luxe merken, zoals Louis Vuitton, Gucci, Louboutin en Burberry.
Verdachte heeft verklaard dat deze spullen in de woning lagen en dat het geld en de spullen van verdachte, dan wel van zijn partner, [persoon 1] , zijn. Verdachte woont al jaren in de betreffende woning samen met zijn partner en zij voeren daar een gezamenlijke huishouding. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte, tezamen en in vereniging met [persoon 1] voornoemd geldbedrag en de luxegoederen (met een totale (dag)waarde van ongeveer € 35.195,-) voorhanden heeft gehad op 28 november 2023.
4.4.4.2. Witwassen
Voor een bewezenverklaring van het misdrijf witwassen is vereist dat komt vast te staan dat de in de woning aangetroffen luxegoederen en contanten middellijk of onmiddellijk van enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dat wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden.
De rechtbank stelt in dit verband allereerst het volgende vast.
Verdachte heeft ter terechtzitting van 24 september 2024 verklaard dat het overgrote deel van de aangetroffen luxegoederen door hem zijn betaald. Hij heeft daartoe zijn partner [persoon 1] ook vaker contant geld gegeven.
Afkomstig uit bepaald misdrijf (feit 1)
Verdachte heeft verder verklaard dat hij voor het onder 1 bewezenverklaarde medeplegen van gewoontewitwassen een bedrag van ongeveer € 1.500,- aan contant geld per transactie ontving, hetgeen neerkomt op in totaal ongeveer € 46.500,- (31 transacties). Verdachte verklaarde dat met (een gedeelte van) dat contante geld ook (een deel van de) bij hem thuis aangetroffen luxegoederen zijn gekocht.
Op basis hiervan kan aldus worden vastgesteld dat een (niet nader gespecificeerd) deel van de in de woning aangetroffen luxegoederen – middellijk – afkomstig is uit het onder 1 bewezenverklaarde misdrijf (medeplegen van gewoontewitwassen) en dat verdachte dat ook wist.
Afkomstig uit (onbepaald) misdrijf
Ten aanzien van een deel van de aangetroffen voorwerpen geldt dat op basis van het dossier geen specifiek misdrijf kan worden vastgesteld waaruit deze afkomstig zouden kunnen zijn. Ook echter als niet een concreet misdrijf aan te wijzen valt, kan onder omstandigheden worden bewezen dat de aangetroffen voorwerpen uit misdrijf afkomstig zijn. Er moet dan sprake zijn van een witwasvermoeden op basis van de feiten en omstandigheden waaronder de voorwerpen zijn aangetroffen. Als dat vermoeden er is, dan is het aan verdachte om een verklaring te geven over de legale herkomst van het geld en de voorwerpen. Die verklaring moet concreet zijn, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Als de verklaring van verdachte daaraan voldoet, is het Openbaar Ministerie aan zet om nader onderzoek naar de herkomst van de voorwerpen.
Ten aanzien van het witwasvermoeden overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte is in beeld gekomen in het onderzoek (Ajino) naar witwassen en drugshandel. Vastgesteld is dat verdachte zich gedurende een langere periode in 2020 – voor een deel daarvan tezamen met zijn partner [persoon 1] – heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen van zeer hoge (contante) geldbedragen met een totaalbedrag van € 14.061.675,- (feit 1) en dat hij zich in 2020 en in de periode van 1 juli 2023 tot en met 27 november 2023 tevens heeft schuldig gemaakt aan (voorbereiding van) cocaïnehandel (feiten 2 en 3). Bij hen thuis is een aanzienlijke hoeveelheid luxegoederen van onder andere Louis Vuitton aangetroffen (met een totale (dag)waarde van ongeveer € 35.194,-). Verder blijkt uit het onderzoek dat door verdachte en [persoon 1] in 2020 (23 mei 2020 tot 26 januari 2021) bij Louis Vuitton contante aankopen zijn gedaan van in totaal een bedrag van € 20.930,-. Dit betreffen soortgelijke artikelen als die tijdens de doorzoeking in de woning zijn aangetroffen.
Deze omstandigheden rechtvaardigen een vermoeden van witwassen. Daarom mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de herkomst van de aangetroffen voorwerpen.
In dit verband stelt de rechtbank het volgende vast.
Op 2 januari 2024 is aan verdachte een witwasbrief gestuurd waarin is medegedeeld dat met betrekking tot de aangetroffen voorwerpen sprake is van een vermoeden van witwassen en waarin de gelegenheid is gegeven om aanvullende informatie te verstrekken om de herkomst van de goederen te onderbouwen en/of de geldstro(o)m(en) te onderbouwen en inzichtelijk te maken. Hieraan heeft verdachte geen gehoor gegeven. Ook in de verhoren van verdachte bij de politie heeft hij geen verklaring afgelegd over de herkomst van de spullen.
Eerst ter terechtzitting van 24 september 2024 heeft verdachte verklaard dat het geld om (een deel van) de aangetroffen luxegoederen (met een totale waarde van ongeveer € 35.195,-) te bekostigen, alsmede € 6.700,- aan contanten te hebben liggen, afkomstig zouden zijn van inkomsten uit zijn bedrijf in Spanje, genaamd [bedrijf 1].
De rechtbank is van oordeel dat de enkele – pas op de terechtzitting gedane – stelling van verdachte dat de aangetroffen luxegoederen en contanten afkomstig zouden zijn van zijn legale inkomsten uit dit bedrijf, mede gelet op het late stadium waarin verdachte met deze mededeling komt, onvoldoende is om te gelden als een concrete, verifieerbare niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat op geen enkele wijze wordt onderbouwd dan wel anderszins voldoende concreet handen en voeten wordt gegeven aan de stelling dat verdachte via dit bedrijf dusdanige (legale) inkomsten had om te kunnen beschikken over voornoemde goederen en contanten. Dit terwijl anderzijds is komen vast te staan dat verdachte zich in 2020 en in de periode van 1 juli tot en met 27 november 2023 heeft schuldig gemaakt aan het gewoontewitwassen van extreem hoge (contante) geldbedragen en (voorbereiding van) cocaïnehandel, waarbij uit het dossier en de verklaringen van verdachte, volgt dat nota bene zijn bedrijf [bedrijf 1] door verdachte (als dekmantel) werd gebruikt in het kader van de onder feit 3 bewezenverklaarde voorbereidingen om cocaïne in te voeren in Nederland.
Bij deze stand van zaken concludeert de rechtbank dat het niet anders kan zijn dan dat de in de woning van verdachte aangetroffen voorwerpen afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat verdachte dit ook wist.