Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-02-14
ECLI:NL:RBAMS:2024:8856
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,451 tokens
Inleiding
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/732639 / HA ZA 23-382
Vonnis van 14 februari 2024
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BRIDGEFUND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres in conventie,
verweerster in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: Bridgefund,
advocaat: mr. H.H.M. Meijroos te 's-Gravenhage,
tegen
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. R.F. Ronday te Mijdrecht.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 6 april 2023,
de conclusie van antwoord, tevens houdende (voorwaardelijke) eis in reconventie,
de conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie tevens akte in conventie houdende aanvullende gronden,
de akte zijdens [eiser] ,
- het tussenvonnis van 30 augustus 2023, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 november 2023, - rolverwijzing voor partijberaad, waarna vonnis is gevraagd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2Waar gaat de zaak over?
2.1.
Partijen hebben een geldleningsovereenkomst gesloten ten behoeve van de financiering van de bedrijfsactiviteiten van de eenmanszaak [eiser] . Op basis van de overeenkomst moest [eiser] in twaalf maanden inclusief de vaste rente en de premie-opslag € 45.000,00 terugbetalen aan Bridgefund. Er is een aflossingsschema van € 175,00 per werkdag overeengekomen.
2.2.
Op enig moment kon [eiser] niet meer aan het aflossingsschema voldoen en is hij opgehouden te betalen. Bridgefund heeft het restant van de lening opgeëist. Het gaat om € 28.175,00.
2.3.
[eiser] erkent dit bedrag verschuldigd te zijn, maar is het niet eens met de bijkomende kosten die Bridgefund nu vordert. Het gaat om contractuele buitengerechtelijke incassokosten ad € 5.113,76, contractuele rente ad € 414,12, contractuele rente van 2% over de hoofdsom vanaf 16 maart 2023 en € 1.837,41 aan beslagkosten.
2.4.
Bovendien stelt [eiser] dat er een betalingsregeling is afgesproken. Op basis daarvan zou hij € 500,00 per maand moeten betalen totdat de woning waarop Bridgefund beslag heeft gelegd is verkocht. Hij heeft een (voorwaardelijke) tegenvordering tot nakoming van deze betalingsregeling ingesteld.
Beoordeling
3.1.
De rechtbank wijst de hoofdvordering tot betaling van € 28.175,00 toe omdat [eiser] erkent dat hij dat bedrag moet betalen. Ook de bijkomende kosten moet [eiser] grotendeels betalen, omdat hij die op grond van de leningsovereenkomst nu eenmaal ook verschuldigd is. Hieronder wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot die beslissing komt.
3.2.
[eiser] stelt dat hij de bijkomende kosten niet is verschuldigd omdat er een betalingsregeling was afgesproken van € 500,00 per maand. Bridgefund stelt zich volgens hem ten onrechte op het standpunt dat die regeling is vervallen. De bijkomende kosten zijn dan ook ten onrechte gemaakt.
3.3.
Bridgefund betwist dat deze betalingsregeling tot stand is gekomen. Eerder is er wel een regeling geweest die inhield dat [eiser] € 250,00 per week betaalde, maar op een gegeven moment kwam [eiser] die regeling niet meer na. Die regeling is dus komen te vervallen. [eiser] heeft daarna gedurende twee maanden € 250,00 per twee weken betaald, maar dat was niet de afspraak. Een regeling voor een bedrag van € 500,00 per maand zou voor Bridgefund ook niet acceptabel zijn geweest, omdat de rentelast per maand al € 540,00 was, zodat de schuld met zo’n regeling nog steeds zou oplopen. Twee medewerkers van Bridgefund hebben hierover een verklaring afgelegd.
3.4.
Het standpunt van [eiser] is een bevrijdend verweer. Dat houdt in dat op [eiser] de stel- en bewijsplicht rust om zijn stelling dat er een regeling was getroffen die betaling van € 500,00 per maand inhield aannemelijk te maken. Gelet op het verweer van Bridgefund is [eiser] daarin niet geslaagd. Daarvoor is het gestelde maandbedrag te laag en [eiser] heeft verder geen onderbouwing van zijn standpunt, zoals correspondentie met medewerkers van Bridgefund, kunnen laten zien. Daar komt bij dat [eiser] de € 500,00 per maand ook niet meer heeft betaald. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de regeling € 250,00 per week inhield en niet € 500,00 per maand. Bij die stand van zaken is door [eiser] niet correct nagekomen en heeft Bridgefund terecht incassomaatregelen genomen.
3.5.
Het voorgaande betekent dat het verweer faalt en dat Bridgefund gerechtigd was om tot incasso van haar vordering over te gaan. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De kosten die daarvoor zijn gemaakt komen in beginsel dus voor rekening van [eiser] . Dat staat zo in de overeenkomst en volgt ook uit de wet. Wel volgt de rechtbank [eiser] in zijn betoog dat de gevorderde contractuele incassokosten van 15% van de hoofdsom buitensporig zijn en niet in verhouding staan tot de verrichte werkzaamheden. De hoogte van de vordering zal daarom worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank wijst € 1.060,00 toe, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding.
3.6.
De contractuele rente van 2% vanaf de verzuimdatum (16 maart 2023) zal worden toegewezen, omdat dit is overeengekomen en door [eiser] niet is weersproken.
3.7.
Ook de vordering tot betaling van de beslagkosten is toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 395,41 voor kosten deurwaardersexploten, € 676,00 voor griffierecht en € 766,00 voor salaris advocaat, totaal € 1.837,41.
3.8.
Uit het voorgaande volgt ook dat de (voorwaardelijke) tegenvordering wordt afgewezen. In verband met de tegenvordering heeft Bridgefund betoogt dat [eiser] die vordering nodeloos en daarmee onrechtmatig heeft ingesteld. Zij vordert daarom een volledige proceskostenveroordeling. Dat ziet de rechtbank anders. [eiser] zal in de proceskosten worden veroordeeld, maar volgens het forfaitaire tarief. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van Bridgefund als volgt vastgesteld:
- kosten van de dagvaarding
€
110,55
- griffierecht
€
2.837,00
- salaris advocaat
€
1.965,00
(2,50 punten × € 786,00)
Totaal
€
4.912,55
3.9.
De gevorderde veroordeling in de nakosten is toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.
Dictum
De rechtbank
4.1.
veroordeelt [eiser] om aan Bridgefund te betalen een bedrag van € 28.175,00, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 2% per maand over het toegewezen bedrag, met ingang van 16 maart 2023, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [eiser] om aan Bridgefund te betalen de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.060,00, te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW vanaf 6 april 2023 tot de dag van volledige betaling,
4.3.
veroordeelt [eiser] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 1.837,41,
4.4.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Bridgefund tot dit vonnis vastgesteld op € 4.912,55, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
4.5.
veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 178,00 aan salaris advocaat,
- te vermeerderen met € 92,00 aan salaris advocaat en met de explootkosten als [eiser] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden,
4.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wouters en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2024.